stefan stefan 2 3 2008-01-16T19:40:00Z 2009-01-31T21:31:00Z 1 2462 13547 zuid 112 31 15978 10.2625 120 Clean Clean 21 MicrosoftInternetExplorer4

Hoe om te gaan met witte vlekken in het verleden: geweten en vergeten gaan niet samen

 

Paul

 

Het vermogen de dieptepunten van het eigen verleden onder ogen te zien, is een teken van beschaving en een voorwaarde voor toenadering in Europa. Daarom mag bijvoorbeeld de Armeense genocide, die morgen voor de 90ste keer wordt herdacht, niet worden genegeerd.

 

Het oorlogsleed weet van geen wijken, sterker nog: op tal van plaatsen is de omgang met het verleden inzet van bittere conflicten. De afgelopen weken zagen we de woede-uitbarsting van Chinese jongeren over de ontkenning van Japanse oorlogsmisdaden, waaronder de massamoord in Nanking van december 1937. En hoezeer die opstandigheid ook gebruikt wordt voor politieke doeleinden, er bestaat al jarenlang een grote frustratie over de manier waarop Japan zijn oorlogsverleden heeft herschreven.

 

Een vergelijkbare ontkenning hebben we in de afgelopen weken meegemaakt in de aanloop naar de negentigste herdenking van de genocide op de Armeense bevolking in 1915. In het Turkse parlement werd onder luid applaus nog eens uitgesproken dat het land geen enkele blaam treft bij deze volkerenmoord. Tegelijk hebben we in de stemmen zien aanzwellen die vragen om een erkenning van het geleden onrecht.

 

Het zijn twee recente voorbeelden die een wezenlijk probleem raken, dat iedereen tot nadenken zou moeten aanzetten. Europese landen kunnen natuurlijk geen waarheidsvinding van anderen eisen zonder ook zelf het eigen verleden onder ogen te zien. Zo zijn er genoeg vragen over het oorlogsverleden van Nederland. De meningsvorming onder historici is steeds kritischer geworden, maar tijdens al die herdenkingen hebben we zichtbaar moeite om te doen wat we van anderen vragen: zelfonderzoek.

 

Dat geldt evenzeer voor een land als Polen, zoals de schrijver Szczypiorski al weer jaren geleden opmerkte: ,,Ik houd van Polen, mijn land, maar toch kan ik de Poolse illusies niet verdragen. Bijna alle Polen zijn van mening dat zij de taken waar ze voor stonden, in de oorlog en de daarop volgende communistische periode, heldhaftig hebben volbracht. Ik vraag mij echter iedere dag af: als jullie zo heldhaftig waren, waarom hebben de Duitsers dan drie miljoen van onze joodse landgenoten onder Pools zwijgen en onder Poolse onverschilligheid vermoord?''

 

Wanneer we aan de vooravond van de negentigste herdenking van de Armeense genocide spreken over verantwoordelijkheid voor het eigen verleden, is het goed om precies te zijn. Hedendaagse generaties hoeven zich niet verantwoordelijk te voelen voor de daden van hun ouders of grootouders. Wel bestaat er zoiets als een verantwoordelijkheid voor de herinnering aan die daden. De doden zijn afhankelijk van de levenden en wanneer die de andere kant uitkijken, is er niemand die wat terugzegt.

 

Het vermogen de dieptepunten van het eigen verleden onder ogen te zien, is een teken van beschaving. Die inspanning zegt namelijk veel over de manier waarop een samenleving met conflicten omgaat. Wie onbevangen nadenkt over het verleden, zal ook meer kritische afstand kunnen opbrengen in het heden en kan zich beter wapenen tegen de waan van de dag. Een open samenleving bestaat ook uit het vermogen om waar nodig met plaatsvervangende schaamte naar de eigen geschiedenis om te zien. Anders gezegd: geweten en vergeten gaan niet samen.

 

Dat blijkt dezer dagen opnieuw nu de internationale druk op om in het reine te komen met de Armeense kwestie, is toegenomen. Morgen, 24 april, is de negentigste herdenking. De emoties lopen weer hoog op. Met algemene stemmen onderstreepte het Turkse parlement nogmaals dat het land geen blaam treft. En de politici staan daarin niet alleen: het is verbazingwekkend om vast te stellen hoe ook goed-ontwikkelde Turken blijven volharden in de ontkenning van de volkerenmoord.

