stefan stefan 2 19 2007-12-16T20:53:00Z 2009-03-11T21:17:00Z 1 6028 33158 zuid 276 78 39108 10.2625 120 Clean Clean 21 MicrosoftInternetExplorer4

ESCOBAR IN DAARLERVEEN ESCOBAR IN DAARLERVEEN; Nederland en Suriname jarenlang doorvoerhaven van het Medellin-kartel

 

Hans Buddingh' en Marcel Haenen

 

Begin jaren tachtig fungeerde de crimineel 'Mister Dick' Stotijn als infiltrant van de Nederlandse politie. Colombiaanse organisaties die zich bezighielden met 'het volpompen van Europa met coca´ne' konden dankzij hem door de CRI nauwkeurig in kaart worden gebracht. Ook met Antilliaanse en Surinaamse handlangers werden plannen gesmeed om coca´ne naar Europa te vervoeren en Surinaamse machthebbers fiatteerden de aanleg van coca´nelaboratoria in het Surinaamse Amazone-gebied. Maar nooit werden de smokkellijnen opgerold. De Nederlandse politie dreigde te grote vissen te vangen en liet om politieke redenen grote drugsleiders ongemoeid.

 

Uit Colombia zijn twee mannen overgekomen: ene Carlos Lehder en een man, vermomd met vrouwenkleren en een pruik, die zich introduceert als Pablo Escobar. Ze zoeken een partner in Nederland die onder andere in staat is grote partijen aceton en ether te leveren aan Colombia. Voor hun Nederlandse vennoot hebben de Colombianen, op advies van hun in Rotterdam wonende Surinaamse vriend en zakenman Cilvion - 'Sic' voor vrienden - Heijmans, het oog laten vallen op de Nederlander Dick Stotijn.

 

Er moet een organisatie komen die vanuit Nederland over heel West-Europa de distributie zal regelen van coca´ne afkomstig uit het Colombiaanse Medellin. Daarover spreken de vier heren die zich op een novemberdag in 1981 om een tafeltje scharen in de cafetaria van het Hilton-hotel op de luchthaven Schiphol.

 

Stotijn heeft in criminele kringen de reputatie meestersmokkelaar te zijn. Hij heeft een rijke, ruim 25-jarige criminele carriŔre achter de rug waarin hij zich vooral verdienstelijk maakte met het helen van goederen, het smokkelen van sigaretten en laatstelijk, via een samenwerking met Turkse relaties, de handel in hero´ne.

 

Tijdens de besprekingen in het Hilton-hotel tonen Escobar en Lehder zich volgens Stotijn 'lyrisch' over zijn capaciteiten. Die geweldige reputatie dankt hij aan advieswerk dat hij een paar maanden eerder heeft verricht. In de zomer van 1981 hield Stotijn dagelijks kantoor in het AC-restaurant van Oosterhout waar hij fungeerde als adviseur van vooral de Brabantse onderwereld. Op aanbeveling van een autohandelaar annex drugsdealer uit Bergen op Zoom die Stotijn kort daarvoor om advies vroeg voor cliŰnten die een paar kilo coca´ne wilden verkopen, meldde zich de 59-jarige Heijmans.

 

De Surinamer vertelde volgens Stotijn dat hij een Colombiaanse organisatie vertegenwoordigt die een partij van 150 kilo coca´ne Nederland had weten binnen te smokkelen. De drugs waren rechtstreeks vanuit Colombia per schip naar Rotterdam vervoerd en zaten verstopt in handwerk-klokjes. De hoeveelheid verdovende middelen - die dan een marktwaarde van ongeveer 15 miljoen gulden vertegenwoordigt - diende als ruilobject voor wapens die de groep wilde aanschaffen voor de in Colombia actieve linkse guerrillagroep M-19.

 

Stotijn adviseerde Heijmans contact op te nemen met een diamantair in Antwerpen die als nevenactiviteit ook in wapens handelt. Die bemiddeling was kennelijk zo waardevol dat Escobar en Lehder de Nederlandse godfather Stotijn rijkelijk met schouderklopjes bedanken voor zijn belangrijke diensten. 'Heijmans had me de hemel in geprezen'', zegt Stotijn.

 

De Nederlander krijgt die novemberdag in het Hilton-hotel al vrij snel in de gaten dat hij kennelijk om de tafel zit met twee prominente leden van de 'Raad van Bestuur' van wat zich zal ontwikkelen als de grootste misdaadonderneming uit de geschiedenis. Stotijn is met stomheid geslagen over de voortvarendheid van zijn Colombiaanse gesprekspartners. Hij kan net zo veel drugs geleverd krijgen als hij wil, zo verzekeren ze hem. De Zuid-Amerikanen leggen hem uit te beschikken over goed uitgeruste coke-laboratoria in de Colombiaanse bergen. De Colombianen vertellen hem, met de familie Ochoa, tot de belangrijkste producenten van drugs te behoren. De kwaliteit van hun coca´ne is evenwel de allerbeste.

 

Stotijn pleegt een paar telefoontjes met geroutineerde smokkelaars en belooft dat zijn organisatie voor alles zorg kan dragen. 'Op zo'n moment ben ik een verschrikkelijke blufferd. Ik zei nog: als het moet dan lever ik zelfs torpedoboten. No problem.''

 

Voor het bespreken van de zakelijke voorwaarden verhuist het gezelschap van de koffiebar naar het restaurant. Over de betalingscondities worden de heren het vrij snel eens. Stotijn moet per kilo coca´ne 20.000 gulden betalen. De kosten van het vervoer van de drugs naar Europa zijn voor rekening van de Colombianen. Het inklaren van de coca´ne en de kosten van verdere distributie in Europa moet de organisatie van Stotijn regelen en betalen.

