Romeinse rijk werpt nog steeds zijn schaduw over Europa

Door HANS BUDDINGH'

Geert Hofstede kreeg wereldfaam met zijn sociaal-antropologische verklaring voor economische ontwikkelingen: de innovatiekracht van het Westen, de Aziatische bekwaamheid om ontdekkingen toe te passen, de inertie in Rusland. In Europa lopen de breuklijnen nog steeds langs de grenzen van het Romeinse rijk. "En waarom hebben de Chinezen nooit de wetten van Newton ontdekt?"

Geert Hofstede, emeritus-hoogleraar 'Vergelijkende Cultuurstudies' en 'Internationaal Management' aan de Universiteit Limburg heeft nooit veel lust gehad zich in het glamoureuze internationale lezingencircuit te begeven. Zijn faam is er niet minder om. Groot blijkt de interesse in wat met enige ironie gerust 'De wereld volgens Hofstede' mag worden genoemd. Hofstede heeft zijn toppositie op de lijst van meest geciteerde Nederlandse economen te danken aan zijn pogingen economische ontwikkelingen te verklaren vanuit een sociaal-antropologische invalshoek.

Al in de jaren zeventig begon hij zijn onderzoek. Veel belangstelling was er aanvankelijk niet. "Als ik uitlegde waar ik mee bezig was zei men, gut wat leuk. Ja leuk hŤ, zei ik dan weer", vertelt hij lachend in zijn werkkamer, thuis in Velp. "Maar ik had gewoon geluk. Ik kwam met mijn studie op een moment dat het onderwerp net interessant begon te worden. Begin jaren tachtig werd duidelijk dat de Japanners betere industrialisten waren dan de Amerikanen. We dachten dat ze zouden gaan 'winnen'. Er moest dus iets zijn waarom dat zou gebeuren. Dus kwam ineens de nationale cultuur in beeld".

Hofstede startte zijn onderzoek nadat hij in 1965 bij IBM Europa in dienst was getreden met als opdracht de scholing van managers. Hofstede: "IBM is een dienstverlenend bedrijf. De helft van het personeel had direct contact met de klanten. De IBM-leiding vond daarom dat zij voor het behoud van de marktpositie ook moest weten hoe het eigen personeel over het bedrijf dacht". De series enquÍtes onder niet minder dan 116.000 IBM-werknemers uit zo'n 70 landen bevatte een schat aan informatie. Iets wat Hofstede zich pas na verloop van tijd begon te realiseren.

Toen Hofstede IBM in 1973 verliet om bij het INSEAD, de internationale business school in Fontainebleau, te gaan doceren en aan het Institute for Advanced Studies and Management in Brussel te studeren, mocht hij al het onderzoeksmateriaal meenemen. Het in 1980 verschenen Culture's Consequences: International Differences in Work-Related Values was het resultaat. Het kloeke en geleerde boekwerk trok voornamelijk in wetenschappelijke kring aandacht. Pas met de bewerkte en gepopulariseerde versie Cultures and Organisations: Software of the Mind, dat in 1991 tegelijkertijd als 'Allemaal andersdenkenden: omgaan met cultuurverschillen' in het Nederlands verscheen, werd een breder publiek bereikt.

Hofstede beschrijft de culturele verschillen tussen landen op basis van vijf dimensies. De positie van een land maakt het mogelijk voorspellingen te doen over de wijze waarop de samenleving, waaronder het bedrijfsleven, opereert.

De eerste dimensie, 'machtsafstand', geeft de mate van ongelijkheid aan tussen mensen die de bevolking van een land als normaal beschouwt. De dimensie 'individualisme' (collectivisme is een lage graad van individualisme) is de mate waarin mensen meer als individu dan als lid van een groep willen handelen. De dimensie 'masculiniteit' (versus 'femininiteit') zegt iets over de mate waarin begrippen als assertiviteit, prestatiedrang, succes en competitie prevaleren boven waarden als de kwaliteit van het leven, dienstbaarheid, zorg voor de zwakken en solidariteit. De vierde dimensie 'onzekerheidsvermijding' kan worden gedefinieerd als de mate waarin mensen de voorkeur geven aan duidelijke geschreven en ongeschreven gedragsregels. De vijfde dimensie 'lange-termijnoriŽntatie' in Hofstede's model is gebaseerd op onderzoek van de Canadees Michael Harris Bond om recht te doen aan de specifieke situatie in AziŽ, waar het Confuciaanse denken een grote rol speelt. Hofstede: "In het Oosten komt de lange-termijnoriŽntatie in plaats van de Westerse onzekerheidsmijding. Voor Aziaten is onzekerheidsmijding niet relevant, daar komen ze zelf niet mee."