 

Juist degenen die de toetreding van Turkije tot de Europese Unie op termijn als een reŽle mogelijkheid zien en geloven dat de islam een plaats kan krijgen in die Unie, juist zij hebben alle reden om telkens terug te komen op de Armeense catastrofe. De groteske vervalsing van de geschiedenis, zoals die dag in dag uit door de Turkse regering en een aanzienlijk deel van de bevolking in stand wordt gehouden, maakt de afstanden alleen maar groter. Zo gezien bestaat Europa uit wederzijdse bemoeizucht: de blik van de buren zou de aanleiding moeten zijn om zonder uitvluchten naar het eigen falen te kijken.

 

De Armeense genocide is goed beschreven, niet lang geleden nog weer eens in het prachtige boek The burning Tigris van de Amerikaanse schrijver Peter Balakian. De omstandigheden zijn genoegzaam bekend: ingegeven door een extreem nationalisme had de regering of een deel daarvan besloten om, gebruikmakend van de oorlogssituatie, de Armeense minderheid te vernietigen. Die christelijke gemeenschap werd gezien als een vijfde colonne van Rusland, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog tegenover Turkije stond en Oost-AnatoliŽ was binnengevallen. In de loop van 1915 werd dat voornemen door middel van deporaties en massamoord ook uitgevoerd, waarbij honderdduizenden op de meest gruwelijke manier omkwamen.

 

Niets daarvan is terug te vinden in de schoolboeken en ook lange tijd niet in het openbare leven van Turkije. Dat werd me pas goed duidelijk tijdens een reis door Turkije eind jaren negentig. We waren met een klein gezelschap onder leiding van oud-premier Lubbers in Ankara en Istanbul om een advies voor te bereiden over en de Europese Unie en we stelden ook vragen over de Armeense kwestie. Ministers en mensenrechtenactivisten, ondernemers en journalisten, eigenlijk was er vrijwel niemand te vinden die over deze donkere kant van de Turkse geschiedenis wilde spreken. Voor zover men op de kwestie wilde ingaan, was het de officiŽle lezing: de deportaties waren een militaire noodzaak en het aantal slachtoffers wordt sterk overdreven. Toch worden er langzaam barsten zichtbaar in de faÁade van ontkenning. Premier Erdogan stelde voor om een gemengde commissie van Turkse en Armeense historici aan het werk te zetten. Velen zien daarin een ontwijkende manoeuvre en inderdaad voorspelden de uitlatingen van de minister van Buitenlandse Zaken, GŁl, niet veel goeds toen hij zei dat de opening van de grenzen met ArmeniŽ ervan afhangt of dat land de pogingen opgeeft om een officiŽle erkenning van de volkerenmoord af te dwingen.

 

Van groter betekenis waren de uitlatingen van de bekende Turkse historicus Halil Berktay. In de krant HŁrriyet verwierp hij weliswaar de term genocide, maar hij sprak wel over ,,etnische zuiveringen'' en riep op het verleden onder ogen te zien. Ook het boek van de mensenrechtenadvocate Fethiye Cetin over haar grootmoeder die de tragedie overleefde, heeft verschillende drukken gehaald en enige invloed gehad op de publieke meningsvorming.

 

Het blijft echter een zeer precaire opening. Toen de ook hier bekende Turkse schrijver Orhan Pamuk kort geleden in de Zwitserse krant Tagesanzeiger sprak over ,,de dertigduizend Koerden en de miljoen ArmeniŽrs'' die zijn gedood in , was het land te klein. Er waren tal van bedreigingen aan zijn adres, waardoor hij ook een lezingentournee in Duitsland moest afzeggen, tijdens demonstraties werden zijn boeken verbrand en een aanklacht werd ingediend wegens ,,belediging van de Turkse natie''. Een provinciale politicus, Mustafa Altinpinar, stelde zelfs voor om alle boeken van Pamuk uit de bibliotheek van de provinciale hoofdstad te halen, maar de verlegenheid was groot toen er helemaal geen boeken van de gewraakte schrijver bleken te zijn.

 

Pamuk probeerde in interviews de zaak enigszins te sussen, maar hij wees toch ook op onderliggende beweegredenen voor deze uitbarsting van haatdragendheid. Hij sprak over een legitieme behoefte in Turkije om de nationale waardigheid te verdedigen, maar kon zich tegelijk niet onttrekken aan het idee dat er met de naderende onderhandelingen over toetreding tot Europa een opleving merkbaar is van nationalistische gevoelens in het land: is dat een uiting van een diepgeworteld gevoel, of slechts de handige manipulatie van populistische politici, zo vroeg hij zich af.