 

Stotijn krijgt aan het eind van de avond een briefje van de Colombianen met het rekeningnummer en de naam van de buitenlandse bank waarnaar hij zijn geld moet overmaken. Als teken van vertrouwen stemmen de Colombianen ermee in dat Stotijn pas betaalt na verkoop van de coca´ne.

 

Dat Stotijn in 1981 in Amsterdam gesproken heeft met de Colombiaanse pioniers van de coca´nehandel en leiders van het Medellin-kartel, Carlos Enrique Lehder Rivas en Pablo Emilio Escobar Gaviria, komt Nederlandse en Amerikaanse agenten die met drugsbestrijding belast zijn in het geheel niet onlogisch voor. 'Het staat vast dat Stotijn in de jaren tachtig contacten onderhield met hele hoge Colombiaanse criminelen'', zegt John Oosterbroek, die van 1981 tot 1985 hoofd was van de verdovende middelencentrale van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) in Den Haag. Oosterbroeks opvolger als chef van de narcotica-afdeling, Gerrit de Gooyer, zegt dat bij de CRI bekend is dat de nu in Amerika vastzittende Carlos Lehder in het begin van de jaren tachtig verscheidene reizen naar Nederland maakte om de handel in coca´ne te organiseren. 'Dat weet ik zeker. In die jaren was het nog zo dat de grote jongens van de coca´nemafia zich zelf actief met hun handel bemoeiden.''

 

Dale Laverty, die als agent van de Drugs Enforcement Administration (DEA) in de jaren tachtig verbonden was aan de Amerikaanse ambassade in Den Haag, zegt zelfs 'er in het geheel niet aan te twijfelen'' dat Stotijn door Escobar en Lehder is aangezocht om de distributie van coca´ne in Europa te regelen.

 

De Nederlandse en later ook de Amerikaanse en Duitse inlichtingendiensten krijgen al vrij snel een goed inzicht in de contacten van Stotijn omdat hij een jaar na zijn ontmoeting met Lehder en Escobar overloopt naar justitie. Op aandringen van zijn vrouw besluit Stotijn zijn criminele handelingen te staken en begeeft hij zich op de lucratieve markt van het verkopen van criminele inlichtingen aan de politie. Stotijn ontwikkelt zich tot criminele beroepsinfiltrant die justitie een uniek inzicht biedt in de operaties van de Colombiaanse coca´nemafia.

 

Als vaste Nederlandse politie-begeleider wordt aan Stotijn, min of meer per toeval, de vlak bij zijn woonplaats Daarlerveen wonende rechercheur van de gemeentepolitie Hellendoorn, Anne Post, gekoppeld. Post krijgt naar eigen zeggen al snel een dagtaak aan het runnen van Stotijn als informant. 'Stotijn bleek onwaarschijnlijk goed ingevoerd in een voor de politie aanvankelijk volstrekt onbekend coca´nekartel'', zegt Post, die alle informatie weer doorspeelde naar andere korpsen en de CRI. 'Vanaf 1982 treft de Nederlandse politie bij bijna elke Colombiaan die op verdenking van drugshandel in Nederland wordt aangehouden een briefje aan met daarop de instructie om in Nederland contact op te nemen met godfather Dick'', vertelt rechercheur Post.

 

Nadat een paar Colombianen met hulp van Stotijn in Nederland de markt hebben verkend, wordt hij op zaterdag 8 januari van 1983 thuis bezocht door een van de grote bazen van het kartel uit Medellin, de 54-jarige in het Colombiaanse Honda Tolima geboren Heriberto Perez Cocaro.

 

De Colombiaan maakt duidelijk dat er vanaf nu grote zaken zullen worden gedaan. De markt in Oost-Nederland en Duitsland moet worden ontgonnen en daar is een flinke partij coca´ne voor nodig. Perez beschikt over een container met daarin 40.000 schoenen die vanuit Colombia via Curašao naar, zo zal later blijken, Brussel is vervoerd. In de helft van de voorraad schoenen, te weten de 20.000 stuks waaronder een dubbel nummer staat, is in elke hak 1,5 ons coca´ne verstopt. Perez wil dat Stotijn zorgt voor het inklaren van de container. De Nederlander moet via zijn organisatie de schoenen dan op papier voor zeven dollar per paar van de Colombianen kopen.

 

De schoenen moeten naar een door Stotijn te huren loods worden gebracht, waar de Colombianen zelf zorg zullen dragen voor de verwijdering van de drugs. Voor zijn bemiddeling zal Stotijn worden beloond met de 20.000 gave schoenen die overblijven. De Colombiaan wil bovendien dat er een woning voor hem wordt gehuurd in Oost-Nederland. Perez logeert voorlopig in motel Almelo.

 

Op maandag 10 januari wordt door brigadier Post, die de dag daarvoor door Stotijn op de hoogte is gebracht van de op handen zijnde transactie, alarm geslagen op het politiebureau van Hellendoorn. De mogelijkheid om in totaal een partij van drieduizend kilo coca´ne in beslag te nemen, betekent een zeker voor die tijd historische politie-operatie. Ter vergelijking: de grootste partij coca´ne die ooit in ÚÚn keer in Nederland is onderschept - en nog steeds het Europees record is - betrof de op 28 februari 1990 in een loods in IJmuiden tussen 115 tweehonderd liter vaten met Colombiaans vruchtensap verstopte hoeveelheid van 2.658 kilo coca´ne.