Hofstede toetste twee jaar geleden de actualiteitswaarde van zijn theorie door de oorspronkelijke IBM-gegevens op te splitsen voor de voormalige Joegoslavische republieken SloveniŽ, KroatiŽ en ServiŽ. De drie republieken scoorden voor Europa ongekend hoog voor 'machtsafstand' en 'onzekerheidsmijding', ongekend laag voor de dimensie 'individualisme', en relatief laag wat betreft 'masculiniteit'. Het laatste duidt volgens Hofstede op een hang naar romantiek. ServiŽ was in alle vier dimensies uitschieter. "Twintig jaar voor ServiŽ de Joegoslavische burgeroorlog begon, gaven de Servische werknemers van de lokale IBM-vertegenwoordiging al blijk van een geestesgesteldheid, waaruit het nationalisme kon exploderen", zo constateerde Hofstede ruim een jaar geleden in zijn afscheidsrede.

Zijn sommige culturen in de wereld beter geschikt zijn dan andere voor een bepaald soort produktie?

"Ja, maar alleen binnen een bepaald tijdsbestek. Er is een levenscyclus net als bij bedrijven, omdat omstandigheden steeds veranderen. Toen ik een jongetje was kregen we Japans speelgoed, dat was het goedkoopste en rottigste dat er was. Japan was dus bezig te industrialiseren en zich op de wereldmarkt te plaatsen. Op een gegeven moment werd de Japanse kwaliteit de allerbeste. Dertig jaar geleden schreef Gunnar Myrdal zijn Asian Drama, dat vooral over India ging. Dat drama heeft een heel ander draaiboek dan hij veronderstelde. Ik vind dat eigenlijk heel hoopgevend. Er waren ontwikkelingen die hij niet kon voorzien, bijvoorbeeld dat zich ťťn grote wereldmarkt zou ontwikkelen en dat bepaalde culturele eigenschappen van Aziatische landen sterke concurrentie-argumenten vormen".

U noemt als belangrijke factor het 'Confuciaans dynamisme', waarin het nastreven van deugden, zoals volharding en lange-termijnoriŽntatie, een belangrijke rol spelen. Dit in tegenstelling tot het Westen waar volgens u het vinden van waarheid een grotere rol speelt. Verklaart dit dat AziŽ groot is geworden door namaak?

"Groot geworden door namaak is wat sterk gezegd. AziŽ neemt gemakkelijk dingen over. Het is erg individualistisch om er bij stil te staan wie iets heeft uitgevonden. Neem China. De Chinezen waren al in de keizertijd in staat hele mooie dingen te maken. Maar waarom hebben ze nooit de wetten van Newton ontdekt? Omdat men in China niet in grote lijnen van waarheden en systemen denkt. Je kunt het ook zien aan het Chinese schrift. Dat is een idiografisch schrift, ieder woord is eigenlijk een plaatje. Vreselijk ingewikkeld is dat. Je kunt het vereenvoudigen, zoals de Koreanen wel hebben gedaan. De Chinezen hebben nooit de wetmatigheden gezocht."

Het Westen zoekt volgens u eerder naar waarheid. Is het Westen innovatiever en zal het daarom in deze kennismaatschappij zijn voorsprong behouden of zelfs vergroten?

"Voor het doen van fundamentele ontdekkingen heb je die waarheidsmentaliteit nodig. Dat gaat in het Westen gewoon beter. Maar je moet wel onderscheid maken tussen het doen van ontdekkingen en de toepassing ervan.
Research , development worden ten onrechte als een geheel genomen. Het Westen is goed in onderzoek en het Oosten in ontwikkeling. Dat komt omdat onderzoek toch iets meer voor individualisten is, terwijl ontwikkeling meer een kwestie van coŲrdinatie is. Dat betekent dus dat er op dit gebied met AziŽ moet worden samengewerkt. Je ziet dat ook al gebeuren."

