stefan stefan 2 4 2008-01-08T20:22:00Z 2009-04-23T21:13:00Z 1 3377 18577 zuid 154 43 21911 10.2625 120 Clean 21 MicrosoftInternetExplorer4

Het op  

Tom-Jan Meeus

 

Politiecommissaris hekelt de langdurige ontkenning van de georganiseerde misdaad

 

Bijna niemand in Nederland heeft zoveel recherche-ervaring als de Rotterdamse commissaris Henk Jansen. Een interview over de verwaarlozing van zijn vak, de verharding van de boeven en het falen van het bestuur. `Links wilde er niet aan dat mensen soms slecht zijn, en sommige mensen heel slecht.'

 

Commissaris Henk Jansen (56) pakt er de plakboeken bij. Onderin zijn boekenkast thuis liggen er tientallen - aan de buitenkant beduimeld, binnenin alle plakbandjes nog netjes op hun plaats. Vanaf eind jaren zestig heeft hij alle berichten bewaard over zaken die hij, rechercheur uit roeping, onderzocht. Al bladerend ontstaat een beeld van sluimerend verval. Moord en smokkel zijn van alle tijden maar na de jaren zeventig treedt de misdaad de `gewone' maatschappij binnen: corruptie in het korps, witwassen, moord op informanten, dubieus gedrag van bestuurders. ,,Dat krijg je als je de recherche jarenlang verwaarloost'', zegt Henk Jansen.

 

Hij heeft er voor één keer mee ingestemd met de krant terug te blikken op zijn recherchewerk. De ras-Rotterdammer, zoon van een kraanmachinist, praat er vlot over, enthousiast, soms met overslaande stem. Maar de aanleiding voor het gesprek is treurig. Vorige week heeft hij afscheid genomen van de Rotterdamse recherche. Hij zat er, in de jaren zeventig begonnen onder de legendarische Jan Blaauw, de laatste 25 jaar bijna permanent in de leiding. Vrijwel niemand bij de Nederlandse politie heeft zoveel ervaring in de opsporing van zware misdaad als Henk Jansen, zei criminoloog Cyrille Fijnaut bij zijn afscheid.

 

Daarom was hij de laatste tien jaar ook in Den Haag het gezicht van het vak. Wilde de minister een rapport over de toekomst van de recherche, werd de IRT-affaire onderzocht, was er een commissie om nieuwe methoden van opsporing te toetsen: Henk Jansen was van de partij. Niet dat hij zich senang voelde in de gangen van de macht. ,,Nee joh! Ik draai liever een zaak.'' Maar aan die contacten dankt hij zijn nieuwe baan, die neerkomt op promotie. Vanaf komend najaar gaat hij landelijk proberen de regionale teams die nu de zware misdaad bestrijden tot betere samenwerking te verleiden. Dan ontstaat een landelijk aangestuurde organisatie van meer dan duizend rechercheurs die de zware misdaad voortaan gezamenlijk bestrijdt. Met nog twee dienstjaren te gaan een eervol einde van zijn loopbaan, vindt hij. ,,Een mooie laatste klus.''

 

Over wijlen Ien Dales kan hij met hartstocht praten. De latere minister van Binnenlandse Zaken (1989-1994) was begin jaren tachtig als directeur van de Rotterdamse Sociale Dienst de eerste bestuurder bij wie hij een luisterend oor vond. Een bestuurder die bovendien bereid was met de dogma's van haar partij, de PvdA, te breken.

 

,,Dat er echt iets misging met drugs en allochtonen merkten we eind jaren zeventig voor het eerst. Ik was hoofd narcoticabrigade, er ontstond opstand in de oude wijken. Dat draaide allemaal om heroïne. In het milieu werd op leven en dood gevochten: de Turken namen de markt over van de Chinezen. En in de oude wijken kwam de informele orde in handen van junks. Cafébazen werden weggepest, hun kroeg werd overgenomen door Surinaamse dealers. De autochtone bevolking werd omringd door drugspanden. Er was veel kritiek op de narcoticabrigade. We waren niet zichtbaar, zeiden de mensen. Dat klopte, want het recherchevak is onzichtbaar. Je kreeg voor het eerst de roep om meer blauw op straat. Dat doet het altijd goed, dus de burgemeester en korpsleiding namen dat over. Een paradoxale ontwikkeling - later werd het catastrofaal.''