 

Nog diezelfde middag wordt er een spoedvergadering belegd op het politiebureau van Almelo. Aanwezig zijn rechercheurs van verscheidene politiekorpsen, de CRI en de officier van justitie mr F.C.V. de Groot van het parket in Almelo. Uit het schriftelijke verslag van de vergadering blijkt dat de aanwezigen de binnengekomen informatie als zeer betrouwbaar beoordelen en dat een grootschalige politie-actie gewenst is.

 

Officier van justitie De Groot behandelt dan allereerst, zoals te doen gebruikelijk bij dit soort zaken, de juridische vraag of er wellicht sprake kan zijn van uitlokking die het onderzoek onrechtmatig zou maken. Maatstaf is een arrest van de Hoge Raad uit 1980 waarin werd bepaald dat alleen pseudo-koop is toegestaan. Een informant mag een crimineel niet uitlokken tot strafbare feiten die hij niet beoogde te plegen.

 

De Groot concludeert in dit verband dat de politie niet bang hoeft te zijn in strijd met de regels te handelen, aangezien de informant niet uitlokt tot invoer van verdovende middelen. 'De opzet tot invoer is bij de Colombianen reeds aanwezig'', aldus De Groot. Het besluit wordt genomen dat de informant 'op de ingeslagen weg kan doorgaan'' via zijn organisatie de schoenen te kopen.

 

Stotijn krijgt van Perez nauwgezette instructies over het inklaren van de container die 40 voet lang is. Hij moet voor een loods zorgen met een inrij-hoogte van meer dan 3.60 meter. De dag daarop koopt Stotijn met toestemming van justitie voor vijfduizend gulden twee schoenen. Onderzoek van de politie zal uitwijzen dat er inderdaad coca´ne van hoge kwaliteit in zit verstopt.

 

Er volgen langdurige en soms moeizame onderhandelingen met de Colombiaan waarbij Stotijn hulp krijgt van een undercover-agent van de CRI, Hans Hoogervorst geheten, die zich als koper van de drugs presenteert. Intussen onderzoekt de CRI de herkomst van de coca´ne en traceert men via de eigen liaison-officer die in Peru werkt inderdaad een schoenenfabriek in Medellin 'waar met vrij grote zekerheid coca´ne in schoenen wordt verwerkt, bestemd voor de export'', zo telext de agent in een vertrouwelijk codebericht aan Den Haag. Ook verneemt de CRI dat voor het vervoer van de schoenen gebruik wordt gemaakt van een rederij in Panama die met twee schepen op Europa vaart. Met die schepen is, aldus een rapport van de CRI, al tweehonderd kilo coca´ne naar Nederland vervoerd. Het schrijven besluit met de mededeling: 'Panama kan een link zijn in de richting van onze vriend Heijmans.''

 

Doordat in BelgiŰ en Frankrijk een aantal handlangers van Perez betrapt wordt met coca´ne, dreigt de wantrouwige Colombiaan de zaken af te blazen. De politie besluit de undercover-operatie wat te versnellen. Men hoopt Perez door het tonen van geld te overtuigen dat het de moeite loont zaken te doen. Bij de Rabo-bank beschikt het regionale drugsteam over in totaal een half miljoen gulden dat kan worden gebruikt als toongeld. Er wordt tweehonderdduizend gulden van de rekening afgehaald.

 

In een van de volgende gesprekken die Hans met Perez voert, beklemtoont de Nederlander dat hij de Colombiaan desgewenst nu al geld kan tonen. Op het toilet van het motel in Almelo laat Perez vervolgens aan Stotijn weten de zaak niet meer te vertrouwen. 'Als kopers geld laten zien voordat ik ze drugs toon dan zijn het altijd politie-agenten'', vertelt Perez. Hij neemt de benen en zal voorlopig niet meer opduiken.

 

In januari 1983 krijgt de CRI langs andere weg weer nadere informatie over een container met coca´ne. Via een telefoontap blijkt dat een Antilliaanse vrouw, Ellen, in Rotterdam hulp zoekt van Stotijn voor de inklaring van een container in Rotterdam. De papieren van de container liggen bij een reisbureau in Den Haag. Volgens een verslag van de CRI, gedateerd 8 februari 1983, is de 'grote man'' achter de verzending van de container de 42-jarige JosÚ Antonio Segura Vega.

 

Ellen stelt aan Stotijn als voorwaarde dat hij een BV opricht die de container inklaart. De schoenen in de container die geen coca´ne bevatten, moeten door de BV legaal op de markt worden gebracht. Met de opbrengst van die handel moeten produkten worden gekocht die ook weer op een normale zakelijke wijze worden geŰxporteerd naar Colombia.

 

Ook Heijmans is op dat moment, volgens een CRI-verslag van 15 februari 1983, bezig coca´ne in te voeren 'welke verstopt is in uitgeholde bomen. Deze bomen zouden dan vanuit Colombia via Suriname als deklading naar Nederland worden verscheept. Deze bomen zouden in Nederland worden gebracht naar een houthandel in Barendrecht waar de coca´ne wordt verwijderd'', aldus de CRI.

 

De organisatie die zich bezighoudt met de grootschalige invoer van verdovende middelen wordt door de CRI nauwkeurig in kaart gebracht. Namen, adressen, telefoonnummers en bedrijven van de Colombianen, Nederlanders, Surinamers, Antillianen en een enkele Amerikaan duiken in vertrouwelijke stukken op. In het CRI-verslag staat ook dat Heijmans een importbedrijf in Amsterdam wil oprichten. Het rapport besluit met de mededeling dat 'Heijmans door ambassadeur Herrenberg (van Suriname) wederom gevraagd is om consul voor Suriname in Amsterdam te worden. Heijmans zou dit op het moment niet willen. Ook blijkt dat Heijmans goede contacten heeft met bevelhebber Bouterse van Suriname''.

