Beken of krepeer
Ellen de Bruin

artikel | Zaterdag 11-10-2008 | Sectie: Overig | Pagina: W08 | Ellen de Bruin

Medici en psychologen hebben meegewerkt aan geïntensiveerde verhoormethoden, die neerkomen op martelen. Maar de zo losgekregen informatie is vaak onbetrouwbaar.
e hebt iemand van de tegenstander te pakken, en die heeft waarschijnlijk informatie over nieuwe aanvalsplannen. Hoe kom je dat te weten, voordat die aanvallen echt plaatsvinden?

Als je het zo formuleert, klinkt het bijna als een bordspel - chips op tafel, glaasje wijn erbij. Maar voor de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA) was het de échte situatie, toen op 28 maart 2002 in Pakistan Abu Zubaydah werd opgepakt, een van de kopstukken van Al-Qaeda. Een planner. Hij moest wel meer weten van de aanslagen van elf september, en van andere Al-Qaeda-plannen; hij moest namen kennen van andere belangrijke Al-Qaeda-leden. Hoe krijg je zulke informatie eruit?

Aanvankelijk ging dat nog relatief gemakkelijk. Dat blijkt uit reconstructies door Amerikaanse journalisten die erin waren geslaagd militairen en topmensen van de FBI en de CIA te spreken te krijgen. Bijvoorbeeld Jane Mayer van het weekblad The New Yorker, wier boek The Dark Side over de oorlog tegen het terrorisme deze zomer verscheen. En Katherine Eban, die in juli 2007 over de ondervragingsmethoden van de CIA publiceerde in het cultureel-politieke maandblad Vanity Fair. Beiden beschrijven hoe Zubaydah, zwaargewond, vrijwel meteen na zijn arrestatie begon te praten - in het Engels, want hij wilde het Arabisch, de taal van zijn religie, niet bevuilen met zijn verraad. Zubaydah noemde onder meer de naam van Khalid Sheikh Mohammed, die het brein zou zijn achter 9/11 en die een jaar later werd opgepakt.

Maar zodra een speciaal ondervragingsteam van de CIA arriveerde en de druk opvoerde, schrijft zowel Mayer als Eban, klapte Zubaydah dicht. De druk opvoeren is trouwens een tamelijk vriendelijke manier om het te formuleren, volgens inmiddels tientallen publicaties in de pers (bijvoorbeeld ook in The New York Times, Time en Salon.com) én volgens onder druk daarvan vrijgekomen overheidsdocumenten. De geïntensiveerde ondervragingstechnieken (enhanced interrogation techniques) die de CIA in Guantanamo Bay gebruikt zou hebben, en in de geheime gevangenissen in bijvoorbeeld Thailand en Polen, kwamen in feite neer op martelen. De CIA blijft dat overigens ontkennen en spreekt van wettige methoden, goedgekeurd door het ministerie van Justitie.

Dit is er zoal met de gevangenen gebeurd, volgens de diverse verslaggevers. Sommigen ondergingen waterboarding, een beruchte marteltechniek waarbij iemand zoveel water over een over zijn neus en mond gelegde doek gegoten krijgt, dat hij het gevoel heeft te stikken. Sommigen werden urenlang zodanig aan hun armen opgehangen dat hun voeten net de grond niet raakten - dat maakt slapen onmogelijk en doet de onderbenen pijnlijk opzwellen. Soms werden gevangenen in kleine ruimtes in het donker gezet, in veel te koude of te warme ruimtes, in doodstille of juist zeer lawaaierige ruimtes (criterium: het trommelvlies moet heel blijven). Of ze moesten meer dan een dag lang staan. Of er werd een woest happende hond bij hen vastgebonden die nét niet bij hun keel kon. Jane Mayer beschrijft hoe een wanhopige gevangene probeerde zelfmoord te plegen door met zijn hoofd tegen de muur te rammen - toen zijn wonden waren gehecht, vroeg hij of hij naar de wc mocht, en daar probeerde hij het opnieuw.

Ethicus Steven Miles van de Universiteit van Minnesota stelde vorig jaar in het wetenschappelijke tijdschrift The American Journal of Bioethics de rol van artsen en gedragswetenschappers bij deze ondervragingen aan de orde. Miles baseert zich op overheidsdocumenten. Zo beschrijft hij de transcriptie van een verhoor dat volgens een onderzoek van het Amerikaanse leger niet inhumaan, dus zonder martelen verliep. Mohammed Al Qahtani werd twintig uur per dag ondervraagd, wakker gehouden met harde muziek, gedwongen een bh te dragen, aangelijnd als een hond en gedwongen te blaffen; hij moest zich keer op keer uitkleden waar vrouwen bij waren, raakte onderkoeld doordat de airconditioning in zijn verblijf te koud werd gezet, en hij kreeg een infuus toen hij in dorststaking wilde gaan, want, zo werd hem verteld, ze zouden hem niet laten sterven.