 

Hoezo?

 

,,Ik ben zeker niet tegen blauw op straat, maar dat ging - en die lijn is tot in de jaren negentig voortgezet - ten koste van de recherche. Wat iedereen steeds vergeet is dat je met al dat `blauw' niets aan de zware criminaliteit doet. Agenten op straat geven de burger een gevóél van veiligheid. Ze treden op tegen de zichtbare overlast. Maar aan de oorzaken van die overlast doen ze niet veel. Daarvoor heb je rechercheurs nodig die toeslaan als de handelaar zijn illegale zaken doet. Er moet balans zijn tussen wijkpolitie en recherche.

 

,,Het idiote in die tijd was dat er werd bezuinigd op de recherche mede doordat we te veel drugs onderschepten. Toen we in 1977 120 kilo heroïne in beslag namen, was dat zo'n record dat Jan Blaauw de volgende dag alle narcoticachefs uit Europa naar Rotterdam haalde. Maar in de eigen stad zeiden welzijnswerkers en linkse politici: laat die drugs maar lopen, want hoe meer je onderschept, hoe hoger de prijs, des te meer criminaliteit. Omdat we succesvol waren moesten we worden afgeremd! Als ik terugkijk, verbaas ik me trouwens hóe succesvol we waren. Een paar onderscheppingen en de straatprijs verviervoudigde. Nu maakt het niks meer uit. Al haal je duizend kilo cocaïne uit de markt - de prijs blijft hetzelfde. Zo verloederd was het toen nog niet.''

 

Bestonden toen al de zware criminelen die we nu kennen?

 

,,Het werkt als volgt: je voorkomt geen inbraken door inbrekers op te pakken. Maar als je nooit inbrekers oppakt, gaat iederéén inbreken. Zo is het destijds gegaan met drugshandel in de oude wijken. En het effect was dat zich een type crimineel ontwikkelde waar je - ik zeg het eerlijk - onpasselijk van werd.

 

,,Wij gebruikten in die tijd, vooral dankzij de Amerikanen, nieuwe technieken voor opsporingsonderzoek. Het tappen van telefoons werd verbeterd, ik had in Rotterdam observatieteams opgezet, we gingen bugs gebruiken bij ontmoetingen met criminelen. We konden het leven van criminele leiders nauwgezet volgen. En wat we zagen waren onaantastbare allochtone patsers in dure auto's die `rolmodel' waren voor jongeren in hun buurt, en overigens wekelijks een uitkering bij de Sociale Dienst ophaalden. Niet voor het geld - maar als cover. Of junks die een half jaar in de bak zaten en als welgesteld man de bajes verlieten: omdat ze tijdens de detentie niet konden werken, hadden ze na een half jaar recht op 10.000 gulden uitkering.

 

,,We schrokken vooral van de informele leiders van de Surinaamse gemeenschap die vanaf 1975 naar Nederland waren gekomen, en met wie het stadsbestuur nauwe relaties onderhield. Die waren bijna allemaal betrokken bij de heroïnehandel. En ontvingen óók bijna allemaal subsidie voor deze of gene culturele activiteit georganiseerd door de toenmalige stichting Kwakoe. Sommigen van hen hadden inmiddels een baan: bij de Sociale Dienst.''

 

Het publiek wist dit destijds niet. Waarom niet?

 

,,Had ik het openbaar gemaakt, dan was ik verketterd. Ik ben ermee naar de Sociale Dienst gegaan en heb gezegd: weten jullie wel hoe verschrikkelijk veel lást ik van jullie heb? Ach, kreeg je dan te horen, ze moeten de drugs gewoon vrijgeven, zijn we van alle gelazer af.

 

,,Totdat ik kwam te spreken met Ien Dales, de directeur. Die begreep gelijk dat ze iets moest doen. Zonder pardon. Weet je wat, zei ze, jij helpt mij voortaan met het selecteren van sollicitanten en het beoordelen van aanvragen voor subsidie en uitkeringen. Dat mag niet, zei ik - ik mag geen recherche-informatie aan jou doorgeven. Weet ik, zegt Ien. Dat hoef jij ook niet. Ik stuur jou voortaan iedere maand een lijstje namen en als jij mij afraadt met die mensen in zee te gaan, zet je een rood kruisje. De rest los ik wel op. En dat gebéúrde ook.