Maar we zien dat de Verenigde Staten, toch bij uitstek een individualistisch land, op Japan voorliggen in de computertechnologie en software. Ze konden met hun toepassingen zelfs de Japanse markt veroveren?

"Ja, maar het gaat hier om een soort technologie waar individuen nog behoorlijk kunnen scoren. Zaken als MS DOS komen toch hoofdzakelijk uit de koker van ťťn persoon."

Hofstede ziet ondanks de globalisering nauwelijks een convergentie van culturen. "De enige dimensie waar duidelijk sprake is van convergentie is de individualisering. Landen die rijker worden, worden ook individualistischer, maar niet zodanig dat de onderlinge verschillen wegvallen. In Japan is de individualisering duidelijk toegenomen, maar lang niet zover als in de Verenigde Staten."

De causaliteit loopt volgens Hofstede's onderzoek van welvaartsgroei naar individualisme en niet omgekeerd. Dat brengt de emeritus hoogleraar tot de stelling dat het vrije marktkapitalisme beter gedijt in rijke dan in arme landen. Met de toeneming van de individualisering zal volgens Hofstede door "wrijvingsverliezen" tegelijkertijd de groei van het nationaal inkomen afnemen. "Ik bedoel simpelweg dat het moeilijker wordt alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Japanners kunnen zeer effici ent werken, omdat ze heel goed geleerd hebben als groep samen te werken. De Amerikaanse samenleving is heel sterk op concurrentie gebaseerd en concurrentie kan efficiŽnter zijn, maar in zeker opzicht is concurrentie natuurlijk ook verspilling van hulpbronnen."

Wat betreft de overige dimensies is van enige convergentie weinig te merken. Hofstede: "Als er convergentie was, dan zou die al veel eerder zijn opgetreden. We hebben in Europa eeuwen naast elkaar geleefd en van allerlei uitgewisseld. Toch is er geen uniforme cultuur ontstaan. Het is voor een samenleving eenvoudig een levensvoorwaarde iets gemeenschappelijks te hebben. Bij contacten met andere groepen ontstaat juist de neiging de eigen identiteit nog sterker te bevestigen. Ik geloof dat dat altijd zo zal blijven."

Hofstede wijst in dit verband op een opmerkelijk onderzoek van de Amerikaan Michael Hoppe onder cursisten aan het Salzburg Seminar uit negentien Westerse landen dat geheel volgens de systematiek van de IBM-studie uit het begin van de jaren zeventig is uitgevoerd. "De belangrijkste scheidingslijn binnen Europa blijkt nog steeds de grens van het vroegere Romeinse rijk", aldus Hofstede. "Het Romeinse imperium werd gekenmerkt door ťťn machtscentrum - dat betekent dus een grote machtsafstand - en een uniform systeem van regels. Endat impliceert een sterke mate van onzekerheidsmijding. In de Latijnse landen vind je inderdaad ook hoge machtsafstand en een hoge onzekerheidsvermijding." De meest Latijnse landen zijn Frankrijk, ItaliŽ, BelgiŽ en Griekenland, aan het andere extreem liggen Nederland en Denemarken (zie bovenste diagram).

De uitkomsten van Hoppe's in 1990 gepubliceerde onderzoek verschillen maar weinig van Hofstede's IBM-gegevens. Het grootste verschil betreft de positie van Spanje en Portugal, waar zowel 'machtsafstand' als 'onzekerheidvermijding' zijn afgenomen. Hofstede's verklaring ligt voor de hand: "Beide landen zijn in de tussenliggende periode democratieŽn geworden en de ondervraagde Spaanse en Portugese cursisten aan het Salzburg Seminar komen uit de democratisch gezinde elite."

