Onze beginselen

Onderstaand commentaar was het eerste hoofdartikel van NRC Handelsblad. Het verscheen 25 jaar geleden, op 1 oktober 1970.

EEN BEGIN VRAAGT om een beginselverklaring. De krant waarvan de lezer vandaag het eerste nummer in handen krijgt, is ontstaan uit het samengaan van twee kranten - de een in Amsterdam, de ander in Rotterdam uitgegeven - die in wezen dezelfde beginselen beleden. Die overeenstemming maakte, na een onafhankelijk bestaan van resp. 142 en 126 jaar, hun samengaan in laatste aanleg mogelijk; zij betekent ook dat de lezer niet behoeft te verwachten - of te vrezen - dat die nieuwe krant nu andere beginselen zal zijn toegedaan. Maar het ogenblik is aangewezen om die beginselen opnieuw te bepalen. De lezer heeft er recht op.

Liberaal zijn de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen Handelsblad genoemd. Het is niet een naam waarvoor de nieuwe krant zich geneert. Want in dit woord ligt het vrijheidsbeginsel besloten, dat ons vr alles dierbaar is. Dat is gemakkelijk gezegd, en velen die zich niet liberaal noemen, zeggen ons het met evenveel recht na. Een nadere definitie is dus nodig.

De vrijheidsgedachte die wij voorstaan, verdraagt zich niet met geloof in enig dogma, aanvaardt niet bij voorbaat enig gezag. Dat betekent een niet aflatende waakzaamheid, voortdurend onderzoek. Ook waakzaamheid jegens onszelf, ook zelfonderzoek, want de mens is een gewenningsdier, dat moeilijk afstand doet van vertrouwde gewoontes en denkpatronenen - en niets menselijks is ons vreemd. De vrijheidsgedachte die wij voorstaan, betekent ook verdraagzaamheid tegenover andersdenkenden, want de vrijheid die wij voor onszelf opeisen, kunnen wij, krachtens die gedachte, anderen niet ontzeggen. De grens van die verdraagzaamheid ligt evenwel daar waar anderen onze vrijheid dreigen aan te tasten. NOG STEEDS ZIEN wij in de vrije ontplooiing van de gaven die in de individuele mens verborgen liggen, het hoogst bereikbare ideaal. Alles wat die vrije ontplooiing remt of verkrampt, stuit op ons wantrouwen. Zeker wordt die ontplooiing bevorderd door een harmonieus gemeenschapsleven, maar we hebben deze eeuw gezien - en zien nog steeds - tot welke waanzin de mens als onderdeel van een collectiviteit kan komen. Daarom geldt ons wantrouwen in beginsel iedere collectiviteit: hetzij staat, partij of voetbalclub.

Het zou in strijd zijn met de vrijheidsgedachte indien wij haar tot dogma zouden verheffen. De tegenwoordige maatschappij kan niet zonder talloze collectieve voorzieningen; de economie niet zonder een uiterst verfijnd en daarom uitgebreid besturingsapparaat. Deze noodzaak te aanvaarden betekent echter niet haar tot ideaal te verheffen. In iedere machtsconcentratie zit een mogelijk gevaar - ook in die concentraties die welvaart en welzijn van de mens beogen. Als niet langer aanvaard wordt dat de mens geacht moet worden zelf te weten wat het beste voor hem is, zijn wij op het hellend vlak. Ook het paternalisme zal in deze krant een kritische volger hebben.

Noemt men dit modern liberalisme - het is ons wel. Het zijn niet wij die dit mooie woord schuwen. En modern is het liberalisme, zoals wij dit opvatten, per definitie: steeds bereid tot vernieuwing, open voor de geest der eeuw. Dit behoedt ons voor verstarring; dit belet ons ook te binden aan enigerlei partij of factie. DEZE KRANT wordt in Nederland uitgegeven, wordt door Nederlanders geschreven, die zich in het Nederlands - en goed Nederlands, hopen we - tot Nederlanders richten. Nationalisme is ons vreemd, maar evenmin maken we onszelf wijs dat wij ons ontworsteld hebben aan de eigenschappen van ons Nederlanderschap. Voor zover dit goede eigenschappen zijn, is er geen reden om zich ervoor te schamen. In elk geval is het onvermijdelijk dat ons oordeel vaak gegeven zal worden van een Nederlandse gezichtshoek uit.

Daarbij zal evenwel zin voor betrekkelijkheid ons niet in de steek laten. Wat Nederland in de wereld wil bereiken, kan het eerder via de internationale samenwerkingsverbanden waartoe het behoort, dan alln. Niemand zal Nederland om zijn mooie ogen volgen. Vandaar het nut van die samenwerkingsverbanden, zolang zij zich tenminste niet van de rest van de wereld gaan afzonderen en een eigen nationalisme kweken.

Ook zal de veiligheid van de wereld niet bevorderd worden door een Nederlands neutralisme. Vandaar dat wij de grondslag van het Atlantisch bondgenootschap aanvaarden - niet om ideologische redenen, maar omdat vrede en veiligheid in Europa, bij gebreke van een betrouwbaar veiligheidsstelsel, niet gediend zijn met het ontstaan van machtsvacua.


Het niet-ideologisch buitenlands beleid dat wij voorstaan, houdt de bereidheid in, contacten op allerlei gebied met andersdenkenden te onderhouden en, zo mogelijk, te verstevigen. Ter wille van de vrede, maar ook in de hoop dat de onvrijheid die in vele landen heerst, er geleidelijk door zal worden verzacht. Ook hier verloochen wij het vrijheidsbeginsel niet. WAT STIJL EN INHOUD van deze krant betreft: wij komen er eerlijk voor uit dat wij ons richten tot een publiek dat bereid is na te denken. Wij weten dat wij daardoor, vooral in een tijd waarin de aandacht van de lezer toch al door zoveel zaken in beslag wordt genomen, onszelf beperkingen qua lezerstal opleggen. Maar het is ons streven niet om aan een populariteitswedstrijd mee te doen.

Bovendien: wij respecteren onze lezers te zeer dan dat wij hen als onvolwassenen willen behandelen. Daarom zullen wij hun ook geen meningen opdringen. Het is ons doel hun in de eerste plaats in ruimst mogelijke informatie te geven, op grond waarvan zij dan zelf zich hun eigen mening kunnen vormen. Willen zij daarnaast nog kennis nemen van onze mening, die gescheiden van die informatie gegeven wordt, dan is dat meegenomen. En zelfs dan zullen wij hen wel eens met vraagtekens confronteren, die hen, hopen we, tot nadenken zullen prikkelen. Want op alwetendheid maken wij geen aanspraak.

Uit eerbied die wij jegens onze lezers koesteren, vloeit de plicht voort hun de informatie zo onversneden mogelijk te geven. Dat wil zeggen: niet-partijdig, niet met een of andere ideologische opzet. Maar het betekent ook dat wij hen kennis zullen laten maken met maatschappelijke stromingen en gebeurtenissen waarmee zij - of wijzelf - het misschien helemaal niet eens zijn. Wij voelen ons echter niet geroepen om onze lezers hetzij te indoctrineren, hetzij te helpen de ogen gesloten te houden. Wie dat niet zint neme een andere krant.

Wie zich richt tot een publiek dat bereid is na te denken, doet een beroep op de rede, die hijzelf ook hanteert. In een tijd dat allerlei irrationele verschijnselen weer de kop opsteken en vaak op modieus applaus kunnen rekenen, menen wij hiermee een functie te verrichten die nog zin heeft. Het antwoord evenwel is aan de lezer.