 

,,Op een ander vlak werd het in diezelfde tijd alleen maar erger. Er werd fors op de politie bezuinigd, zo erg dat ik in de narcoticabrigade geen overwerk meer mocht toestaan. Ik heb ervan geleerd dat rechercheurs daar cynisch van worden. Ze zien de godganse dag hoe rijke dealers kopen wat ze willen, ze zien hoe een drugsdeal wordt voorbereid en dat de daders tussendoor hun uitkering ophalen - en dan krijgen ze te horen dat ze moeten ophouden met werken omdat de baas het overwerk niet meer betaalt. Dan creëer je normvervaging en verval, een voedingsbodem voor corruptie.''

 

Hoe lang is de ernst van de zware misdaad nog ontkend?

 

,,Halverwege de jaren tachtig heb ik nog meegemaakt dat het taboe niet te doorbreken was. Ik hielp mee een beleidsplan voor de politie te schrijven. Ik zat ruim tien jaar bij de recherche, de spanning moest uit mijn lijf, Peper was burgemeester geworden en wilde nieuw beleid ontwikkelen. We werden met een groepje apart gezet om op te schrijven wat er in de stad speelde.

 

,,Vanuit mijn rechercheachtergrond was dat niet moeilijk: we zagen dat Hollandse criminelen mede dankzij de gedoogde coffeeshops in een paar jaar miljonair werden, dat ze lijfwachten huurden en dreigden met afrekeningen als hun markt in gevaar kwam. We zagen dat Surinamers in de heroïnetussenhandel zaten en met cocaïne begonnen. En we zagen de Turkse heroïnehandel die bedrijfsmatig werkte: in een piramidestructuur, met familieclans in de leiding die de zakelijke taken verdeelden, en jongens op straat die het vuile werk opknapten en inmiddels zo lang meeliepen dat hun status op straat groot was. Kortom, we schreven op wat we waarnamen: dat er georganiseerde criminaliteit was ontstaan.

 

,,Dat kon dus niet. Dat mocht in geen geval naar buiten. Konden we dat dan bewijzen? Ik herinner me dat er een stuurgroep was, met vertegenwoordigers van de burgemeester, justitie en de politietop, en die sabelde ons neer. Wat wij schreven kwam in Italië voor, niet in Rotterdam. Het is een hele worsteling geworden om de tevredenheid van die stuurgroep te wekken. Als compromis is bedacht dat er `groepsciminaliteit' was ontstaan. Dat klonk niet zo naar. Toen kon iedereen weer rustig gaan slapen.''

 

In diezelfde periode komt de recherche ook in een andere kwestie tegenover het bestuur te staan. Dit keer draait het om een strafrechtelijk onderzoek. Daarin blijkt dat het Rotterdamse gemeentebestuur contacten heeft met een vrouwenhandelaar. Maar de recherche neemt dat niet mee in zijn onderzoek. Ook in andere onderzoeken rijst later de vraag of de politie niet te mild is voor het bestuur.

 

Jansen: ,,Het is een bekend dilemma in onderzoek naar zware misdaad dat daarin ook bestuurders in beeld kunnen komen. Meestal via het verlenen van vergunningen of subsidies. Zo heeft er in de jaren tachtig een onderzoek gelopen naar een grote vrouwenhandelaar van wie in observaties werd vastgesteld dat de man geregeld op het Rotterdamse stadhuis kwam voor overleg met ambtenaren. Dat was natuurlijk bizar - vooral ook omdat de gemeente was geïnformeerd over het onderzoek. Het bestuur probeerde de prostitutie-overlast na de sluiting van Katendrecht in te tomen: onze verdachte wilde een groot eroscentrum bouwen en was daarom interessant voor het stadhuis. Later is gebleken dat het bestuur zelf niet wist van ons onderzoek. Die mensen zaten er volstrekt integer in: men wilde een probleem oplossen en deed dat onconventioneel.''

