De pestkop wotdt bedankt

Arnold Heumakers

De autobiografische verhalen van W.F. Hermans zijn nu gebundeld

Schrijven over jezelf, dat doe je niet, vond W.F. Hermans. Op zijn tiende sterfdag verschijnen zijn autobiografische verhalen. Meedogenloze zelfportretten van een zelfkweller en een sombere narcist.

Het volgende werd mij ooit verteld door de vader van een van mijn vrienden, die met Willem Frederik Hermans op het Amsterdamse Barlaeus-gymnasium had gezeten. De jonge Hermans zat in de eerste klas en werd op het schoolplein vreselijk gepest. Mijn zegsman, die een paar jaar ouder was, kwam tussenbeide. Het pesten hield op. Maar in plaats dat hij dankbaar was, reageerde Hermans furieus: `Bemoei je met je eigen zaken, klootzak!' Waarop hij nijdig wegliep, zonder zijn ongevraagde beschermer nog een blik waardig te keuren.

Het verhaal klinkt authentiek. Zo kennen we Hermans weer, onverzoenlijk tegen alles en iedereen, ook als het tegen zijn eigen belangen ingaat.

Volgende week woensdag, 27 april, is hij alweer tien jaar dood. Maar vergeten is hij nog lang niet, dankzij zijn trouwe lezers, dankzij het Willem Frederik Hermans Instituut, dankzij de aangekondigde uitgave van zijn verzamelde werken (het eerste deel komt in de herfst) en dankzij Richard Simmillion. Een onvoltooide autobiografie, de op Hermans' tiende sterfdag te verschijnen bundel met een zestal autobiografische verhalen.

Hoewel Hermans onmiddellijk herkenbaar is in vrijwel alles wat hij heeft geschreven, had hij geen hoge dunk van schrijvers die het voornamelijk over zichzelf hadden. Brieven, dagboeken, autobiografieën vond hij dubieuze genres. Toch heeft hij (naast zijn Fotobiografie) een aantal autobiografische verhalen op zijn naam staan, waarvan zes met als hoofdpersoon een zekere Richard Simmillion, een onmiskenbaar alter ego van de auteur. De achternaam Simmillion wekt associaties met het Latijnse similis dat `gelijkend op' betekent, al schijnt er ook een Vlaamse auteur te zijn geweest die Konstantijn Simillion heette: zoals een roman volgens Hermans `een soort gelijkenis' is, zo lijkt Richard op Willem Frederik.

Deze verhalen behoren tot het treurigste maar ook het mooiste wat Hermans heeft geschreven. Meedogenloze zelfportretten zijn het, vol wrok en ellende. Van autobiografen wordt vaak gezegd dat zij hun pijnlijke herinneringen van zich afschrijven, maar in een interview heeft Hermans zijn eigen schrijven juist een `zich erin schrijven' genoemd. Met als resultaat: een verheviging door stilering, zodat alleen het essentiële tot uiting komt, dat wat Hermans de `waarheid' placht te noemen.

In de Richard Simmillion-verhalen speelt de waarheid ook in meer conventionele zin een rol: hij had er `niks bij verzonnen', bekende Hermans aan Martien J.G. de Jong, die in 1986 een boekje over deze `onvoltooide autobiografie' publiceerde. Alles was echt zo gebeurd. Uiteraard is het beschrevene wel subjectief gekleurd, dat zou ook niet anders kunnen. De verhalen zijn een poging de ervaring van het verleden, zoals het geheugen die bewaard heeft, zo getrouw mogelijk weer te geven. Als zodanig laten ze zien waar dit uitzonderlijke schrijverschap vandaan is gekomen. En ook nog iets anders: van dat schrijverschap bieden ze tegelijkertijd een rechtvaardiging. Dat maakt het lezen ervan tot veel meer dan enkel een bevrediging van biografische nieuwsgierigheid. Deze verhalen tonen Hermans' grimmige, gekwelde wereldbeeld in zijn meest geconcentreerde, meest elementaire en (als het in dit verband niet zo vreemd klonk) meest zuivere vorm.

Hun kwaliteit is overigens allang in brede kring erkend, getuige de bijzondere plaats die aan `De elektriseermachine van Wimshurst' en `Het grote medelijden' toegekend binnen Hermans' oeuvre. Beide verhalen werden eerder gepubliceerd in Een wonderkind of een total loss (1967), de overige verhalen in de verzamelbundel De laatste roker (1991). Slechts één verhaal is hier voor het eerst gebundeld: `Een toerist', dat in 1979 al wel in Snoecks Almanak stond. Het is het aandoenlijke relaas van een excursie in de natuur onder leiding van een geliefde leraar biologie. `De gelukkigste dag van mijn schooljaren', schrijft Hermans zeer onkarakteristiek. Inderdaad, op de dag zelf blijft alles idyllisch; de onvermijdelijke domper komt pas naderhand, als vader en zoon het zo geslaagde uitje nog eens over doen en vader niet op de afgesproken tijd uit bed wil komen.

