stefan stefan 3 8 2007-12-19T13:20:00Z 2009-03-14T17:53:00Z 1 3105 17078 zuid 142 40 20143 10.2625 150 Clean Clean 21 MicrosoftInternetExplorer4

Het nieuwe IQ-racisme

 

Wim KŲhler

 

De Amerikaanse discussie over ras, intelligentie en erfelijkheid zal in Europa niet veel beroering te weeg brengen. Dat komt niet alleen omdat hier geen zwarte onderlaag bestaat, maar vooral omdat IQ-metingen een zwakke wetenschappelijke basis hebben.

 

Zwarte Amerikanen scoren gemiddeld 15 punten lager op IQ-tests dan blanke Amerikanen. Als alle sociale discriminatie in de tests weggefilterd wordt, blijft er nog een verschil, dat alleen erfelijk kan zijn. Stimuleringsprogramma's voor de zwarte jeugd zijn daarom zinloos. Om te voorkomen dat het IQ van de bevolking daalt, moeten bijstandsuitkeringen omlaag om mensen met een laag IQ het voortplanten te ontmoedigen en moeten immigranten met laag IQ aan de grens worden teruggestuurd. De Amerikaanse samenleving zou beter functioneren als er een op IQ gebaseerd kastensysteem bestond.

 

Met deze conclusies besluiten Charles Murray en Richard J. Herrnstein hun ruim 800 pagina's tellende boek The Bell Curve (The Free Press). De boektitel The Bell Curve staat voor de klokvormige kromme die de intelligentieverschillen binnen een bevolking beschrijft.

 

De discussies over het werk liepen de afgelopen weken hoog op. Niet zozeer over de stelling van politicoloog Murray en (de in september overleden) psycholoog Herrnstein dat IQ-verschillen tussen blank en zwart voor ongeveer de helft genetisch bepaald zijn. Nee, de opwinding rond The Bell Curve ontstond omdat de auteurs het erfelijke verschil in IQ tussen zwarten en blanken direct koppelen aan maatschappelijk succes en op grond daarvan politieke maatregelen voorstellen. Maatregelen die het equal opportunity principe, ontstaan in de jaren zeventig, radicaal afwijzen.

 

Murray en Herrnstein vinden dat de stimuleringsprogramma's voor de sociaal zwakkeren (zowel voor heel jonge kinderen thuis, als op school en voor jong-volwassenen) zijn mislukt en moeten verdwijnen. Ook de 'positieve discriminatie' van vrouwen, zwarten en hispanics (de Amerikanen van Midden- en Zuidamerikaanse afkomst) bij sollicitaties moet worden afgeschaft. Bij sollicitaties moet je discrimineren en niet distribueren, vinden Murray en Herrnstein. "The ideology of equality has done some good, but most of its effects are bad," schrijven ze.

 

Om het gelijkheidsdenken af te schaffen stellen Murray en Herrnstein een kastenmaatschappij voor. De basis daarvoor is al aanwezig - door het gewicht dat in de VS aan IQ-tests wordt toegekend, wordt het land beheerst door afgestudeerden van elite-universiteiten. Zij werden daar toegelaten op grond van hun hoge IQ's.

 

Murray en Herrnstein baseren hun kastenmaatschappij op de constatering dat vrijwel iedereen vindt dat hij met voldoende intelligentie is uitgerust. Afgunst jegens mensen met hogere IQ bestaat nauwelijks, maar wel enig mededogen met mensen met lagere IQ. Ze schrijven: "Isn't it remarkable: just about everyone seems to think that his level of intelligence is enough, that any less isn't as good, but that any more than his isn't such a big deal."

 

Maar omdat, in tegenstelling tot geld en macht, intelligentie niet overdraagbaar is, hoeft niemand zich bezwaard te voelen over de situatie. Groepen (kasten, klassen) met lagere IQ kunnen, als ze zich bij de verschillen neerleggen, in alle rust hun eigen zelfbewustzijn ontwikkelen. En dat is beter dan op je tenen lopen om gelijkheid na te jagen.

 

In het rechts-liberale tijdschrift The New Republic (31 okt) kregen Murray en Herrnstein de gelegenheid in een essay van 11 pagina's de ideeŽn uit hun ruim 800 pagina's tellende boek uiteen te zetten. Hun artikel werd voorafgegaan door een redactioneel commentaar waarin gewag werd gemaakt van hevige discussies binnen de redactie van het tijdschrift, maar waarin plaatsing wordt verdedigd. De redactie schrijft over de beide auteurs: 'neither is a racist' - Herrnstein was voor zijn dood een respectabele Harvardhoogleraar en Murray had al vele uitstekende boeken en artikelen geschreven, ook voor The New Republic. Voor de lezers aan het essay toekomen, volgen eerst 16 pagina's met reacties van bijna 20 redactieleden en genodigden.