 

De kritiek was juist dat de recherche de rol van bestuurders niet heeft onderzocht. Zoals later...

 

,,...nu kom je natuurlijk met TCR en ESF. Luister, TCR (Tanker Cleaning Rotterdam, red.) was een wereldzaak. Zware milieucriminaliteit gepleegd door zwaar gesubsidieerde ondernemers. Ze zijn na een ingewikkeld onderzoek gepakt, en hebben jarenlange gevangenisstraffen gekregen. Het is waar dat hun subsidie van Verkeer en Waterstaat kwam. En het is óók waar dat er werd beweerd dat de bedrijfsleiding op de hoogte was van een politie-inval terwijl de dag tevoren de leiding van het ministerie over de inval was geïnformeerd. Het is natuurlijk interessant dat in zo'n geval journalisten en magistraten, zoals advocaat-generaal Feber, gaan speculeren over hoe de verdachten dat te weten waren gekomen en dan verwijzen naar Neelie Kroes, die toen minister was. Maar er is nooit een spoor bewijs geleverd van haar betrokkenheid. En zonder zulk bewijs is zij onschuldig, kláár.

 

,,De ESF-zaak (het Europees Sociaal Fonds waarmee de EU de werkgelegenheid wil stimuleren, red.) ligt anders, vind ik. Daarin hebben wij alles op alles gezet om de rol van het bestuur bij het verschaffen van subsidies helder te krijgen: er waren aanwijzingen dat de fraudes ontstonden omdat Sociale Zaken eiste dat subsidie werd opgemaakt. De regels zaten immers zo elkaar dat als Nederland de subsidie niet opmaakte, Brussel het geld terugvorderde. Maar toen wij er verder in wilden duiken en informatie vroegen over lopende projecten, is ons het werken onmogelijk gemaakt. Tot onze irritatie blokkeerde het ministerie alle medewerking. Wij konden de dossiers niet in. Ik heb iedereen, tot en met procureur-generaal Steenhuis, ingeschakeld om dat vlot te trekken. Maar toen bleek dat er ook een onderzoek van de Rekenkamer liep, trok het OM de handen er alsnog vanaf. Dan is het ook voor mij einde oefening, hoe teleurstellend ook - want zonder informatie geen politieonderzoek.''

 

Blijkt hieruit dat de recherche zich te soft voor de politiek opstelde?

 

,,Dat verwijt begrijp ik. Maar het is niet terecht. Uiteraard doen we ook onderzoek naar bestuurders. Maar we zijn daar voorzichtiger mee dan bij criminelen met een fors strafblad. Het gaat hier om mensen met een openbare functie. Dan gaan we niet op basis van losse beweringen meteen een onderzoek instellen. Dan moeten er zeer sterke verdenkingen zijn. Maar we doen wat we kunnen - en zolang we geen stevige verdenking hebben, krijgen we ook het openbaar ministerie niet mee om überhaupt te starten.''

 

Maar is het nog geloofwaardig dit soort forse onregelmatigheden te onderzoeken zonder de bestuurders daarin te betrekken?

 

,,Nee natuurlijk niet. Ik vind dat het gewoon moet gebeuren. Maar je moet het ook niet te zwart zien: we tappen per jaar honderdduizenden gesprekken en het komt nog steeds zelden voor dat we directe contacten van bestuurders met criminelen vaststellen.''

 

Later in de jaren negentig pakte het bestuur de recherche wél keihard aan in de IRT-affaire.

 

,,En terecht. Er is aanvankelijk halfslachtig opgetreden, daar ben ik zelf mede schuldig aan. Als lid van de commissie-Wierenga heb ik de werkmethode van het IRT beoordeeld. Die ging erg ver, maar ik heb ze het voordeel van de twijfel gegund omdat ze een zeer bijzondere dadergroep op het oog hadden. Ik geloofde de verhalen in de kranten niet dat die methode ook in ander onderzoek was gebruikt en tonnen drugs door de politie het milieu in waren gesluisd.