Vader Simmillion krijgt in nog veel méér opzichten de schuld, wat niet hoeft te verbazen bij een gretig Freud-lezer als Hermans, al kun je je afvragen wat het eerst is gekomen: de waardering voor Freud of de haat tegen de vader. Hoe het ook zij, Hermans heeft zijn latere ellende altijd vooral aan zijn starre, benepen, van ieder begrip voor de behoeften van het kind gespeende opvoeding geweten. En die kwam uit de koker van zijn papa, een onderwijzer. Veel meer dan de onderdanige moeder of de brave oudere zuster, is híj het die rondspookt in Richards herinneringen. Deze onvoltooide autobiografie is daarom ook een `boek van vader en zoon' geworden, merkt criticus Arjan Peters in zijn nawoord terecht op.

In de ogen van zijn zoon krijgt vader Simmillion de trekken van een indolente, middelmatige, maar hopeloos van zijn eigen gelijk overtuigde huistiran, van wie de zoon liefde en erkenning verlangt, zonder beide in voldoende mate te ontvangen. Bij de jonge Richard, opgestookt door zijn grootmoeder om een `wonderkind' te zijn, net als Yehudi Menuhin over wie zij in de krant heeft gelezen, kent de ambitie geen grenzen. Maar keer op keer hij teleurgesteld. De erkenning waarop hij recht meent te hebben, hem onthouden. Zijn omgeving, zowel thuis als op school, is er enkel op uit om hem tegen te werken. Daardoor, vindt hij achteraf, is zijn hele jeugd verpest, veranderd in een hel van schande en schaamte.

De tegenwerking heeft echter ook nog een andere kant: `Als ze mij niet hadden tegengewerkt en uitgelachen, misschien zou ik dan wel nooit hun massieve domheid hebben ontdekt', schrijft Hermans bij monde van zijn alter ego. Of wat ook mogelijk was geweest: hij zou die domheid niet hebben gehaat en zelfs handig hebben benut, met het afschuwelijke risico dat hij zich nadien, als een `weldenkende' intellectueel, benauwd zou hebben gemaakt `dat er wat belangrijks verloren zou gaan als de mensheid zichzelf zou uitroeien met atoombommen'. Nu heeft hij daar tenminste geen last van, heilig overtuigd als hij is van de vergankelijkheid en vergeefsheid van alles.

Hier zien we de zelfkweller in volle actie: Richard of Hermans heeft zijn troosteloze waarheid aan zijn eigen ellende te danken en zou deze dáárom niet hebben willen missen. Dezelfde dialectiek (een wonderbaarlijke omslag van leed in waarheid) is steeds in het spel, wanneer het om zijn nihilisme, zwartgalligheid of misantropie gaat. Dat had Hermans zelf trouwens heel goed in de gaten, zijn luciditeit omtrent het eigen getourmenteerde innerlijk was zo groot dat er voor een criticus niet veel eer meer aan te behalen valt; je mag blij zijn dat je het allemaal kunt volgen.

Vanwege alle reële of vermeende tegenstand is in Hermans' wereldbeeld strijd onontkoombaar, maar hetzelfde geldt voor het besef dat daarmee nooit iets kan worden gewonnen dat hem werkelijk zal bevredigen. Nadat iedereen het in zijn jeugd heeft laten afweten, is er niemand van wie hij de erkenning nog kan respecteren - met uitzondering van zichzelf. In `Afscheid van Canada' fantaseert Richard over `een theater, waar op iedere stoel ikzelf zou zitten, daar zou ik zelf, op het podium, glanzen als een god! De kampioen van het narcisme!' Wie met zo'n zelfinzicht toch doorgaat, is niet alleen een narcist maar ook en vooral een masochist, iemand die - zoals het heet in `Het grote medelijden' - `meer [eist] dan er op deze wereld te vinden is' en er dus om vraagt dat zijn voorspelbare teleurstelling zich telkens zal herhalen.

Op een in Hermans' oeuvre betrekkelijk zeldzame positieve wijze blijkt dat ook uit het naïeve wensbeeld van New York als een stad met enkel boekwinkels, waar iedereen de schrijver Richard Simmillion bemint en van dienst is. Het pakt uit als een hemel van moeiteloze vervulling, op maat gesneden voor een volwassen wonderkind. Je zou het de meest radicale tegenhanger kunnen noemen van de wereld als permanente strijd waarin Richard zich daadwerkelijk bevindt, én van datgene wat die strijd bij voorbaat vergeefs maakt. Want over de New Yorkse hemel lezen we ook dat er niet veel aan zou zijn, als hij haar zelf had moeten organiseren. Het onuitstaanbare is juist dat hij géén wonderkind is, dat hij nooit iets cadeau heeft gekregen. Daarom kan hij niet echt genieten van wat door hem op eigen kracht is verworven.