 

Begin februari overleggen drie drugs-rechercheurs met de Almelose officier van justitie, mr. B.W.F. van Riemsdijk, over de nu te volgen strategie. Vooral de vraag hoe en of Stotijn met medeweten van de politie een BV kan oprichten om coca´ne in te klaren, wordt besproken. De officier van justitie acht de oprichting van een BV 'nog net acceptabel'' en geeft zijn toestemming.

 

Diezelfde week wordt ook een vergadering belegd op het kantoor van de CRI in Den Haag onder leiding van het hoofd van de verdovende middelencentrale, J. Oosterbroek. De politie spreekt het volgende af, zo blijkt uit het verslag van de bijeenkomst.

 

Stotijn krijgt opdracht de coca´nebende te laten weten dat het hem zeker drie maanden zal kosten een BV op te richten. Aangezien hij over een strafblad beschikt, is het bovendien aannemelijk dat hij helemaal geen BV mag oprichten. Stotijn zal daarom voorstellen een handlanger van hem, undercover-agent Hans van de CRI, een BV te laten kopen.

 

Justitie zal 15.000 gulden ter beschikking stellen voor het opkopen van een BV. Als directeur zal een tweede undercover-agent worden ge´ntroduceerd. De agenten krijgen valse identiteitspapieren. Na inklaring van de container zal de vracht naar een loods met kantoorruimte in EnschedÚ worden gebracht. Voor het vervoer en de inrichting zal justitie eveneens geld ter beschikking stellen.

 

Om de identiteit en de rol van Stotijn geheim te houden voor een later onderzoek ter terechtzitting en eventuele vragen van de advocaten van verdachten 'is het van het allerhoogste belang, dat deze constructie gesloten blijft''. De later op te maken processen-verbaal moeten daarom straks beginnen met de niet nader te specificeren aanhef: 'Uit binnengekomen informatie van de criminele inlichtingendienst'' waarna alleen melding zal worden gemaakt van een 'spontane' arrestatie en inbeslagname van coca´ne. Het politie-onderzoek naar de BV zal zogenaamd dood lopen.

 

Enige dagen na het uitstippelen van de tactiek ontstaan er geheel onverwachts en om onduidelijke redenen moeilijkheden. Het openbaar ministerie laat bij monde van officier van justitie Van Riemsdijk weten dat de mogelijkheid moet blijven bestaan dat er opheldering kan worden verschaft over de gehanteerde politie-tactiek. Van Riemsdijk wil zeker zijn dat hij zich kan verantwoorden tegenover zijn hoogste chef, de procureur-generaal.

 

Ook de CRI begint te twijfelen. Oosterbroek van de verdovende middelencentrale verklaart bij nader inzien toch niet te willen meewerken aan het oprichten van een BV en zeker geen agenten als nep-directeuren en eigenaars ter beschikking te zullen stellen. De CRI is volgens het politieverslag bang dat bij onderzoek ter terechtzitting de rol van de CRI duidelijk zou worden en dat kan de informatiedienst mogelijk schaden omdat deze tactiek een geheel nieuwe constructie betreft.

 

Oosterbroek zegt desgevraagd de undercover-operatie destijds te hebben gestaakt omdat in die tijd advocaten steeds vaker de politie-tactiek - die balanceerde op de rand van wat wel en wat niet juridisch mocht - in strafzaken wisten bloot te leggen. 'De consequenties van ons handelen moesten steeds beter worden doordacht. Het verzwijgen van acties die je in het kader van het opsporingsonderzoek uitvoerde, kon niet. De integriteit speelde een rol. Daarom blies ik operaties af. Misschien was ik wel te integer maar ik wilde de rechter niet bedotten''.

 

De politiemensen die dan al weken bezig zijn de zaak van hun leven op te lossen, hebben in ieder geval in het geheel geen begrip voor de houding van de CRI en het openbaar ministerie. De politie kan niet op eigen houtje verder. De agenten willen ook niet dat Stotijn alleen de zaakjes opknapt omdat zijn rol van infiltrant na het beŰindigen van deze zaak zeker zal zijn uitgespeeld. De Colombianen zouden het vertrouwen in hun Hollandse partner verliezen en dat wil de politie met het oog op toekomstige operaties te allen tijde voorkomen.

 

De politie probeert nog een keer Van Riemsdijk te overtuigen dat het wel mogelijk moet zijn met Hans de container in te klaren. Via enig creatief taalgebruik in het proces-verbaal moet het volgens de politie mogelijk zijn de rol van de politie bij het inklaren van de coca´ne geheim te houden.

 

Het openbaar ministerie blijft echter bij haar standpunt. Het onderzoek loopt kort hierna dood. De containers met de enorme partij drugs worden niet getraceerd en van de uitvoerig in kaart gebrachte verdachten zal niemand worden aangehouden. De totale hoeveelheid coca´ne die in 1983 in Nederland in beslag wordt genomen zal 59 kilo bedragen.