 

,,Maar nadien bleek dat de scoringsdrift, na jaren stiefmoederlijke behandeling, te groot was geworden. Achteraf had ik niet in die commissie moeten gaan zitten. Vanuit het landelijk overleg kende ik de betrokkenen, ik kon me niet voorstellen dat ze fout zaten - ik zat er te dicht op.

 

,,Het grootschalig rechercheonderzoek heeft een deuk gekregen na de affaire: een aantal jaren zijn de grote boeven ongemoeid gelaten omdat bij politie en justitie niemand zin had in nieuwe risico's. Dat is voorbij. Maar nu trekt het onderzoek weinig aandacht. Het spektakel is eraf. En het OM is erg schraal met voorlichting. Ook verkeerd. Het is net alsof we nog steeds niks goed doen terwijl er juist weinig meer misgaat.''

 

Maar al die affaires, groot of klein, zijn volgens Jansen niet de echte oorzaak van de problemen van de politie. Tien jaar geleden zijn verouderde gedachten van korpschefs als Nordholt (destijds Amsterdam), Hessing (Rotterdam) en Wiarda (Utrecht) ten onrechte bepalend geweest voor de inrichting van de politie, vindt hij.

 

,,Een kleine groep leidinggevenden heeft begin jaren negentig met de invoering van achterhaalde ideeën voor jaren hun stempel op de politie gedrukt. Degenen die rond 1990 korpschef in de grote steden waren hebben eind jaren zeventig het rapport Politie in verandering geschreven, waarin werd bepleit de politie dicht bij de mensen te brengen. De sociale welzijnsfunctie noemden ze dat. Toen dat stuk werd geschreven, waren zij jong en werden hun ideeën door de zittende macht afgewezen. Maar twintig jaar later waren ze stuk voor stuk hoofdcommissaris van een groot korps. Toen hebben ze dankzij de reorganisatie die toen werd doorgevoerd alsnog hun kans gegrepen - en kregen we de merkwaardige situatie dat een concept uit de jaren zeventig in de jaren negentig werd ingevoerd.

 

,,Maar de maatschappij van de jaren negentig leek in niets nog op die van twintig jaar terug. Het was multicultureel, de samenhang was weg. Mensen leefden ruwer, harder, ongeduldiger. De criminaliteit steeg explosief. Daar doet een wijkagent weinig aan. Dan past vooral repressie. Aanpakken die gasten die het in de wijken verzieken. Ze niet het gevoel geven dat ze onaantastbaar zijn.

 

,,In plaats daarvan werd het hele korps gedecentraliseerd volgens de ideeën van de jaren zeventig. Iedereen moest in de wijk gaan werken. De centrale recherche werd uitgekleed, er bleef een `functionele eenheid' over. Het idee was dat iedere diender wijkagent werd, en dat wijkagenten alles konden: een praatje op straat maken maar ook een grootschalig drugsonderzoek uitvoeren. Als ik er wat van zei, was ik ouderwets, traditioneel, zo'n ijzervreter.

 

Vervolg op pagina 24

 

Het op

 

Vervolg van pagina 23

 

,,Het ergste was dat ze ook de Criminele Inlichtingendienst (CID), het kloppend hart van de recherche, decentraliseerden. Ja, zeiden ze, criminele informatie haal je het beste op als je dicht bij de mensen zit. Op zulke momenten waande ik mij in een fool's paradise. En het wrange is: ik heb destijds bij de korpsleiding voorspeld dat er rottigheid van kwam. Ik wist door mijn ervaring dat je runners moet beschermen, dat je afstand moet creëren van informanten, dat je runners dagelijks moet begeleiden door deskundige teamleiders. En niet door chefs die geen ervaring in dat vak hebben. Want het is apart werk, het vergt mentale hardheid en dan nog is het bloedlink: informanten stellen onmogelijke eisen, ze houden je de gouden tip voor, ze hopen dat je te vlot hapt, dan hebben ze je in je klauwen.

 

,,Toen halverwege de jaren negentig de corruptiezaak van Richard L. bekend werd, was dat, helaas, dus geen verrassing: L. bleek als CID'er politiedossiers aan criminelen te verkopen - zo'n corruptieaffaire had Rotterdam nog nooit gehad. Natuurlijk was hij in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Maar die vent was tijdens de reorganisatie aan zijn lot overgelaten, deskundige begeleiding ontbrak; ik had als recherchechef niets over hem te zeggen. Mijn stelling is dat die risico's door de korpsleiding zelf zijn opgeroepen. Die decentralisatie was niet zomaar een miscalculatie, dat was een blunder.

