stefan stefan 2 2 2008-01-08T21:11:00Z 2009-03-08T18:12:00Z 1 986 5423 zuid 45 12 6397 10.2625 120 Clean 21 MicrosoftInternetExplorer4

Een  

Bas

 

Het hoge woord van Jan Peter Balkenende: `gedoe'. Tijdens het langverwachte Kamerdebat over dat heetste van alle Nederlandse hangijzers, normen en waarden, moest het nog even gaan over de perikelen die tot de val van zijn eerste kabinet hadden geleid. De `slag om het politiek leiderschap' van LPF-ministers Bomhoff en Heinsbroek hadden veel `gedoe' veroorzaakt. ,,Tegelijkertijd signaleer ik dat de democratie haar werking heeft. Daar ben ik dan ook gelukkig mee.''

 

Ik signaleer iets anders: door het `gedoe' in de zevenentachtig dagen van het kabinet-Balkenende heeft de politiek meer aan geloofwaardigheid verloren dan in zeven jaar Paars. Balkenende stond erbij en keek ernaar, terwijl in zijn kabinet de ministers hem onbekommerd schoffeerden door het lukraak oplaten van proefballonnen, elkaar via de media te lijf gingen en demissionair en passant nog even het bestaansrecht van de Tweede Kamer in twijfel trokken. De politiek als ons nationale schoolplein; terwijl de leerlingen schelden en treiteren en de totale anarchie omhelzen, blijft het gezicht van de bovenmeester stralend uitgestreken; voor deze ene keer zal hij het nog door de vingers zien. Het begrip `hellend vlak' is aan Balkenende duidelijk niet besteed.

 

Inmiddels is bekend dat ook de discussies in het kabinet die niet via de media werden gevoerd, het niveau van het schoolplein nauwelijks overstegen. Dat weten we dankzij Eduard Bomhoff, die twee maanden na de val van het kabinet zijn politieke memoires laat verschijnen. In Blinde ambitie citeert Bomhoff bijvoorbeeld minister Hoogervorst, die zich opwindt over de dreigende taal die de Duitse bondskanselier Schröder richting Nederland gesproken zou hebben: ,,Dat is toch een schande. Hoe durft die Schröder dat te zeggen? De Duitsers zijn wel de laatsten die zoiets in hun mond mogen nemen.'' Het valt me nog mee dat Hoogervorst de verloren voetbalfinale van 1974 er niet bijhaalde.

 

De vraag is nu of ik mag weten wat die Hoogervorst te beweren had. In zijn blinde ambitie heeft Bomhoff onbekommerd het ambtsgeheim voor bewindslieden geschonden door uit de ministerraad te klappen. De voormalige minister van Volksgezondheid schaamt zich er niet voor: iedereen in het kabinet lekte als een vergiet en Bomhoff voelde zich gerechtvaardigd omdat zijn loslippigheid `een ' dient. En bovendien, Ed van Thijn heeft al eens eerder hetzelfde gedaan, en die is er ook niet de bak voor ingedraaid.

 

Een ? Welk? In een uittreksel van zijn boek dat in deze krant stond afgedrukt, hakte Bomhoff genadeloos in op het politieke bestel; de gebreken van ons kiesstelsel, het autisme van beroepspolitici, de worgende fractiediscipline, de bedenkelijke rol van de media. Het dreigende slotakkoord: ,,De geschreven pers heeft Fortuyn nooit veel kans gegeven, en zijn armzalige erfgenamen (en ik reken mezelf erbij) evenmin. De goedkope invalshoek was goedkoper, en dus kozen de kranten voor beschimping en entertainment. De honger van de kiezers is er niet door gestild; ze zijn terecht nog even boos als in mei 2002.''

 

Het is inmiddels een klassieke verdediging, het radeloze afweergeschut van al die trieste mannen met intellectuele neigingen die in een moment van fatale euforie de slippen van Fortuyn zijn gaan dragen. De media hebben er een circus van gemaakt, de `elite' kan alleen maar schelden, en last but not least de kiezer is nog steeds heel boos. Op het schoolplein van de Hollandse politiek kun je je, als alle argumenten tekortschieten, altijd nog achter de brede rug van het boze volk verschuilen.

 

Wat Bomhoff niet beseft, is dat hij geen recht van spreken meer heeft. Het debacle van de nieuwe politiek, zo bleek opnieuw uit zijn eigen uitgebreide optreden in Nova van afgelopen donderdag, en dat van zijn aartsrivaal Herman Heinsbroek, is niet door de media veroorzaakt, maar onder meer door Bomhoff zelf.

 

Het hogere belang dat hij zegt na te streven, had een hernieuwd geloof in het politieke bedrijf moeten zijn. Je kunt de politiek niet vernieuwen wanneer je de politiek zelf schoffeert. Door zijn ambtsgeheim te schenden, laat Bomhoff zien het wezen van de politiek niet langer serieus te nemen, zoals zijn collega Nawijn dat al eerder deed met zijn uitspraken over de Kamer als loos ritueel. Het was de opdracht van het kabinet-Balkenende om het vertrouwen van de burger in de politiek te herstellen; wat zijn ploeg in werkelijkheid heeft gedaan is het geloof in het bestaansrecht van politieke instituties nog verder uithollen.

 

Dat een intelligente man als Bomhoff oprecht denkt een na te streven door het slopen van een van de pijlers onder het politieke bestel, lijkt me een teken aan de wand. Een van de hardnekkigste denkfouten van de nieuwe politiek is de notie dat de politiek buiten de politiek om vernieuwd kan worden zie ook de denktank van Mickey Huijbregtsen en de zijnen. Politiek kan niet zonder instituties, en instituties hebben geloof nodig. Er bestaat een subtiel verschil tussen kritiek op het politieke bestel en een afkeer van het politieke bestel. Door zijn ambtsgeheim zo nonchalant te schenden, wordt de kritiek van Bomhoff op de huidige politiek pijnlijk ongeloofwaardig.

 

In een interview in het Belgische opinieweekblad Knack, fulmineert de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton tegen de invloed van de televisie op de politiek; ,,Teveel transparantie maakt alles kapot. [...] Het parlement is altijd toegankelijk geweest voor het publiek, voor wie het wilde onderzoeken: je kon er naartoe gaan, commissies volgen, rapporten lezen, enzovoort. Als je alles onmiddellijk begrijpelijk wilt maken, moet je al die commissies en ingewikkelde rapporten afschaffen. Onmiddellijke toegankelijkheid vereist verregaande simplificatie, en dan is het proces niet langer democratisch.'' Met het verwerpen van tradities, zegt Scruton, groeit de ,,neiging om alle vormen van autoriteit af te wijzen, het idee dat niemand nog het recht heeft om gehoorzaamd te worden''.

 

De malaise in een notendop: aan de overtuiging dat de politiek dichter naar de mensen toe moet worden gebracht, ontleent Bomhoff het recht om ongehoorzaam te zijn aan het instituut dat hij geacht werd te dienen. Het wachten is nu op de politicus die begrijpt wat een werkelijk nieuwe politiek inhoudt. Niet de politiek moet naar de burger gebracht worden, maar de burger naar de politiek.