 

De Armeense genocide die zich afspeelde in de nadagen van het Ottomaanse Rijk, heeft nooit een plaats gekregen in de herinnering. Pamuk wijst op die context van de traumatische ondergang van wat eens een groot en machtig rijk was: de neergang van het Ottomaanse Rijk heeft een ,,dermate verpletterende treurigheid'' veroorzaakt dat deze ervaring nooit op een ,,gezonde manier'' is verwerkt. Voor zover zoiets ooit mogelijk is.

 

De Armeense volkerenmoord heeft een lange echo in de twintigste eeuw. Dat werd in de jaren dertig door Hitler heel anders gezien. Aan de vooravond van de invasie in Polen in 1939 stelde hij vast: ,,Genghis Kahn liet miljoenen kinderen en vrouwen vermoorden uit eigen wil en met een blij gemoed. De geschiedenis ziet in hem enkel de bouwer van een grote staat.'' Om er aan toe te voegen: ,,Wie herinnert zich de vernietiging van de ArmeniŽrs nog?''

 

Hitler heeft met zijn voorspelling geen gelijk gekregen. Integendeel: de Armeense genocide is niet vergeten, maar is de directe aanleiding geworden van het genocide-verdrag dat in 1948 werd opgesteld. Dat begon met een moord, of beter, met het nieuws over een moord. Op 14 maart 1921 schoot de 24-jarige ArmeniŽr Soghomon Tehlirian in Berlijn de voormalige Turkse minister van Binnenlandse Zaken Talaat Pasha neer, terwijl hij uitschreeuwde: ,,Dit is om de dood van mijn familie te wreken!'' Deze politiek gemotiveerde moord trok grote aandacht en bracht de volkerenmoord op de ArmeniŽrs terug in de actualiteit.

 

Ver weg van de Turkse gebeurtenissen volgde een joodse student aan de universiteit van Lvov, Raphael Lemkin, met belangstelling het proces tegen Tehlirian. Hij vatte vervolgens een strijd voor internationale rechtsvervolging van genocide op, die zijn verdere leven zou beheersen. Lemkin begon al voor de oorlog met het uitwerken van plannen om volkerenmoord als een speciale categorie misdrijven in het internationale recht te verankeren, maar zijn pogingen stuitten af op wijdverbreide scepsis.

 

Na de oorlog was er meer gehoor voor zijn poging om een verdrag tegen volkerenmoord af te sluiten. Op 9 december 1948 beleefde Lemkin zijn triomf, toen door de Verenigde Naties het eerste mensenrechtenverdrag ooit werd aangenomen, de Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide. Deze episode laat zien dat de hele wetgeving op het gebied van de genocide direct voortvloeit uit de onwil om de Armeense genocide te vergeten, althans bij de vormgever van deze mijlpaal in het volkenrecht.

 

We moeten bescheiden zijn. Volkerenmoord is ook na het einde van de Tweede Wereldoorlog een terugkerend verschijnsel gebleken. Het hedendaagse herdenken zal niet verwijzen naar het `nooit meer', maar eerder naar het inzicht dat alle samenlevingen in beginsel vatbaar zijn voor een verval van beschaving. Hannah Arendt maakt in haar studie naar het Eichmann-proces Eichmann in Jeruzalem (1963) duidelijk waarom het `nooit meer' als universele belofte om volkerenmoord te voorkomen, onwaarschijnlijk was en is: ,,Een daad die eenmaal voorgekomen is en in de geschiedenis is opgetekend, blijft ook als zij haar actualiteit reeds lang heeft verloren, als mogelijkheid voortbestaan. Geen straf heeft ooit de afschrikwekkende kracht bezeten om de misdaad te kunnen verhinderen.''

 

Ook in een ander opzicht moeten we bescheiden zijn: zoals gezegd, hoeveel landen worstelen niet met hun eigen oorlogsverleden? Jarenlang hebben we geleefd met ons morele gelijk in de schaduw van de onvergelijkbare Duitse oorlogsmisdrijven. De verwerking van het verleden door de oosterburen was en is zonder precedent en het zou te gemakkelijk zijn om te zeggen dat de misdrijven in hun naam ook zonder precedent waren. De Duitse predikant Schorlemmer bracht die houding goed onder woorden: ,,Ik ben Duitser, een volle erfgenaam van mijn land. Ik weet en accepteer dat ik mij niet door `mijn late geboorte' kan onttrekken aan de geschiedenis, zelfs als het pijn doet verantwoording te moeten dragen voor wat ik zelf niet beleefd heb en waaraan ik ook niet mee `moest' doen.''

