Zelfgenoegzaam isolement bedreigt grote kranten

H.J.A. Hofland; H.J.A. Hofland is columnist van NRC Handelsblad.

'De massa' heet tegenwoordig 'het grote publiek' en wordt bestormd door een horde pressiegroepen die dingen om zijn gunst. Volgens H.J.A. Hofland zijn grote kranten de laatste bolwerken van belangeloze nieuwsvoorziening en kritiek. Alleen een zekere zelfgenoegzaamheid bedreigt hen. Kranten moeten ten koste van alles voorkomen het huisorgaan te worden van een incrowd.

Morgenmiddag om 15.00 uur wordt over de stellingen van De Beus, Kalma en Scheffer een openbare discussiebijeenkomst belegd in De Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10 in Amsterdam. Deelnemers aan het debat zijn onder meer Felix Rottenberg (voorzitter PvdA) J. Glastra van Loon (Eerste Kamer-lid D66), Marijke Vos (Tweede Kamer-lid GroenLinks) en Wim Vrijhoef (voorzitter D66). Gespreksleider is Jan Tromp (adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant). Kaarten kunnen worden gereserveerd van 17.00 tot 20.00 uur, tel. 020-6232904

De grote kranten van het Westen zijn de laatste bolwerken van vrije meningsvorming en kritiek in een maatschappij die zich nog altijd 'open' noemt maar het steeds minder is. Ik heb een hekel aan het woord kwaliteitskrant. Het is zelfverheffend; het doet denken aan hofleveranciers, keurslagers en ambachtelijke neringdoenden die zeker met recht hun eretitel zullen voeren maar tot een andere categorie van bedrijvigheid horen.

Er zijn veel kranten die niet minder kwaliteit hebben dan de zogenaamde kwaliteitskranten, maar het is een andere kwaliteit. Tot de grote kranten die ik bedoel horen de New York Times en de Washington Post, The Guardian, de Frankfurter Allgemeine en de Süddeutsche, Le Monde, de Volkskrant en NRC Handelsblad. Ze hebben gemeen dat ze niets met een kerk, partij of financieel belang te maken hebben, zich er niet op toeleggen hun lezers te amuseren, te vleien of te mobiliseren.

Deze kranten brengen het nieuws van stad en wereld, beschrijven wat er is gebeurd; ze verklaren hoe dat is gekomen, door welke beslissingen. Ze geven er hun oordeel over, leggen uit hoe het waarschijnlijk verder zal gaan; en ze vertellen hoe het, gezien een paar principes, opvattingen van zedelijkheid en doelmatigheid, volgens redelijke afwegingen verder zou behoren te gaan. Ze maken bekend, ze geven hun analyse, ze oordelen, en ze zijn, met hun continuïteit van jaren, zes of zeven maal per week gids en filosoof van de wereld - eigenwijs, arrogant, onafhankelijk. Tot dit alles hebben ze zich zelf benoemd. Ni Dieu, ni maître.

Betrekkelijk nieuw voor deze grote kranten in Nederland is dat ze naar Amerikaans voorbeeld opiniepagina's hebben waar het openbaar debat wordt gevoerd. Pas een jaar of dertig geleden heeft de Nederlandse pers zich van de verzuiling bevrijd (uitgezonderd De Telegraaf en Het Parool die door uiteenlopende oorzaken buiten het verzuilde systeem zijn ontstaan en groot geworden). De rest van de landelijke pers bestond uit gematige versies van de Pravda en de Osservatore Romano.

Ook de Antirevolutionairen hadden hun Osservatore, en de VVD had, als puntje bij paaltje kwam zelfs twee Pravda's. In de soms aan een rage grenzende behoefte tot herwaardering van de jongste vaderlandse geschiedenis ontwaakt opnieuw de belangstelling voor 'de jaren zestig'. Tot de verworvenheden van die periode hoort in ieder geval dat toen de landelijke pers zich heeft bevrijd van partijen, kerken en vakbonden. Daardoor is de ruimte voor het openbaar debat in de krant ontstaan.