 

Enkele critici vinden beide heren wel racisten. Hugh Pearson (auteur van The Shadow of the Panter: Huey Newton and the Price of Black Power in America) bijvoorbeeld: 'Murray and Herrnstein sound like two people who have found a way for racists to rationalize their racism without losing sleep over it.' Chique racisme, noemt Pearson het.

 

Newsweek, The New York Times en de New York Review of Books plaatsten inmiddels besprekingen van het boek. Hoe worden Murray en Herrnstein aangepakt? Hoe hard is de aanval op het gelijkheidsdenken aangekomen? En, van groot belang, wordt het onderzoek waarop ze hun aanbevelingen baseren, ook wetenschappelijk aangevallen?

 

Bij de commentaren in de The New Republic overheerst de verontwaardiging. Murray en Herrnstein worden vooral met filosofische, literaire en politieke middelen bestreden.

 

'Should we be talking about this at all?', vraagt politicoloog Nathan Glazer (NWO-Huygenslezing 1992) zich af. Gedwongen door alle besprekingen en alle commotie moet hij wel, maar hij heeft zijn twijfels: 'The only justification for making this case is that it is true, and I believe that is primarily what motivated Herrnstein and Murray. For this kind of truth, however, one can also ask, what good will come of it?'

 

Wetenschappers leveren meestal resultaten die ten goede en ten kwade kunnen worden aangewend, schrijft Glazer, maar hij betwijfelt of de wetenschap dat zwarten erfelijk bepaald lager scoren op IQ-tests dan blanken ooit een positieve invloed op de maatschappij zal hebben. Glazer: 'I ask myself whether the untruth is not better for American society than the truth.' Zo zijn er meer critici die met grote tegenzin The Bell Curve bespreken.

 

Een politieke benadering is om Murray en Herrnstein verdacht te maken. Ann Hulbert snorde een artikel van Murray uit 1984 op en citeert: 'The old racism has always openly held that blacks are permanently less competent than whites. The new racism tacitly accepts that, in the course of overcoming the legacy of the old racism, blacks are temporarily less competent than whites. (...) As times goes on (...) preferential treatment is providing persuasive evidence for the old racists, and we can already hear it sotto voce: 'We gave you your chance, we let you educate them and push them into jobs they couldn't have gotten on their own (...) And see: they still aren't as good as whites, and you are beginning to admit it yourselves.' Sooner or later this message is going to be heard by a white elite that needs excuse its failure to achieve black equality.' Murray heeft met zijn boek slechts zijn eigen rampzalige profetie waargemaakt, concludeert Hulbert.

 

Veel critici vinden de demagogische truc van Murray en Herrnstein nogal doorzichtig om eerst een hoofdstuk te wijden aan IQ-verschillen onder blanken. Daarin correleren dezen heel wat af: IQ is een betere voorspeller voor toekomstige armoede dan afkomst uit een arm nest; armoede komt acht maal vaker voor bij volwassenen met arme ouders dan bij mensen van rijke komaf; maar een laag IQ is een vijftienmaal betere voorspeller voor armoede. En zo gaat het ook met onwettige kinderen (achtmaal vaker bij mensen met een IQ onder 75 dan bij IQ's boven 125) en gevangenisstraf (tienmaal meer mensen met een IQ onder de 100 dan met een IQ boven de 100 in de gevangenis). Vrijwel iedere Amerikaan slikt deze analyse, want in geen enkele maatschappij speelt het resultaat van de IQ-test zo'n belangrijke rol als in de Amerikaanse.

 

Direct daarop geven Murray en Herrnstein dezelfde statistische verbanden tussen zwarten en blanken. De uitkomsten hiervan bevallen de critici veel minder. Murray en Herrnstein corrigeren het IQ-onderzoek van de laatste decennia voor cultuurverschillen. Ze komen tot de conclusie dat een groot deel van het verschil van 15 IQ-punten tussen de gemiddelden van blanken en zwarten aan erfelijke factoren moet worden toegeschreven. Nieuw is dit niet. De psycholoog Arthur Jensen heeft dit in de jaren zestig ook al beweerd en in 1980 in een grondige review onderbouwt. De erfelijke verschillen werden een paar jaar later in grote trekken bevestigd door een panel van de National Academy of Sciences. Snyderman en Rothman enquÍteerden hierover in 1984 661 IQ-onderzoekers. De experts vonden in ruime meerderheid dat IQ ongeveer voor de helft erfelijk is en voor de andere helft het resultaat van opvoeding.