 

Een van de grote drugshandelaren die sinds 1982 kind aan huis is bij Stotijn, is de in de Colombiaanse havenstad Cartagena woonachtige JosÚ Segura Vega. Hij zit volgens een rapport van de CRI van 29 januari 1986 'hoog in een organisatie die over voldoende coca´ne kan beschikken. Met name is Segura Vega de man, die verantwoordelijk is voor het transportgebeuren''. Hij werkt volgens de CRI nauw samen met Heijmans en diens 'Antilliaanse vrienden en compagnons''. DEA-agent Laverty noemt Segura Vega 'een zetbaas van Lehder'' die voor de Medellin-baas onder andere vele duizenden kilo's coca´ne naar de VS smokkelde.

 

Segura Vega schakelt Stotijn onder andere in voor de afname van coca´ne die met Colombiaanse marinevaartuigen, die in de havenstad Kiel onderhoudsbeurten krijgen, naar Duitsland wordt vervoerd. Stotijn verkoopt deze informatie lucratief aan het Bundeskriminalamt (BKA) in Wiesbaden.

 

Bovendien stuurt Segura Vega nietsvermoedend al zijn Colombiaanse handlangers in Europa langs Stotijn die letterlijk dag en nacht in Daarlerveen aankloppen. De Nederlander haalt ze met alle hartelijkheid binnen. 'Er konden niet genoeg drugshandelaren contact met me opnemen. Ah kassa, riep ik dan als ik ze binnenliet.'' Een van zijn Zuidamerikaanse relaties heeft nog een keer smakelijk moeten lachen om die uitdrukking, kassa. De Colombiaan verkeerde in de veronderstelling dat Stotijn mensen op deze wijze in zijn huis - casa - welkom heette.

 

Stotijn zegt de Colombiaanse drugshandelaren altijd doelbewust in zijn eigen huis te hebben uitgenodigd. Ze werden behandeld als vrienden van het gezin. De familie-albums zitten vol met foto's van coca´nehandelaren aan de rand van het zwembad van Stotijn. Ook zijn er kiekjes met de kinderen en met Stotijns vrouw op de Antillen. 'Er is geen drugshandelaar die zo achterdochtig is dat hij denkt dat een criminele infiltrant de boeven bij hem thuis uitnodigt. Het was mijn perfecte dekmantel'', zegt Stotijn.

 

De omgang van zijn gezin met grote criminelen leidde regelmatig tot bizarre situaties. Zo werd Stotijn een keer bezocht door een Colombiaan die een proefzending coca´ne meebracht. Het spul zat verstopt in een plastic-tankautootje die je met een touw kon voorttrekken. De twee kinderen van Stotijn ontfermden zich ogenblikkelijk over het nieuwe speelgoed en het heeft weken geduurd voordat de argeloze kleuters op de tankauto waren uitgekeken. 'Zo'n duur cadeau hadden ze nog nooit gehad.''

 

Voor de belangrijkste operatie die Stotijn als politie-informant uitvoert, wordt de kiem gelegd in oktober 1984. Van verscheidene Colombiaanse handlangers krijgt Stotijn te horen dat hij absoluut naar Aruba moet komen voor een zakelijke bijeenkomst. Onderwerp van gesprek, zo is in politieverslagen vastgelegd, is 'het volpompen van Europa met coca´ne.''

 

Stotijn overlegt via agent Post met de CRI over de vraag of er interesse is voor een 'dienstreis' naar Aruba. Na moeizaam ambtelijk overleg besluiten de CRI en het BKA samen de reis van Stotijn te financieren. Op verzoek van Stotijn, die bang is voor lekken bij de Arubaanse politie, zal hij direct na aankomst worden 'begeleid' door de voorhoede van de Nederlandse drugsbestrijdingsorganisatie, de op Curašao gestationeerde CRI-verbindingsman, Dick den Breejen.

 

Stotijn regelt een oppas voor de kinderen en vertrekt samen met zijn vrouw op 11 november 1984 per KLM-vlucht naar Aruba. Op zijn ruime kamer in hotel Concorde ontmoet Mister Dick de dagen daarna de ene na de andere Colombiaanse drugshandelaar die samen met Antilliaanse en Surinaamse handlangers plannen smeden om coca´ne naar Europa te vervoeren en die op zoek zijn naar chemicaliŰn die nodig zijn voor de bereiding van drugs. De Antillen blijken een waar Eldorado voor de leden van de coca´nemafia die 's avonds hun narco-dollars stuk slaan in de talrijke casino's.

 

De hamvraag die Stotijn wordt gesteld is of zijn organisatie in staat is op maandbasis 3.000 kilo coca´ne af te nemen. Stotijn schrikt van het gigantische aanbod maar geeft geen krimp. Hij stelt de Colombianen voor voorlopig maar eens te beginnen per maand 1.500 kilo in te klaren. Dat blijkt een tegenvoorstel waarvan de bluffende Colombianen op hun beurt onder de indruk raken want zo'n hoeveelheid hebben ze nooit eerder kunnen afzetten. De partijen gaan uit elkaar met de toezegging van Stotijn dat hij zijn 'divisies' zal polsen over de nadere uitwerking van de overeenkomst.

 

Via de ook op Aruba aanwezige Heijmans verneemt Stotijn dat een aantal Surinamers bezig is landingsrechten te verkopen aan de Colombiaanse coke-bazen die in Suriname een alternatieve smokkelroute zien. Heijmans brengt hem telefonisch in contact met de rechterhand van de Surinaamse legerleider Bouterse, Etienne Boerenveen. De militair zegt te kunnen zorgen voor faciliteiten en militaire bescherming voor de aanvoer en verwerking van coca´ne in Suriname.