 

De toenadering in Europa was mogelijk door dit zelfonderzoek van de Duitsers en die toenadering wordt een stuk geloofwaardiger nu ook de buren aarzelend moeilijke vragen stellen over het eigen aandeel in de verschrikkingen van de bezetting en vooral in de ondergang van het Europese jodendom. In Polen heeft een debat gewoed over de moord in Jedwabne, waar Polen honderden van hun joodse buren ombrachten. In Frankrijk gaat het over de collaboratie van het Vichy-regime, in TsjechiŽ over de bloedige wraak op de Sudetenduitsers na het einde van de oorlog, in Groot-BrittanniŽ over de morele rechtvaardiging van de bombardementen op steden als Dresden en in Nederland onder meer over de vraag hoe het kan dat hier zoveel joodse burgers omkwamen en de overlevenden na de oorlog op zo weinig begrip konden rekenen.

 

Deze verandering werd ook vijftig jaar na het einde van de oorlog door het staatshoofd heel behoedzaam verwoord: ,,Voor een juiste beeldvorming kan niet worden verhuld dat naast moedig optreden passief gedrag en actieve steun aan de bezetter zijn voorgekomen.'' Premier Balkenende gaf daar onlangs een vervolg aan, maar in wezen zei hij niet meer, en dat was tien jaar later te weinig.

 

Beperken we ons hier tot de naoorlogse jaren de jaren van vrijheid en dus zonder excuus en verwijzen we enkel naar de bittere epiloog van Presser in zijn Ondergang dat hij in 1965 publiceerde: ,,Lid van een groep, die aanvankelijk volkomen opgesplitst leek in enkelingen, zocht die Jood zijn weg, in een omgeving, die maar al te vaak weigerde hem op te vangen, waarin hij zich onwelkom moest voelen, die hem kwalijk nam dat hij recht deed gelden op zijn verloren plaats, zijn voormalige bezittingen, ja, die er zich simpelweg aan bleek te ergeren dat hij nog bestond, die hem niet zelden met wantrouwen, afkeer en verachting bejegende.''

 

Hoe kan het toch dat ons zelfbeeld tamelijk ongeschonden de bezettingsjaren heeft overleefd? De historicus Huizinga schreef ooit het betrekkelijk milde karakter van de Nederlandse samenleving toe aan een ,,goedgunstig lot'' en niet zozeer aan ,,eigen verdienste''. Zijn relativering van het Nederlandse `geestesmerk' wordt bevestigd door de oorlogsjaren: de veronderstelde deugden verongelukten prompt toen het lot een ongunstige wending nam. In die jaren is toch voor een ieder zichtbaar geworden hoe tolerantie voor velen onverschilligheid bleek te zijn en hoe de hang naar consensus toch vooral volgzaamheid werd jegens de bezettende mogendheid.

 

Wat blijft is de vaststelling dat een open samenleving mede afhangt van het vermogen om zich een voorstelling te maken van de barbarij die zich bij tijd en wijlen heeft genesteld in de eigen beschaving. De beroemde zin van de Franse schrijver Valťry na het einde van de Eerste Wereldoorlog is de samenvatting van dit inzicht: ,,Wij cultuurvolkeren weten nu dat we sterfelijk zijn.'' In die zelfkritiek ligt de kracht van de poging tot eenwording in Europa. Dat wil ook zeggen: de zoektocht in het verleden brengt geen relativering van het ideaal van een open samenleving met zich mee, maar juist een explicitering daarvan.

 

Daarbij gaat het om veel meer dan alleen de jaren '40-'45. Hoeveel moeite kost het ons land om eerlijk te zijn over het koloniale verleden? Hoe pijnlijk is het voor de Polen om alle morele tegenstrijdigheden van het naoorlogse communisme onder ogen te zien? Of neem de Franse problemen met de waarheid over de Algerijnse oorlog. Die verdringing van het verleden lukt steeds minder, we zien een langzame, maar onmiskenbare verandering.

 

Naarmate Europese landen erin slagen daarmee in het reine te komen, kunnen ze met recht ondubbelzinnig tegen zeggen: zonder een erkenning van de Armeense genocide is een duurzame toenadering onmogelijk.