 

Nee, het gegeven komt de meeste critici niet goed uit in een maatschappij met een streven naar gelijke mogelijkheden voor mensen van verschillend ras. Ze stellen de sociale werkelijkheid boven de wetenschappelijke waarheid.

 

Bovendien, vragen de wetenschappelijker ingestelden zich af, hoe groot is het genetische intelligentieverschil tussen zwart en blank? Wie is zwart en wie is blank? De belangrijkste gegevens over de samenhang met de maatschappelijke positie komen uit de National Longitudinal Survey of Youth (NLSY). Voor de definitie van blank en zwart is daarbij uitgegaan van wat mensen zelf aangeven: mensen die zich blank voelen kruisen blank aan op de vragenformulieren en zwarten kruisen zwart aan als ze zich binnen de zwarte cultuur thuis voelen. In werkelijkheid lopen in de VS nauwelijks zwarten rond met uitsluitend Afrikaanse voorouders, net zo min als er maar weinig blanken zijn waarin nooit een zwart gen is geslopen. Het IQ-verschil tussen blank en zwart zou 'onvermengd' mogelijk dan nog groter zijn dan 15 punten. Overigens scoren 'Amerikaanse aziaten' op IQ-tests gemiddeld zo'n 10 punten hoger dan blanken.

 

Maar, schrijft politicoloog Andrew Hacker in de The New Republic, in die NLSY worden alleen zwarten, hispanics, blanken en Aziaten onderscheiden. Geheel volgens de traditie van de laatste halve eeuw, zijn blanken niet onderverdeeld. Verschillen tussen blanken van verschillende etnische herkomst worden dus niet gemeten. Hacker presenteert in The New Republic daarom de percentages van bevolkingsgroepen die tenminste HBO (college) hebben afgemaakt: Ieren 21%, Italianen 22%, Duitsers 22%, Polen 23%, Zweden 27%, Engelsen 28%, Schotten 33% en Russen 51%. Het zijn wel geen directe IQ's, maar schoolsucces heeft daar wel veel mee te maken, stelt Hacker.

 

Michael Lind, redacteur van Harper's zet Murray en Herrnstein in de hoek van de rechtsen die tegenwoordig weer druk met semi-wetenschappelijke erfelijkheidstheorieŽn in de weer zijn. Lind zet beide auteurs op ťťn lijn met de Canadese psycholoog J.P. Rushton die in zijn boek Race, Intelligence and Behavior, een evolutionaire theorie voor mensenrassen ontwikkelt waarbij hij rassen met grote genitaliŽn en grote voortplantingssnelheid een lage intelligentie toedicht en vice versa. Rushton denkt dat een mens zijn aandacht en energie aan het ťťn of aan het ander kan besteden. Lind wijst erop dat Murray, Herrnstein en Rushton, maar ook de bekende tweelingonderzoeker J. Bouchard van de universiteit van Minnesota forse subsidies kregen van het Pioneer Fund, een in 1937 met geld van een textielfabrikant opgericht fonds dat rasverbetering als doelstelling heeft en subsidie gaf voor het vertalen van Duitse eugenetische teksten in het Engels. Het fonds gaf blanke Amerikaanse luchtmachtpiloten een toelage als ze meer kinderen kregen en steunde senator McCarthy in zijn verzet tegen wetten waardoor de Amerikanen gelijke burgerrechten kregen. Lind verwijt de moderne 'erfelijkheidsrechtsen' dat ze het genetische deel van het sociobiologisch onderzoek volledig hebben gemist. Ook verwijt hij hun dat ze nooit reageerden op het werk van Luigi Cavalli-Sforza die taalfamilies en genetische groepen binnen het Kaukasische (blanke) ras heeft onderscheiden en stambomen van de Europese volkeren heeft opgesteld. Hacker schreef over blanken met tenminste een HBO-diploma: 'The figures suggest that even today Americans of European ancestry do not possess a single 'white' gene pool, but a series of separable pools with varying cognitive capacities.'