Dat infuus was door een arts aangelegd. Er waren sowieso voortdurend artsen, psychiaters en psychologen bij het verhoor aanwezig (de laatsten in zogeheten Behavioral Science Consultation Teams, BSCTs, in de wandelgangenbiscuits). Miles schrijft dat ze hiermeehun beroepscode en internationale medischenormen hebben geschonden.

De Amerikaanse beroepsorganisaties van psychiaters (American Psychiatric Association) en artsen (American Medical Association) hebben al in 2006 verklaard dat hun leden niet aan dergelijke ondervragingen mogen meewerken. Maar het Amerikaanse ministerie van Defensie heeft ook sindsdien volgehouden dat artsen en psychiaters niets verkeerd doen als ze meewerken, schreef bioethicus Jonathan Marks van Penn State University onlangs in The New England Journal of Medicine (11 september 2008). Artsen, psychiaters en psychologen zouden nodig zijn om ervoor te zorgen dat ondervragingen veilig, wettig en effectief - dat zijn de buzzwords - verlopen. Maar uit Miles artikel blijkt dat dit in het verleden ook niet heeft geholpen.

De psychologen zijn een geval apart. Ten eerste besloot de American Psychological Association pas vorige maand, als gevolg van een heftig bediscussieerd referendum, dat er geen psychologen meer als biscuits aan de geïntensiveerde ondervragingen mogen meewerken.
Dit zou eigenlijk zelfs nog later officieel beleid worden, vanaf de volgende algemene jaarvergadering, in augustus 2009, maar onder druk van de leden wordt nu onderzocht of de uitslag eerder geïmplementeerd kan worden. President Bush is vorige week al per brief van de beleidswijziging op de hoogte gesteld.

Ten tweede zouden psychologen hebben geholpen om de geïntensiveerde ondervragingsmethoden van de CIA te ontwikkelen. Want hoe komt de CIA aan die methoden? Ze zijn voor een deel gebaseerd op een training, ontwikkeld en verfijnd sinds de Koreaanse en Vietnamese oorlog, die speciale Amerikaanse militaire eenheden krijgen om martelpraktijken te kunnen weerstaan, ontdekte nieuwssite Salon.com een jaar geleden. De voorheen geheime training heet SERE, Survival, Evasion, Resistance and Escape, en zou bestaan uit een week klassikaal les, een week overleven in de bossen opgejaagd door andere militairen, en een week van gesimuleerde ondervragingen, vernederingen en martelingen. De technieken die de militairen in die laatste week ondergaan, zijn aangepast - reverse-engineered - voor gebruik in Guantanamo Bay en de geheime buiten-Amerikaanse gevangenissen. (Ze doken trouwens ook op in Abu Ghraib, de Iraakse gevangenis die bekend werd toen soldaten zich er vrolijk lieten fotograferen naast, bijvoorbeeld, stapels naakte gevangenen, wat op militair beleid lijkt te duiden.)

Verder zijn de CIA-technieken duidelijk geïnspireerd op psychologische experimenten uit de tijd dat de wetenschappelijk-ethische commissies nog niet zo streng waren als nu. De CIA nam een psychologisch adviesbureau in de arm, Mitchell, Jessen & Associates, dat de hierboven beschreven ondervragingsmethoden presenteerde als wetenschappelijk, maar volgens ingewijden nooit met data kwam waaruit bleek dat ze ook werkten. Wel lieten psychologen James Mitchell en Bruce Jessen zich inspireren door de vakliteratuur over bijvoorbeeld aangeleerde hulpeloosheid en zintuiglijke deprivatie (zorgen dat mensen vrijwel niets horen, zien en voelen).

Aangeleerde hulpeloosheid is vooral onderzocht bij honden, eind jaren zestig. Die kregen zoveel elektrische schokken waaraan ze niet konden ontkomen, dat ze niet eens meer probeerden te ontsnappen op het moment dat dat wél kon. Psycholoog Martin Seligman, die dit ontdekte, raakte onlangs nog in opspraak toen bekend werd dat hij in 2002 een drie uur durende lezing heeft gegeven voor SERE. Maar Seligman ontkent dat hij geholpen heeft martelmethodes te ontwikkelen.

