Noordhollandse boeren van 2500 voor Christus

Theo Holleman

In de Noordhollandse Groetpolder wordt gegraven naar nederzettingsresten van de Europese Enkelgrafcultuur.
 

De nasleep van de laatste ijstijd is van groot belang geweest voor de vorming van het Nederlands kustgebied. Door het smelten van de ijskappen, de stijging van de Alpen en het Scandinavisch schild en de daarbij behorende daling van de Rijn-Maas delta, kwam de zeespiegel in het Noordzeebekken snel omhoog en overspoelde de eerder drooggevallen gebieden. Het zeewater bereikte ongeveer 6.000 voor Christus onze huidige kustlijn, brak via het Zeegat van Bergen door naar het achterland en zette daar grote hoeveelheden zand en klei af.

In de volgende millennia wisselden perioden van overstroming (transgressie) en terugtrekken van zeewater (regressie) elkaar af. Tijdens een transgressie-fase leek het landschap het meest op dat van de Waddenzee. Als bij regressie het zeewater minder invloed had ontstond achter de kustlijn een gebied met zoute, brakke en zoete milieu's, met veen, met beken, kreken en stroomgeulen, met bossen op de hoger gelegen oeverwallen.

Deze "voor elk wat wils' omstandigheden trokken een onvoorstelbaar rijke fauna aan... en dan was de mens nooit ver weg. Zo ontwikkelde zich ook de situatie na het inzetten van de regressie van omstreeks 2.500 voor Christus. Mensen van de Europese Enkelgrafcultuur (2.900-2.300 vC.) gingen het kustgebied binnen om de natuurlijke rijkdom te exploiteren. Na ongeveer tweehonderd jaar deed de zee opnieuw zijn invloed op het achterland gelden en werd permanente bewoning onmogelijk.

Vanzelfsprekend ruimde het zeewater een aantal van hun woonplaatsen compleet op, maar sommige werden met lagen zand en klei afgedekt. Gewoonlijk vergaan de organische resten van menselijke activiteit vrij snel - botten, zaden, kleding, schoeisel, benen gereedschap en bouwmateriaal blijven in zandgrond hooguit als vage grondverkleuringen zichtbaar. Maar in Noord-Holland bleven de resten van de Enkelgrafcultuur onder klei en grondwater, afgesloten van zuurstof, nagenoeg intact bewaard.

Neolithische wind

Niet meer voor lang echter. Drs. W.J.H. Hogestijn, archeoloog bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en leider van het onderzoek: ""Men is het gebied droger gaan houden waardoor het organische materiaal boven het grondwater kwam te liggen. Onverkoolde zaden, leer, hout, enzovoorts, veel is door het contact met zuurstof vergaan, geleidelijk verdwenen. Wat overbleef wordt vandaag bedreigd door de snellere mechanische erosie. De nederzettingen, nu lagen afval waarin alle vondsten en grondsporen zitten, bevonden zich op hogere punten in het toenmalige landschap. Daar zijn de kleiafzettingen dus niet zo dik. Na bodemontginning voor de landbouw werd de bouwvoor in de loop van de tijd dunner. Zo dun dat elke keer ploegen een deel van de nederzettingslaag in de bouwvoor opneemt. Organisch materiaal en as komen naar de oppervlakte, oxideren daar onmiddellijk of waaien weg. Als het hier droog is na het ploegen sta je letterlijk in een neolithische wind; de as stuift je om de oren. Onbedoeld, want de boer doet het beslist niet expres, gaat er jaarlijks één tot vier centimeter van de nederzettingslagen af'.

Deze vernietiging van de vindplaatsen, in combinatie met de zeldzaamheid van gegevens over nederzettingen van de Enkelgrafcultuur, vormden in hoofdzaak aanleiding voor het huidige graafwerk in de Groetpolder. De site werd ontdekt door A. Wit, een actieve amateur-archeoloog uit Nieuwe Niedorp. Het bleek een "dubbelster': twee nederzettingen tegenover elkaar, gescheiden door een geul. Op dit ogenblik is het onderzoek aan zijn tweede seizoen bezig en wordt internationaal met grote belangstelling gevolgd.

Breuk

De Enkelgrafcultuur, internationaal omwille van de onderlinge verstaanbaarheid ook wel het "Strijdhamercomplex' genoemd, verscheen rond 2.900 voor Christus op het toneel. Overal waar zij voorkwam: Noordwest Europa, Zwitserland, Rusland en Scandinavië, werd die verschijning gekenmerkt door een schijnbaar abrupte breuk met voorgaande tradities.