 

De bespreker in de The New York Review of Books, Alan Ryan, gaat wel in op het onderzoek waar Murray en Herrnstein op voortbouwen. Hij verwijt hun het bedrijven van 'leunstoelsociologie'. Het zou goed zijn om redeneringen die voor de VS kennelijk opgaan, te toetsen aan andere landen. Aan Groot-BrittanniŽ en Nederland bijvoorbeeld, zegt Ryan. Hij bestrijdt de conclusie van Murray en Herrnstein dat bijstandsuitkeringen het aantal onwettige kinderen van arme (en dus weinig intelligente!) vrouwen heeft doen stijgen.

 

Nederland

 

In Nederland scoren allochtone kinderen gemiddeld 15 punten lager bij IQ-tests dan autochtone kinderen. Het onderzoek waaruit dat bleek was beperkt van omvang, maar het wordt bevestigd door de CITO-eindtoetsen in het basisionderwijs (geen IQ-test, maar een schoolvorderingstest), waarbij Marokkaanse en Turkse kinderen gemiddeld lager scoren dan Nederlandse.

 

De psychologen Van de Vijver, Willemse en Van de Rijt concluderen in een artikel in De Psycholoog (april 1993) dat de verschillen vooral cultureel bepaald zijn. Een vraag in een veelgebruikte test luidde bijvoorbeeld: 'Van welk dier komt spek?' Voor mediterrane kinderen bleek dit een moeilijke vraag te zijn. Begrijpelijk, vinden de drie psychologen - in Islamitische culturen bestaat een taboe op varkensvlees.

 

In de jaren zeventig, toen de IQ-tests onder vuur van de gelijkheidsdenkers lagen, zijn veel tests ontdaan van van aanwijsbaar racistische en cultureel bepaalde onderdelen. Toch kwam in een tot voor kort in de VS veel gebruikte Amerikaanse intelligentietest voor kinderen en pubers (de WISC-R) nog de vraag voor wat je doet als een kleiner kind met je begint te vechten. 'Weglopen' is het antwoord dat een hoger IQ oplevert. Maar zwarte straatkinderen antwoorden massaal 'terugvechten'. Sociaal gewenst gedrag levert wel een hoger IQ op, maar in het ghetto word je zwak als je niet terugvecht.

 

Ondanks de verwijdering van racistische tendensen blijven de meeste tests etnocentrisch, gericht op de blanke cultuur, concludeerden de hoogleraar psychologie W.K.B. Hofstee en zijn medewerkers in 1990 over de in Nederland gebruikte tests. Uit een proefsgewijze aanpassing bleek dat een eenvoudig woordgebruik, simpele zinsconstructies en het vermijden van impliciete zinsverbanden er al voor kunnen zorgen dat allochtone kinderen hun score verhogen, terwijl Nederlandse kinderen 'even intelligent' blijven.

 

Maar afgezien van de cultuurgebonden vraagstellingen en taalproblemen is er een principiŽler probleem bij IQ-tests. Kaufman, een bekend handboekenschrijver over de populaire, van oorsprong Amerikaanse en in veel landen vertaalde WISC-R-test, schrijft dat deze test zo is samengesteld dat blanke mannen, met hun ontwikkelde linker hersenhelft beter scoren dan zwarten met hun betere rechter hersenhelft (die de motoriek bepaalt). Zwarte kinderen scoren beter op testonderdelen voor patroonherkenning en het aanvullen van figuren.

 

Murray en Herrnstein hebben in hun boek zo uitputtend geprobeerd om de culturele invloeden uit te schakelen dat er in Amerika op hun methode geen serieuze kritiek meer komt. In Nederland vinden we ras en genen al een combinatie waar we voorzichtig mee om moeten gaan. Maar de combinatie ras, IQ en genen is hier alleen een onderwerp als de Amerikanen er weer eens over beginnen.

 

Waarom staat men in Europa over het algemeen gereserveerd tegenover discussies over IQ en erfelijkheid? Het IQ-begrip heeft in Europa, in tegenstelling tot de VS, wetenschappelijk en maatschappelijk gezien geen hoge status. Wat een IQ-test precies meet hebben de psychologen, ondanks decennia IQ-tests, nog niet duidelijk kunnen maken. Definities van intelligentie overstijgen de tautologie nauwelijks ('IQ is wat een intelligentietest meet').

 

Onder psychologen bestaan twee richtingen die het IQ een functie willen geven. De ene wil vermogens meten en daarmee maatschappelijk succes voorspellen. De andere richting zoekt naar het IQ als waarde voor een intern aanwezige factor. Bestaande tests dragen sporen van beide richtingen.