Onderzoek naar zintuiglijke deprivatie begon al veel eerder. In 1937 schreef Donald Hebb dat ratten die in volledige duisternis waren opgegroeid er zes keer zo lang over deden om een verticaal van een horizontaal streepjespatroon te onderscheiden als normale ratten. (Hebb werd later bekend door zijn theorie dat leerprocessen het gevolg zijn van biologische veranderingen tussen neuronen.) Vervolgens ontdekte Marvin Zuckerman in de jaren zestig dat mensen die (vrijwillig) in hun eentje acht uur lang in een donkere, geluidsdichte kamer met dikke handschoenen aan op bed lagen, daar somber, angstig en gestresst door raakten en hun gevoel voor tijd en realiteit verloren. Enkelen gingen hallucineren en bleven na het experiment nog wekenlang angstig en depressief.

Mensen hulpeloos maken en/of er voor zorgen dat ze nauwelijks iets buiten zichzelf meer kunnen horen, zien en voelen is dus wetenschappelijk te noemen in die zin dat het weleens in wetenschappelijke experimenten is gedaan - waarin slechts werd aangetoond dat het een desoriënterende werking heeft. Het idee is volgens Mitchell en Jessen (die verklaard hebben tegen martelen te zijn) dat dat de weerstand van mensen zodanig breekt dat ze gaan praten.

En natuurlijk, je kunt mensen breken, zegt Gisli Gudjonsson, hoogleraar forensische psychologie in Londen en auteur van het standaardwerk The Psychology of Interrogations and Confessions. Maar de kans is groot dat ze dan dingen gaan zeggen die niet waar zijn. Als je mensen slaap onthoudt, hen bedreigt enzovoort, dan riskeer je dat ze precies datgene zeggen wat je wilt horen, ook als dat niet klopt. Over het algemeen is de informatie die mensen geven minder betrouwbaar naarmate je meer van dergelijke technieken gebruikt.

Hoe wéét hij dat? Je kunt het niet experimenteel onderzoeken, zegt Gudjonsson. Je kunt niet één groep mensen martelen, en de andere niet, en kijken wie de betrouwbaarste antwoorden geeft - hoewel iets dergelijks in de tijd van Zuckerman en Hebb misschien nog wel had gemogen. Veertig, vijftig jaar geleden deden mensen nog dingen die nu onethisch gevonden zouden worden. Zelfs nette manieren van verhoren zijn moeilijk experimenteel te onderzoeken, zegt Aldert Vrij, hoogleraar sociale psychologie aan de Universiteit van Portsmouth. Het is nu eenmaal niet goed mogelijk om in een laboratoriumsituatie een verhoor na te bootsen - hoe serieus dat verloopt, vooral. Je kunt mensen in een onderzoek niet echt onder druk zetten.

De oplossing is dus om praktijkgevallen te onderzoeken. In Engeland wordt relatief veel onderzoek naar verhoren gedaan, omdat de politie sinds eind jaren tachtig alle verhoren op band opneemt. Wetenschappers mogen die verhoren vaak gebruiken, vertelt Vrij. Tot het standaard tapen van verhoren werd besloten nadat er in de jaren zeventig allerlei mensen zéér agressief waren verhoord, en vervolgens jarenlang vastgezet omdat ze bijvoorbeeld IRA-bomaanslagen zouden hebben bekend (de Guildford Four en de Birmingham Six zijn beruchte zaken).

Ook Gudjonsson kijkt vooral naar cases, vertelt hij. En de beste manier om verdachten te laten meewerken is om ze met respect te behandelen, als ménsen. Een goede verstandhouding opbouwen met de verdachte is de basis van een goede ondervraging. Verdachten werken mee, zegt Aldert Vrij, als degene tegenover hen zich ook coöperatief opstelt. Verdachten reageren net zoals normale mensen. Als iemand vervelend is, loop je weg. En een verdachte kan niet weglopen, maar hij kan bijvoorbeeld wel zijn mond houden. Zoals Zubaydah deed, zodra hij slecht behandeld werd.

Niet dat vriendelijkheid automatisch garandeert dat een verdachte betrouwbare informatie geeft, zegt Peter van Koppen, hoogleraar rechtspsychologie in Maastricht. Bij veel valse bekentenissen is helemaal geen druk uitgeoefend. Dan zijn rechercheurs de verdachte heel vriendelijk aan het helpen om de krochten van zijn geheugen te doorzoeken. En dan denkt zon verdachte: ja, zo zou het wel eens gegaan kunnen zijn. Je kunt mensen van alles aanpraten, van een voorliefde voor asperges tot een incestverleden aan toe, blijkt uit onderzoek.