 

,,Inmiddels is al die decentrale mode weer teruggedraaid natuurlijk. Maar we blijven zitten met het feit dat bijna ieder jaar méér `blauw' op straat wordt gezet - dat is al bijna twintig jaar zo - terwijl de criminaliteit met te weinig mensen wordt bestreden. Een vicieuze cirkel die je alleen met de recherche kan doorbreken. Wat Jan Blaauw in de jaren zeventig zei is nog steeds actueel: we komen er alleen met méér recherche, méér repressie; we moeten angst zaaien in het milieu, ze moeten daar iedere dag het idee hebben dat ze gepakt kunnen worden. Nu vragen we een slachtoffer van een straatroof of hij vijf dagen met aangifte kan wachten, omdat we geen capaciteit hebben voor onderzoek.''

 

Toen u begon, was de PvdA de baas in Rotterdam. Nu Fortuyn. Is er verband met uw werk?

 

,,Oh zeker. Vergeet niet dat Jan Blaauw door de PvdA in de jaren zeventig is geweigerd als korpschef omdat hij een diehard was. Destijds hebben Blaauw en ik een groep scherpschutters gevormd omdat arrestaties van zware criminelen steeds moeizamer verliepen. De stad was te klein!

 

,,De PSP zag de politiestaat herleven, de PvdA riep: de politie moet op straat zijn, niet op de schietbaan. Die houding is tot in de jaren negentig voortgewoekerd. Links wilde er niet aan dat mensen soms slecht zijn, en sommige mensen heel slecht. De rest kan iedereen zelf vaststellen: door de softe aanpak van de jaren zeventig, de ontkenning van de georganiseerde criminaliteit in de jaren tachtig en de invoering van een achterhaald concept in de jaren negentig is er een bepaald klimaat ontstaan. Daar heeft Fortuyn gebruik van gemaakt. Zo hard is het.''

 

Inmiddels is de politiek zo geïmponeerd dat in de formatie fluks is besloten een `Nederlandse FBI' op te richten.

 

,,Nog voordat ik aan mijn nieuwe baan kan beginnen, is hij al overbodig. Begrijp mij goed, ik zegt dit niet voor mezelf, ik ben over twee jaar toch weg: het onverstandigste wat de politiek kan doen is in Nederland een FBI oprichten. De FBI werkt in een land met vijftig federale staten en is recherche én inlichtingendienst tezamen. En dat zou men willen invoeren in een landje zo groot als Manhattan? Grotesk.

 

,,Je moet geen landelijke recheche-eenheid installeren die los van de korpsen werkt. Die komt droog te staan qua informatie en bovendien een centraal aangestuurde recherche op nationaal niveau is heel iets anders. Daar ga ik graag voor.''

 

Als die Hollandse FBI er toch komt, hebt u dan opvolgers die de leiding op zich kunnen nemen?

 

,,Daar raak je het gevoeligste punt. De werkelijkheid van de afgelopen 25 jaar is dat wie bij de politie carrière wilde maken niet bij de recherche is gebleven. Bovendien is er al die tijd geen opleiding voor recherchemanagement geweest. Alle leidinggevenden bij de politie hebben curussen bedrijfs- en bestuurskunde gevolgd - maar de kennis van de recherche is in de leiding te spaarzaam aanwezig. Dat zal de komende jaren wel blijken. Ik zie in de groep van rond de veertig wel talent , daar niet van, daar zullen we zwaar in moeten investeren. Maar iemand zal ze moeten leiden. En mensen die daarin bij de recherche ervaring hebben zijn er niet. Schokkend, ja. Het is de prijs van de verwaarlozing.''

 

Foto-onderschrift:  

Commissaris Henk Jansen: `Bij de Rotterdamse politie waande ik mij af en toe in een fool's paradise.' Foto Bas Czerwinski `Blauw' op straat in de wijk Oud-Krispijn in Dordrecht. Foto Vincent Mentzel