Opvallend is de plaats van BelgiŽ; dat Vlaanderen de enige regio met een Germaanse taal is waar een Latijnse mentaliteit heerst, houdt verband met de jarenlange dominante Franse invloed. "Ik heb nog nooit twee buurlanden gezien, die ondanks de gemeenschappelijke taal en de onderlinge samenwerking zo sterk verschillen in mentale programmering als Nederland en Vlaanderen", aldus Hofstede. Hij wijst op het verschil in 'machtsafstand' en schrijft er onder meer het verschil tussen het hoge Nederlandse en lage Belgische ziekteverzuim aan toe. "Dat heeft te maken met de houding van artsen die de absentie moeten rapporteren. Nederlandse artsen zijn vriendelijker en kennen meer gewicht toe aan de opinie van de patiŽnt."

Wat zijn in het algemeen de economische gevolgen van de culturele verschillen tussen de Europese landen? Hofstede: "De hogere machtsafstand en onzekerheidsvermijding in de 'Latijnse' landen brengen hiŽrarchie en regels met zich mee. Economisch betekent dit mercantilisme. Men vindt de markt best, maar zodra je niet helemaal kunt overzien wat er gebeurt komt er toch weer regulering. In landen als Frankrijk en BelgiŽ is wel een behoorlijke dosis individualisme. Dus er zijn wel een heleboel initiatieven, waardoor je met gerichte steun van de overheid een heel eind kunt komen. Maar wat ze niet kunnen is multinationals opzetten. Kent u een grote Franse of Belgische multinational? Een multinational moet bestuurlijk delegeren en dat kunnen Fransen en Belgen moeilijk. Zij geloven in directe supervisie, wat een gevolg is van de grote 'machtsafstand' in hun cultuur."

Duitsland is volgens Hofstede een "heel interessant" fenomeen: "Het verbaast een heleboel mensen dat de 'machtsafstand' er laag is. Er is tegelijkertijd een hoop onzekerheidsvermijding."

Hofstede vindt het Duitse patroon ook bij Hongarije en Oostenrijk, die door het Habsburgse verleden een zelfde cultuur hebben. "Het is gewoon het superego van Sigmund Freud. De mensen moeten een heleboel, maar dat moeten ze vooral van zichzelf. Dat kan leiden tot grote schuldgevoelens. Hongarije is dan ook wereldrecordhouder in zelfmoorden."

Is onzekerheidsvermijding in economisch opzicht negatief?

"Nee, onzekerheidsvermijders zijn de preciezelingen. Japanners zijn dat ook. Het betekent dat je produkten kunt maken, waarbij je heel precies de regels moet volgen. Als je afspraken maakt met de mensen om het op een bepaalde manier te doen, dan gaan ze dat ook doen." Hofstede wijst op het gunstige economische effect van de komst van veel joodse Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen - Albert Einstein was de bekendste - vůůr de Tweede Wereldoorlog naar de Verenigde Staten op de Amerikaanse economie. Het was de vruchtbare ontmoeting tussen de Middeneuropese voorkeur voor theorie (een gevolg van sterke onzekerheidsvermijding) en de Angelsaksische voorkeur voor empirisme (een produkt van een zwakke onzekerheidsvermijding).

De Europese cultuurverschillen hebben ook gevolgen voor de managementtheorie. Hofstede: "Je kunt de Amerikaanse managementtheorieŽn niet in Duitsland toepassen. De manager bestaat daar feitelijk helemaal niet. In Duitsland is het 'Facharbeiterschaft' heel erg ontwikkeld. Van de Duitse werknemers heeft driekwart een 'Facharbeiterbrief', in Groot-BrittanniŽ heeft maar een kwart een opleiding. In Duitsland heb je de hoofdingenieur, de superieure vakman, die aanwijzingen geeft. In de Angelsaksische landen is de manager iemand die zelf niet werkt, maar anderen laat werken. In Duitsland hoeft dat niet, men werkt er vanzelf wel. In Engeland heb je veel meer management nodig, omdat de mensen zelf minder deskundigheid in huis hebben."

Nederland (en ook de Scandinavische landen) hebben een sterk feminiene cultuur. Dat maakt hen volgens Hofstede bij uitstek geschikt voor dienstverlening en fabricage op specificatie. "De feminiene cultuur is ook erg goed in de handel. Massafabricage ligt bij ons cultureel veel moeilijker. Dat past meer bij een masculiene cultuur."