 

Van de informatie die Stotijn verzamelt over de rol van Suriname raakt CRI-man Den Breejen - die maandelijks op bezoek gaat naar Suriname, en Boerenveen kent - behoorlijk opgewonden. In telexen naar de CRI in Den Haag, die Den Breejen gelet op het gevoelige karakter van de informatie op zijn kantoortje in het gouvernementskantoor van Willemstad op Curašao zelf tikt en verstuurt, doet hij verslag van de vergaarde inlichtingen: de Surinaamse machthebbers zijn in bespreking met een Colombiaan, Don Miguel geheten, die bereid is vele miljoenen dollars te investeren voor de aanleg van coca´nelaboratoria in het Surinaamse Amazone-gebied nabij de Braziliaanse grens. Ook wordt de aanleg van uitgebreide landingsbanen voor vliegtuigen besproken. Er bevinden zich in Suriname reeds een paar kleine kokerijen die wekelijks enige kilo's coca´ne produceren die naar Miami worden gesmokkeld, zo rapporteert Den Breejen.

 

Drie dagen na het verzenden van de telex krijgt Den Breejen vanuit Den Haag antwoord. De undercover-actie moet onmiddellijk worden gestopt.

 

Het toenmalige hoofd van de verdovende middelencentrale Oosterbroek zegt desgevraagd dat de actie op Aruba eigenlijk sneuvelde wegens overdonderend succes. De Nederlandse politie dreigde te grote vissen te vangen. 'Die zaak was gewoonweg niet te bemannen. Het was een gigantische operatie met allerlei politieke repercussies. Daarom is besloten die zaak te staken. Ik heb gezegd: dit gaat boven onze macht'', vertelt Oosterbroek. Het staken van de infiltratiepoging is uitvoerig besproken met de top van de CRI. 'We waren heel goed doordrongen van de ernst van die zaak maar we konden er niet echt iets aan doen. Ik heb de kwestie doorgenomen met mijn twee superieuren. Of die twee ook contact hebben gehad met het departement is mij niet verteld. Maar ik kan mij eenvoudigweg niet voorstellen dat de leiding van de CRI een zo belangrijke beslissing als het staken van deze operatie, niet heeft besproken met het ministerie van justitie''. De inmiddels gepensioneerde rechercheur Post is tot op de dag van vandaag ontstemd over de wijze waarop de actie met zijn informant werd beŰindigd. Het was voor hem onverteerbaar dat de Nederlandse politie om politieke redenen grote drugsleiders ongemoeid liet. 'Ik schaamde me dat ik bij deze club (de politie, red.) hoorde''.

 

Uit pure pure frustratie besluit Post daarop Stotijn in contact te brengen met de agenten van de DEA die gestationneerd zijn op de Amerikaanse ambassade in Den Haag. 'We waren al snel onder de indruk van Stotijns contacten. Ook op ons hoofdkwartier in Washington DC raakten ze opgewonden over de informatie waarover Stotijn bleek te beschikken'', zegt DEA-agent Dale Laverty. Zijn dienst biedt Stotijn dan ook al vrij snel aan tegen een vast honararium van 3.000 dollar per maand (exclusief tipgeld over concrete drugstransporten) als een soort agent in buitengewone dienst - Confidential Informer (CI) - voor de Amerikanen te gaan werken. Om de nieuwe contacten op de Antillen warm te houden, stuurt de DEA Stotijn - codenaam SXQ 0001.85. - onmiddellijk terug naar Curašao, waar hij door de drugsmafia wederom met open armen wordt ontvangen.

 

Stotijn verzamelt op de Antillen onder andere informatie over corruptie en betrokkenheid van de Antilliaanse politie bij drugshandel. Over de inlichtingen die op Curašao en Aruba zijn verzameld, maakt de DEA een rapport op, gedateerd 12 januari 1985. In de Nederlandse vertaling van de CRI van dit stuk, voorzien van een blauwe stempel 'Geheim', staat onder andere exact welke Antilliaanse agenten bij de coca´nehandel betrokken zouden zijn. Stotijn heeft samen met Heijmans een gesprek gehad met agent 1e klas E.I.M. die na een dienstverband van 17 jaar al 18 maanden met ziekteverlof is. M. vertelt coca´ne en hero´ne te smokkelen in bussen van twee kilo vet van Venezuela naar Curašao en verder naar Miami.

 

De handel gebeurt volgens M. in overleg met in ieder geval ÚÚn leidinggevende Antilliaanse politiefunctionaris. Doordat M. van hogerhand, al dan niet actief wordt gesteund of anders toch op zijn minst oogluikend wordt gedekt, zegt hij te kunnen garanderen dat hij bij zijn handel nooit zal worden lastig gevallen door de douane. M. geeft Stotijn voor zijn afscheid het privÚ-nummer van zijn politiechef en een part van een door midden gescheurd Amerikaans dollar biljet. Als hij ooit in moeilijkheden mocht geraken op de Antillen moet hij de functionaris bellen en het nummer noemen van zijn bankbiljet. Dan zal hij altijd worden geholpen.

 

Een jaar later zal ook de BKA informatie vergaren over de betrokkenheid van Antilliaanse politie bij coca´nehandel. Een in Duitsland aangehouden verdachte doet uit de doeken hoe M. betrokken is bij smokkel van coca´ne naar Europa, aldus mededelingen die in mei 1986 naar de CRI zijn getelext.

 

Heijmans brengt Stotijn in contact met nog een Antilliaanse relatie die een cruciale rol speelt bij de handel in drugs. Het gaat om de vermogende Antilliaanse zakenman H.G. die volgens een geheim CRI-rapport 'bemiddeling verleent en aankoopmogelijkheden zoekt voor de aankoop van ether dat later onder andere zou moeten worden doorgevoerd naar Suriname en Nicaragua''.