 

De Britse psycholoog C. Spearman introduceerde na experimenten vanaf het begin van de eeuw in 1927 de g-factor, het algemene vermogen dat bij een goede test tevoorschijn zou moeten komen vanachter de specifieke vermogens die nodig zijn om testonderdelen op te lossen. Galton, de grote pleitbezorger van de eugenetica, postuleerde ťťn intelligentie-gen met een grote voorspellende waarde voor maatschappelijk succes. Tegenwoordig gelooft niemand meer in ťťn IQ-gen.

 

Al spoedig bleek de g-factor opgebouwd uit meer variabelen. Thurstone vond zeven primaire intelligentiefactoren en Guilford kwam na de Tweede Wereldoorlog al tot 120. Een bruikbare analyse van het begrip intelligentie heeft dit factor-onderzoek niet opgeleverd.

 

Het zal nog wel lang duren voordat intelligentie als voorspeller van maatschappelijk succes te beschrijven is in termen van hersenprocessen - bijvoorbeeld van aantallen contacten tussen zenuwvezels met een bepaalde functie. Waarschijnlijk zal dan blijken dat intelligentie een mix is van genen, ongestoorde ontwikkeling tijdens de zwangerschap, goed eten en een stimulerende opvoeding in en aanpassing aan een overheersende cultuur. De nature-nurture tegenstelling is dus niet zo scherp als vaak gedacht werd.

 

Maar de testpraktijk heeft nauwelijks geleden onder de wetenschappelijke onduidelijkheid van het intelligentiebegrip. In de VS kreeg het IQ al zeer vroeg een magische betekenis. Op Ellis Island waar de immigranten aan wal kwamen werd al vanaf 1912 de toegang geweigerd aan personen met een lage score op een IQ-test. Voor toelating tot sommige scholen werd het IQ een criterium. Meetfouten en een culturele vertekening worden daarbij simpelweg ontkend. IQ tests worden in de VS veelvuldig gebruikt voor de schoolkeuze, voor het voorspellen van toekomstige schoolprestaties en de geschiktheid voor een bepaalde baan.

 

Verbazingwekkend genoeg is het succes daarvan nog steeds gering. Murray en Herrnstein zeggen ook alleen maar dat IQ de beste, niet dat het een goede voorspeller is. In de kleuterjaren is de voorspellende waarde van IQ-tests voor de latere intelligentie slecht. Op de basisschool is de correlatie met het latere IQ het hoogst, ongeveer 0,9, maar bij latere tests in longitudinale onderzoeken zijn wel verschillen tot 70 punten voorgekomen.

 

De voorspelling die het IQ geeft voor schoolsucces heeft een correlatie van hoogstens 0,7. Het betekent dat slechts de helft (49%) van het schoolsucces door het IQ wordt bepaald. (In de natuurwetenschappen zou een test met een correlatie van 0,7 zelden buiten de laboratoriummuren komen.) Belangrijke andere factoren waar de leerling geen vat op heeft, zijn opleiding, beroep en inkomen van de vader en moeder. Motivatie en doorzettingsvermogen heeft hij ten dele zelf in de hand.

 

Het verband tussen IQ en schoolsucces is dus niet al te groot. In de vervolgopleidingen wordt de samenhang tussen IQ en succes van de opleiding zelfs nog kleiner: correlatie met succes op de universiteit is nog maar 0,3. Kritische psychologen menen dat het IQ het latere beroep en inkomen in het geheel niet kan voorspellen.

 

Dit alles betekent dat een doorzetter met een IQ van 110 best een medische studie kan doen en goed medisch specialist kan worden. Het betekent ook dat een leerling met een IQ van 140 op de universiteit kan mislukken en in de bijstand kan komen.

 

Daarom doet het er ook weinig toe als het IQ van een natie wat daalt - daarvoor is het IQ een te slechte voorspeller voor politiek, zakelijk of ambtelijk succes. Bovendien stijgt, ondanks de al decennia volgehouden vrees voor geestelijk verval, het IQ van de Amerikaanse en Westeuropese jeugd met enkele punten per decennium. Ook de Amerikaanse zwarten tonen dit Flynn-effect en zijn nu op een niveau waar de blanken zich 30 jaar geleden bevonden.

 

Veel critici vinden dat Murray en Herrnstein dit effect verdoezelen: het toont aan dat IQ op den duur beÔnvloedbaar is en het laat zien dat IQ-tests geen uitsluitsel geven over de gevreesde verdomming van Amerika