Wat is de positie van Rusland? Een vakgenoot deed enkele jaren geleden met gebruikmaking van Hofstede's systematiek een onderzoek. "Voor de Russen vond hij een hele hoge machtsafstand en een heel hoge onzekerheidsvermijding. Die combinatie werkt ongetwijfeld remmend op de economie. Het maakt Russen passief", aldus Hofstede. Het is volgens de emeritus-hoogleraar geen toeval dat de landeigenaar Levin in Tolstoi's 'Ana Karenina' de pachters na de afschaffing van de lijfeigenschap nauwelijks in beweging krijgt.

Hofstede spreekt van een 'Byzantijns' patroon. Het Europese land dat het dichtst in de buurt van Rusland komt, is Griekenland, alhoewel de machtsafstand daar wat geringer is. "In Rusland heb je het Latijns patroon, maar dan in het extreme. Het is de erfenis van Rome die in Byzantium nog duizend jaar voortleefde en die je nu terug vindt in het Oostorthodoxe christendom." Dat de markteconomie in Griekenland beter werkt dan in Rusland, komt volgens Hofstede omdat Griekenland een rijker land is.

Is uw theorie niet erg deterministisch. Dreigt zij niet stereotypen te bevestigen?

"Zo'n vraag is typisch Nederlands. In het Engels gebruik ik altijd de term mental programming. Een engelssprekend publiek heeft daar nooit problemen mee. In Nederland zegt men steeds 'wij zijn toch niet geprogrammeerd'. Daar zit iets van onze calvinistische vrees voor predestinatie in. Tegenwoordig gebruik ik voor Nederlands publiek het woord 'voorprogrammering' en dan mag het ineens wel, want dan zeg je dat er bepaalde voorwaarden zijn waardoor je de neiging hebt op een bepaalde manier te reageren, maar vervolgens ga je zelf besluiten wat je met die voorprogrammering doet."

Kader: Geert Hofstede

Geert Hofstede werd onlangs voor het derde achtereenvolgende jaar de meest geciteerde Nederlandse econoom. Het hoeft niet zo te verbazen dat de 66-jarige emeritus-hoogleraar de prestigieuze hitparade van het vakblad Economisch Statistische Berichten aanvoert, met een straatlengte voorsprong op Sweder van Wijnbergen en wijlen Jan Tinbergen. Het onderzoek van Hofstede naar het verband tussen cultuurverschillen en economische ontwikkeling wekt met de toenemende internationalisering van de economie steeds meer interesse. Zijn in 1991 verschenen boek 'Allemaal andersdenkenden: omgaan met cultuurverschillen', een popularisering van zijn reeds in 1980 afgeronde lijvige studie, is inmiddels in meer dan tien vertalingen verschenen. De Japanse titel is gereed, de Chinese en Koreaanse komen eraan. Verbazingwekkender is misschien dat Hofstede met stip op ťťn staat, ondanks het feit dat hij geen econoom maar werktuigbouwkundige en sociaal psycholoog is. Hij spreekt van een 'zigzag-loopbaan'. Na zijn studie in Delft werkte Hofstede een half jaar als arbeider in Amsterdam-Noord, omdat hij wilde weten hoe het op de werkvloer was. Nadien was hij bedrijfsleider bij de kousenfabriek Jovanda, waar hij een groot aantal fabrieksmeisjes onder zijn hoede had. Ook zwaaide hij de scepter over de weverij van een textielfabriek. Hofstede: "Ook Tinbergen en Van Wijnbergen kwamen van buiten de economie. Buitenstaanders kunnen nu eenmaal vaker dingen vertellen die mensen, in dit geval economen, nog niet weten." (Foto NRC Handelsblad/Freddie Rikken)

Datum:

25-02-1995

Rubriek:

Features

Pagina:

15

Onderschrift:

Foto: Geert Hofstede; Grafiek: 1. Machtsafstand VS onzekerheidsvermijding voor 11 EU-landen; 2. Masculiniteit VS individualisme voor 11 EU-landen; De diagrammen zijn gebaseerd op een enqute onder 1500 cursisten aan het Salzburger Seminar uit negentien Westerse landen, waarvan elf EU-lidstaten.

Trefwoord:

Economie; Bevolking; Maatschappij

Persoon:

Geert Hofstede

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.