 

H.G. schakelt Stotijn ook in Nederland in voor de meest wonderlijke zakelijke transacties. Zo wil de Antilliaan onder andere twee Mercedessen kopen waarvan er een met kogelvrij glas moet worden uitgerust omdat de wagen bestemd is voor een generaal in Nicaragua. Laverty vertelt dat de DEA heeft vastgesteld dat H.G. in opdracht van het Sandinistische bewind in Nicaragua in Europa zaken deed met geld dat verdiend werd via de handel in coca´ne.

 

De meeste tijd is Stotijn in 1985 kwijt aan het in opdracht van zijn Amerikaanse werkgever in kaart brengen van de betrokkenheid van Suriname bij de export van coca´ne. Informatie die overigens allemaal wordt gedeeld met de CRI. Zo krijgt de CRI op 7 januari 1985 bericht van de DEA dat zij naar aanleiding van door Stotijn verstrekte informatie over de Surinaamse coca´nelaboratoria 'de lokatie Sipaliwini aanduiding 2.01 N 56.525 middels satelliet hebben gelokaliseerd in overeenstemming met voorgaande informatie als zijnde een boerderij met daarnaast een landingsstrip''. Laverty is nog trots op de wijze waarop die coke-laboratoria zijn gefotografeerd. 'De techniek voor het maken van satellietfoto's was fantastisch goed ontwikkeld. We konden zelfs een pakje sigaretten uit de ruimte zo goed op foto's vastleggen dat je het merk kon vaststellen. Op de foto's die we maakten bij Sipaliwini zagen we ook vaten voor de deur van het laboratorium staan.''

 

De Surinaamse laboratoria zijn kort na het in kaart brengen, verplaatst omdat een medewerker van de Amerikaanse ambassade in Paramaribo nietsvermoedend Boerenveen deelgenoot maakte van de verontrusting van de Amerikaanse regering. De Amerikanen constateerden dat kort na het verwittigen van Boerenveen, de produktie van coca´ne 'werd verplaatst naar een terrein van de familie Bouterse'', zegt Laverty.

 

In het najaar van 1985 raken de onderhandelingen met de Surinamers in een stroomversnelling. Op 17 september deelt Heijmans aan Stotijn mee dat er een nieuwe kokerij in de omgeving van Palimeu in Suriname is gekomen, zo valt in een vertrouwelijk rapport van de CRI te lezen. Heijmans wil weten of Stotijn drugs kan afnemen. Een week later meldt Heijmans,in een van de vele telefoongesprken die in die periode in het huis van Stotijn door de DEA worden opgenomen dat 'door Bouterse een nieuw laboratorium wordt gebouwd nabij de grens met BraziliŰ. Dit laboratorium zou mede gefinancierd zijn door Cubanen'', aldus het CRI-verslag.

 

De DEA dringt er bij Stotijn op aan dat hij bij Heijmans bewijsmateriaal lospeutert waaruit de betrokkenheid van de Surinaamse machthebbers blijkt. 'Voordat mijn mensen zaken met jullie doen, moet je eerst aantonen dat je over grond en faciliteiten beschikt'', laat Stotijn daarom aan Heijmans weten. Op 19 november belooft Heijmans dat hij met documenten naar Nederland zal komen.

 

Nog geen twee weken later, op 1 december, staat Heijmans in Stotijns woning. Op de eettafel spreidt hij zijn landkaarten uit van gebieden die volgens hem zullen worden gebruikt voor de bouw van coca´nelaboratoria. In totaal toont Heijmans twee landkaarten.

 

Heijmans overhandigt ook een begeleidend schrijven, gedateerd 22 januari 1985, waarin de Surinaamse minister van natuurlijke hulpbronnen en energie E.L. Tjon Kie Sim, tevens vriend van Bouterse, laat weten in te stemmen met het verzoek van Cornelis Noel Bouterse om de bewuste gebieden te mogen exploiteren. De concessie is, zo verzekert Heijmans, voorzichtigheidshalve op naam gesteld van een familielid van Desi Bouterse, maar Stotijn mag erop rekenen dat de werkelijke bezitter van de grond vanaf nu de Surinaamse legerleider is. Ook DEA-agent Laverty maakt nu kennis met Heijmans. Hij wordt door Stotijn voorgesteld aan Heijmans als de 'financiŰle man'' van een groep Amerikanen die via Suriname coca´ne wil laten verwerken. Heijmans vertelt dat er al coca´ne uit Suriname via BraziliŰ naar de Verenigde Staten wordt aangevoerd.

 

Tijdens een van de bijeenkomsten in het huis van Stotijn wordt Laverty door Heijmans telefonisch ge´ntroduceerd bij Boerenveen. Als Laverty tijdens het telefonische onderhoud zegt zeker te willen weten dat de Surinaamse machthebbers akkoord gaan met de smokkel van coca´ne via hun land, wordt hij doorverbonden met legerleider Bouterse persoonlijk. 'Dat gesprek duurde nog geen minuut'', vertelt Laverty. 'Bouterse zei alleen maar dat ik me geen zorgen hoefde te maken over hun medewerking. Ik moest alleen maar het geld brengen en dan werd alles geregeld. We run this country, verzekerde Bouterse.''

 

De Amerikaanse undercover-actie eindigt in maart 1986 met de arrestatie in Miami van Heijmans en zijn zoon en de militair Boerenveen. Bouterse had er op het laatste moment van afgezien zelf aan de onderhandelingen deel te nemen.