Uit deze impasse bestaat geen andere uitweg dan een principiële omarming van het pessimisme. De waarheid van het pessimisme is belangrijker dan het geluk, dat toch niet komt. De `normale' toestand is ongelukkig te zijn - `al zal ik het normale altijd blijven verafschuwen', lezen we in `De elektriseermachine van Wimshurst'. Maar een god of een `grote goede grijsaard' die hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld, is er niet, met als gevolg: een even objectloos als totaal ressentiment. Zo moet de nihilistische boodschap zijn ontstaan, die de levensbeschouwelijke inzet van Hermans' oeuvre is gaan vormen en die hij als een onvermoeibare anti-profeet zijn leven lang heeft uitgedragen.

In dat oeuvre kan hij `alleen de verschillende verschijningsvormen van het ongeluk beschrijven'. Maar daarin blijkt alsnog een onvermoede bron van geluk te schuilen, zoals in alle geslaagde kunst. Wanneer hij de bovenbuurvrouw van zijn zwager en schoonzuster piano hoort spelen, reageert Richard in `Het grote medelijden' aldus: `Ik voel mijn ogen vochtig worden, ik voel mij als een gevangene in een ondergrondse kerker, die een kort ogenblik naar buiten kijken mag'. Dat herinnert aan Plato's grot, evengoed als aan Schopenhauer, voor wie de kunst - in het bijzonder de muziek - de enige mogelijkheid tot verlossing bood van de onderworpenheid aan de wereldwil.

Aan Schopenhauer doet ook het `medelijden' denken, waardoor Richard en zijn geestelijke vader geregeld worden overvallen. Zelfs (of misschien wel juist) hun meest gehate vijanden zijn er het object van, zoals vader en moeder, de essayist Otto Verbeek (met wie in `Het grote medelijden' Menno ter Braak is bedoeld, binnen de Nederlandse literatuur Hermans' favoriete kop van jut) en Richards zwager Friso, die hem om raadselachtige redenen minacht - net zoals Richard hem, maar dat is niet zo'n raadsel, aangezien Richard iederéén minacht.

Pas als Richard, na lang piekeren, bedenkt dat Friso op hem `wraak neemt' voor onder geheel andere omstandigheden ondergane vernederingen, breekt het medelijden door. Dat is natuurlijk geen toeval, want van wraak (`Ik heb geschreven om wraak te nemen') begrijpt Richard alles. Hij heeft in zijn zwager een lotgenoot herkend. Het medelijden, dat niet tot een noemenswaardige verandering van gedrag leidt, maar een tamelijk abstracte compassie met zoiets als de `menselijke conditie' blijft, is dus in feite een verkapt zelfmedelijden.

Toch zou het van weinig begrip getuigen voor Richards of Hermans' karakter (dat in een van deze verhalen farouche wordt genoemd, dat wil zeggen: zowel verlegen als woest) om hierin een uitnodiging te lezen hen zielig te vinden. Een grotere belediging kunnen we Hermans waarschijnlijk niet aandoen: Bemoei je met je eigen zaken, klootzak! Dat sommige lezers er desondanks niet aan zullen ontkomen om aan de menselijke empathie de voorkeur te geven boven de strikt literaire en dus ook altijd ietwat afstandelijke bewondering - ziedaar een levensgroot risico van de autobiografie, dat Hermans' reserve tegenover het genre niet weinig zal hebben vergroot.

Om een soortgelijke reden had hij een afkeer van gepsychologiseer in de literaire kritiek. Het lijkt me in elk geval niet erg waarschijnlijk dat hij ertegen was omdat hij iets wenste te verbergen; zijn eigen genadeloze openhartigheid weerspreekt dat, evenals zijn waardering voor Stendhal en Céline, auteurs (zo lezen we in Mandarijnen op zwavelzuur) die `schreven om zich te laten kennen'. De psychologie was voor hem taboe in de kritiek, omdat zij de zuiver literaire appreciatie in de weg zou staan. En dat was nu juist het enige waar het op aan kwam. Kunst, literatuur, schoonheid - ander licht in zijn duisternis scheen er niet. Naast de natuurwetenschap uiteraard, maar dat was iets van een geheel andere orde, al konden beide elkaar soms raken. Zie hoe Richard als kind `overweldigd' door de schoonheid van de elektriseermachine van Wimshurst, wanneer hij er voor het eerst een gravure van onder ogen krijgt.

De paradox is alleen dat je je als criticus en lezer hiervan pas ten volle bewust , door je te verdiepen in Hermans' onverminderd intrigerende psychische binnenwereld, bijvoorbeeld zoals die zich in de nu gebundelde autobiografische verhalen laat kennen. Op een overweldigende manier.

Info:

Willem Frederik Hermans: Richard Simmillion. Een onvoltooide autobiografie. Met een nawoord van Arjan Peters. De Bezige Bij, 231 blz. € 19,90

Foto-onderschrift:

W.F. Hermans, geportretteerd door de schilder E.J. van Straten Drie door W.F. Hermans gemaakte foto`s, van boven naar beneden: `Zwaar gestrafte lezer - zijn kop kwijt', `Koekje, kat van de fotograaf' en `In Nederland verboden wieldop van snelle auto. Deze wieldop nog bruikbaar als asbak' Uit `Een foto uit eigen doos', Rap