Snel en grof beschreven is vervolgens op het terrein van het openbaar debat het volgende gebeurd. De universiteiten, in Nederland kweekplaatsen van maatschappijkritiek en denkbeelden, hebben zich laten politiseren en bureaucratiseren. De aldus veroorzaakte schade is nog niet hersteld.

Intussen begonnen de grote politieke partijen aan een nieuwe opmars. De Partij van de Arbeid radicaliseerde zich tot 'actiepartij', de VVD verliet haar basis in de Nederlandse hiërarchie van klassen en standen en hervormde zich tot een formatie voor conservatief populisme, en de christenen verenigden zich tot het CDA. Alle verwierven zich een nieuwe strijdbaarheid. De partijdiscipline nam toe waarmee de Kamerleden het persoonlijk initiatief - toch al niet verblindend - vrijwel werd ontnomen. Tegelijkertijd groeide het specialisme en ontstond er naast het Algemeen Beschaafd een Haags-politiek Nederlands, ingewikkeld, vol neologismen en vooral voorzichtig, met als absolute, nog altijd niet overtroffen voltreffer het Dit hebt u mij niet horen zeggen.

In de veranderingen van de jaren zestig hebben de opinieweekbladen, voorop Vrij Nederland, daarna de Haagse Post, een sleutelrol gehad. Daar werd toen het best begrepen wat de Nederlandse samenleving mankeerde en tot welke veranderingen een meerderheid bereid was. Of dat altijd de beste veranderingen waren is een ander probleem.

De weekbladen hebben ruimte gemaakt voor de nieuwsrubrieken van de televisie als vrijplaats voor het openbaar debat. Daardoor was het de VARA en de VPRO mogelijk de conflicten te ontketenen die nu als historische 'televisierellen' bekend staan, en waarvan er in ieder geval een aantal een plaats in een serieus jaartallenboekje verdienen.

De weekbladen hebben zich hun centrale rol in het openbaar debat geleidelijk laten afnemen. Dat hun publiek zich daarvan bewust is, blijkt uit de even geleidelijke afkalving van hun oplage. Inmiddels waren TROS en Veronica verschenen en daarmee was het lange gevecht om de kijkcijfers begonnen. Zoals overal in het Westen had in de Nederlandse cultuur het geweldig, nooit aflatend amusement zijn intrede gedaan.

En ten slotte, alleen terwille van de volledigheid: in al die ontwikkelingen zijn de literatuur en de film, in Nederland naar traditie toch al zwak tot bloedarm als het op engagement aankwam, ondergeschikt tot onbetekenend geweest.

In deze dertig jaar zijn de grote kranten radicaal van gedaante verwisseld. De Tijd is verdwenen, NRC en Algemeen Handelsblad zijn gefuseerd, de Volkskrant heeft het katholiek uit haar titel gehaald, Het Parool is van 'formule' veranderd, heeft zich omgevormd van landelijk dagblad met progressief intellectuele allure tot hoofdstedelijke krant met bijbehorende populaire toon en beperkte landelijke ambities. Daarmee heeft het de concurrentie met de Volkskrant en NRC Handelsblad opgezegd. De Telegraaf en het Algemeen Dagblad zijn hun doelstelling trouw gebleven: algemeen, populair, voortdurend kijkend naar hun oplage.

Wat in deze periode in Nederland is gebeurd, heeft zich, nationale verschillen daargelaten, in grote lijnen in alle westelijke landen voltrokken en dat is niet van een afgesloten historisch belang. De ontwikkelingen zijn nog in volle gang. Nederland is in zoverre een uitzondering dat hier een betrekkelijk nieuw soort dagblad in een nieuwe situatie is ontstaan.

Intussen groeien de concentraties van de massamedia verder, nu tot een gigantische omvang. Het streven naar meer heerschappij, landelijk of op wereldschaal, heeft niet direct tot doel het publiek tot nieuwe hoogten van beschaving te verheffen. In de eerste plaats gaat het om de combinatie van vermaak, roddel, seks en sport en de advertenties; en vervolgens het infotainment, het nieuws dat tot attractie is omgebouwd.