Maar in het geval van terrorismeverdachten is de situatie anders, zegt Gudjonsson. Kijk, als je alleen schuldige mensen zou ondervragen, dan kun je ze martelen en dan krijg je er misschien wel een bekentenis uit. Maar bij terrorisme heb je niet zozeer te maken met schuld, maar met plannen, met dingen die nog niet gebeurd zijn. Als mensen dan iets zeggen is het veel moeilijker te controleren. Als iemand gemarteld wordt en vertelt wie er van plan is een bom te plaatsen - kun je er dan op vertrouwen dat het waar is, of heeft hij het verzonnen?

Die tikkende tijdbom, zegt Gudjonsson, is een voorbeeld dat door landen waar martelen is toegestaan vaak wordt aangehaald om hun beleid te rechtvaardigen. Als je informatie over die bom kunt krijgen door één persoon te martelen en je redt er duizenden levens mee, zeggen ze daar, dan is het gerechtvaardigd. Maar er zijn maar heel weinig gevallen bekend waarin dat gewerkt heeft. En als je eenmaal begint te martelen, begeef je je op een hellend vlak. Dan zijn er de volgende keer al veel minder dan duizend mensen nodig om het te rechtvaardigen. Bovendien geven mensen die gemarteld worden, dus vaak geen goede informatie. En je moet ook kijken wat de gevolgen zijn als je het mis hebt - dan zouden er bijvoorbeeld wel eens onschuldige mensen in de metro doodgeschoten kunnen worden.

Iemand kan wel ergens ja op hebben gezegd, omdat hij gewoon onder de druk uit wilde, zegt Aldert Vrij. Zeker als er op een sturende manier is ondervraagd, bijvoorbeeld: is persoon X erbij betrokken?

Dat is natuurlijk niet goed, maar wel legaal, zegt Koppen. Er mag heel veel hoor, ook in Nederland. Langdurig verhoren, iemand verhoren nadat hij niet geslapen heeft omdat er een gek in de cel ernaast zat... En veel politiemensen streven naar een bekentenis, in plaats van naar waarheidsvinding. Ze hebben in hun opleiding wel geleerd dat dat niet goed is, maar dat zijn ze in de praktijk vaak weer snel vergeten. Dan willen ze gewoon dat een verdachte bekent. In elk land bestaan andere regels voor hoe je mensen kunt behandelen tijdens een ondervraging, beaamt Gudjonsson. Daarom worden mensen soms ook naar verschillende landen gebracht voor ondervragingen. Wie iemand strenger wil ondervragen, kan hem naar een land brengen waar meer mag. Waarmee we weer terug zijn bij Guantanamo Bay en de geheime gevangenissen buiten de VS.

We weten natuurlijk ook dat martelen niet werkt, zegt Gudjonsson, vanuit anekdotisch bewijs. Laten we eerlijk zijn, wat voor informatie is er nu eigenlijk uit Guantanamo Bay gekomen? Absoluut onvervangbare informatie, zei de CIA vorig jaar in een reactie op de stroom artikelen over martelen in de Amerikaanse pers. Cruciaal om onze vijand beter te begrijpen.

Maar ethicus Steven Miles schrijft dat de door hem beschreven ondervraging voor zover bekend niet tot rechtzaken heeft geleid, al zou Al Qahtani in Guantanamo Bay ongeveer dertig bodyguards van Bin Laden hebben aangewezen. En Jane Mayer van The New Yorker meldt dat de door Abu Zubaydah verraden Khalid Sheikh Mohammed na waterboarding niet alleen de moord op journalist Daniel Pearl bekende, maar ook plannen om president Clinton, president Carter en paus Johannes Paulus de Tweede te vermoorden. Volgens een anonieme voormalige CIA-topman, die Mayer citeert, is 90 procent van de met geïntensiveerde ondervragingsmethoden verkregen informatie onbetrouwbaar.

De bitterste ironie, zo schrijft Katherine Eban in Vanity Fair, is dat die technieken onder militairen zoveel navolging hebben gevonden door het verhaal dat ze Zubaydah aan het praten hadden gekregen. Een succesverhaal - maar niet waar. Zubaydah gaf zijn informatie vóórdat hij gemarteld werd.


Het idee is dat je de weerstand van mensen zodanig breekt dat ze gaan praten

Foto-onderschrift: Een Servische gevangene uit Pakrac wordt ondervraagd door een Kroatische politieman en legerofficier, mei 1995. Mensenrechten activist Harry Wu werd in 1995 ondervraagd door de Chinese politie over zijn