 

Stotijn heeft inmiddels een nieuwe identiteit en leeft zorgvuldig ondergedoken. Het is voor zijn justitiŰle contacten een klein wonder dat hij jarenlang zijn dubbelrol heeft kunnen spelen en achteraf nooit serieus is lastig gevallen. Dat Stotijn ongemoeid is gelaten, is volgens de chef van de coca´nebestrijding van het Bundeskriminalamt, W. WŘrz, een logisch gevolg van zijn kaliber als informant. 'Het kenmerk van een hele goede criminele informant is dat die onwaarschijnlijk lang buiten schot weet te blijven''.

 

Ongemoeid zijn ook de meeste criminelen gebleven waarmee Stotijn zaken heeft gedaan. Van alle drugstransporten die via Stotijn en de DEA in de jaren tachtig in kaart worden gebracht, zal de Nederlandse politie slechts een fractie daadwerkelijk onderscheppen. Van de belangrijkste verdachten is slechts een enkeling aangehouden. Verreweg de meeste drugsbazen die hun coca´ne in Nederland wisten af te zetten, leven tot op de dag van vandaag in aangename welstand, veelal in het Caribisch gebied.

 

Cilvion Heijmans heeft een klein jaar doorgebracht in Amerikaanse gevangenschap. Volgens zijn Rotterdamse advocaat, mr. R.J. Duttenhofer, woont Heijmans nu al jaren in Nederland waar hij een uitkering geniet.

 

Drugsbaas JosÚ Antonio Segura Vega dreigde per toeval bijna in Nederland veroordeeld te worden wegens handel in coca´ne. Hij werd in december 1987 op verzoek van het Rotterdamse openbaar ministerie door Spanje uitgeleverd omdat Justitie hem verdacht van betrokkenheid bij moord op een Rotterdammer. Toen Segura Vega in Nederland vast zat, bleek uit onderzoek dat hij de moord - een afrekening in het drugsmilieu - niet zelf had gepleegd. Justitie begon evenwel te vermoeden dat Segura Vega misschien iets met drugs te maken had.

 

In allerijl verzamelde justitie bewijsmateriaal tegen Segura Vega waarbij men over het hoofd zag dat er bij de CRI stapels belastend materiaal over de man te halen waren. Bij de behandeling van de strafzaak in oktober 1988 zal de Rotterdamse rechtbank de uiterst vage dagvaarding, die de officier van justitie op de dag van de terechtzitting in strijd met de regels nog met nieuwe feiten wilde aanvullen, nietig verklaren. Segura Vega verlaat de volgende dag als vrij man ons land.

 

De belastende informatie over de betrokkenheid van Surinamers bij drugshandel is door justitie nooit gedeeld met de collega's in Paramaribo. Datzelfde geldt ook voor de inlichtingen over onder andere de rol van sommige Antilliaanse agenten bij de smokkel van coca´ne die niet aan justitie op Curašao zijn doorgespeeld, verzekert de toenmalige Antilliaanse procureur-generaal, mr. l. Nahr. Hij noemt dit 'een grote schande. Kennelijk gaan de Amerikanen en de Nederlanders ervan uit dat hier iedereen corrupt is. Door dat wantrouwen worden de problemen hier alleen maar erger''.

 

Agent E.I.M. heeft zelf ontslag genomen uit het Antilliaanse korps. Zijn leidinggevende collega heeft een paar jaar geleden zelfs promotie gemaakt nadat, aldus de toenmalige Antilliaanse minister van justitie mr. W.J. Knoppel, de bewindsman Nederland om advies had gevraagd over de voordracht. 'Het ministerie van justitie in Den Haag had geen bezwaren'', zegt Knoppel.

 

Ook de vermogende Antilliaanse zakenman H.G. gaat het voor de wind. De Amsterdamse politie heeft volgens Laverty in 1986, op verzoek van de DEA, wel een onderzoek naar hem ingesteld. In een met afluisterapparatuur geprepareerde auto hebben Stotijn en Laverty hem tijdens een autorit uitgehoord over zijn activiteiten. H.G. vertelde honderduit over zijn drugshandel, verzekert Laverty, maar de bandopname bleek om technische redenen niet bruikbaar. Daarna is kennelijk niets meer ondernomen. 'Zo gaat dat nu eenmaal. Van de duizend tips die we krijgen, kunnen we alleen de drie leukste goed uitzoeken. Dat is al vele jaren zo'', zegt de Amsterdamse drugsrechercheur P.C. Mellenberg.

 

H.G. komt nog regelmatig naar Nederland. Hij is op de luchthaven van Curašao eigenaar van het Aerovista-restaurant en van tax-freeshops waar hij grote kazen en andere lekkernijen verkoopt. Ook exploiteert hij er de VIP-room waar hij regelmatig belangrijke autoriteiten persoonlijk welkom heet of uitzwaait.

 

Het Antilliaanse dagblad La Prensa prees H.G. vorige maand uitvoerig in haar kolommen voor zijn belangrijke economische investeringen. 'In 1993 is H.G. de geschiedenis ingegaan als iemand die de meeste mensen in dienst heeft genomen''. Vorige maand, op 30 december, werd H.G. op de redactie van de Antilliaanse krant een prijs uitgereikt. La Prensa verkoos hem tot Man of the Year 1993.

 

Het behoud van het bestaande telefoonnummer bij overstap van PTT Telecom naar een van de nieuwe concurrenten in spraaktelefonie die per 1 juli 1997 hun diensten aanbieden. (NRC Handelsblad, 29 oktober)