Het is wat te gemakkelijk cynisch en moralistisch om te veronderstellen dat alle mediagiganten van het vermaak er machiavellistisch op uit zijn het volk zó dom, althans bezig te houden, dat het geen oog meer heeft voor hun perfide bedoelingen. Maar wie zich zoveel mogelijk uren van zijn vrije tijd op een of andere manier gedepolitiseerd laat vermaken, wordt er in ieder geval niet snuggerder van. Dat geldt ook voor het infotainment, die het publiek een onthechte, ontspannen visie op de drama's van de verdere werkelijkheid geeft: de wereld als voorstelling.

Onder deze nieuwe omstandigheden is de openbare mening niettemin de grote politieke macht gebleven; misschien zelfs meer dan ooit, omdat de massamedia haar beter mobilisabel maken. Ik wil niet beweren dat het om de haverklap gebeurt, maar vakkundige bewerking van wat vroeger de massa heette en nu het grote publiek, systematisch opgezette campagnes, pogingen tot karaktermoord of verkoop van de politieke held van het seizoen, het verheffen van een vraagstuk tot issue van de dag, dat ligt allemaal veel dichter onder het bereik van de door welk uniek belang dan ook gestuurde massamedia. Dat is niet meer 'Amerikaans' maar algemeen Westers.

In deze stormloop op het publiek - door praktisch alle belangen, de politieke, de economische, ecologische, een horde van pressiegroepen - zijn de grote kranten met hun lezers de laatste bolwerken van onafhankelijke, belangeloze nieuwsvoorziening en kritiek. Deze constatering is geen zelfverheffing. Het is het vaststellen van een feit.

De vraag die hierop volgt is of hun redacties en aanhang deze positie beseffen en er voldoende gebruik van maken. Pierre Bourdieu, de Franse socioloog die door zijn perskritiek van zich heeft doen spreken, is van mening dat het voor 'de' pers onvermijdelijk zal zijn, met de televisie te concurreren. Ik ben er zeker van dat het de ondergang van de grote kranten zou zijn, als ze daaraan zouden beginnen. Met iedere verdunning van hun pagina's - streven naar iets 'luchtigs', vrolijke en wezenloze rubriekjes - verzwakken ze zichzelf. Ik ben het met Jan Blokker eens: grote foto's op de voorpagina of waar dan ook in deze kranten, doen lezer en krant kwaad, en met kleur wordt het er niet beter op. In laatste aanleg zijn de grote kranten de gezworen vijanden van de televisie, en als dat bij schaarse gelegenheden niet zo is, mag de televisie van geluk spreken.

Het eerste gevaar dat de grote kranten en hun publiek werkelijk bedreigt is dat ze zich in een zelfgenoegzaam isolement zouden terugtrekken, huisorganen van een incrowd worden. Grote redevoeringen, is een poosje geleden in de Volkskrant vastgesteld, moeten niet op een opiniepagina worden afgedrukt alleen omdat de spreker een fameus denker is. De grote kranten zijn geen dump van zichzelf overleefd hebbende deftigheid; de lezer moet erin verdiept blijven en daarna ontdekken dat zijn vingertoppen zwart zijn van de drukinkt, zoals bij de New York Times (die sinds lezersheugenis niet van opmaak is veranderd). Bij al haar soms ergerlijke arrogantie houdt de grote krant de tastbare concreetheid van alledag.

Het tweede gevaar is dat zo'n dagblad, in deze tijd onmiskenbaar méér dan levensvatbaar, het slachtoffer zal worden van zijn succes, en dan 'in de etalage' terechtkomt - tot verbazing, onthutsing of ook wel gnuivend leedvermaak in het publiek. Eind goed al goed: dat is een aansporing voor de grote kranten om meer over zichzelf na te denken en misschien, na een poosje, het resultaat daarvan ook af te drukken.