Hogestijn: "Archeologen zitten met het probleem dat ze nauwelijks beschikken over middelen die "fijn' genoeg meten om het tijdstraject waarin deze verandering zich voltrok te bepalen. Een van de methoden zou jaarringen-onderzoek kunnen zijn maar daar heb je nederzettingen voor nodig en gunstige conserveringsomstandigheden. En helaas hebben we uit het hele gebied dus vrijwel uitsluitend begravingen.'

Over de reden voor de breuk en de expansie van de Enkelgrafcultuur is een hele bibliotheek volgeschreven. Er werd gedacht dat het te maken had met oorlog, met krijgersamenlevingen. Iemand heeft geopperd dat het samenhing met gebruik van verdovende middelen, een ander met gewijzigde drinkgewoonten. Er zouden veranderingen in de sociaal-economische relaties tussen mannen en vrouwen achter steken, of technologische innovaties.

Hogestijn: "Er bestaat tot op heden absoluut geen consensus over. De richting waarin het antwoord wordt gezocht is daarbij een kwestie van tijdgeest. Toen we hier in Europa tijdens de eerste en de tweede wereldoorlog constant met elkaar overhoop lagen werden nieuwe ontdekte archeologische culturen meteen gekoppeld aan migraties en daarmee aan strijd. Maar nu we bezig zijn met het Verenigd Europa denkt men veel meer in termen van regionale continuteit en uitwisseling van informatie. Wat waar is, blijft de vraag'.

Spiegelbeeld

In Nederland zijn tot nu toe 150 à 160 graven van de Enkelgrafcultuur onderzocht. Internationaal is dat aantal nauwelijks te tellen. Welk cultuurbeeld komt uit dat onderzoek naar voren?

Hogestijn: "Anders dan hun voorgangers - in onze streken was dat het Trechterbekervolk - begroeven de dragers van de Enkelgrafcultuur hun doden niet meer in collectieve maar uitsluitend in, de naam zegt het al, individuele graven. In sommige gevallen wierp men over het graf bovendien een heuvel op. Hieruit lijkt, hoe je het ook wendt of keert, sprake van een grotere nadruk op de positie van het individu dan in de Trechterbekercultuur.'

"Een volgend interessant aspect van de Enkelgrafcultuur is: op basis van de graven leken de mensen, meer dan daarvoor, erg bezig met het tot uitdrukking brengen van verschillen tussen de werelden van mannen en vrouwen. Volwassen mannen en vrouwen werden begraven in een soort foetushouding: de armen gekruist voor de borst, de knieën opgetrokken. Ze kijken beide naar het Zuiden maar de man ligt met het hoofd naar het Oosten, de vrouw naar het Westen. Ze zijn elkaars spiegelbeeld. Kijk je naar de grafgiften dan zie je bij mannen objecten die samenhangen met uitwisseling van goederen en jacht. Vuurstenen dolken uit Frankrijk, pijlpunten, bijlen, gereedschap van bot van wilde dieren. Bij vrouwen vind je dat helemaal niet. Als ze al iets meekregen dan was dat eenvoudig huishoudelijk gereedschap, spinklosjes bijvoorbeeld, of priemen van bot van gedomesticeerde dieren, gedorst graan. Kennelijk was de wereld van mannen die van de wijde vlakten, de wilde natuur, contacten met ver weg; die van vrouwen de in cultuur gebrachte omgeving, huis en haard. Het is de vraag of dit een gedealiseerd beeld is. Mogelijk dat mannen de grafcultus beheersten en daarmee een stempel drukten op wat tot uitdrukking moest worden gebracht. In de dagelijkse praktijk kan het allemaal anders zijn gegaan en dat kun je wellicht dan op grond van nederzettingsonderzoek achterhalen. Naast natuurlijk antwoord op punten als: hoe voorzagen die mensen in hun levensonderhoud, welke voedselbronnen werden daarvoor benut, op welke manier, waar, enzovoorts.'

Risicospreiding

Wat die laatste vragen aangaat stellen de opgravingen in de Groetpolder nauwelijks teleur. De bewoners van de "dubbelster' waren boeren: ze verbouwden emmertarwe en naakte gerst en hielden runderen en varkens en in mindere mate geiten en schapen. Maar analyse van de organische resten heeft uitgewezen dat jacht, visvangst en verzamelen van voedsel (bessen, noten) in belangrijke mate aan het levensonderhoud bijdroegen. Schelp- en schaaldieren, vogels, zout- en zoetwatervissen, wilde zoogdieren, dolfijnen, tuimelaars, tandwalvissen, beren, wolven, alles wat ze te pakken konden krijgen ging voor de bijl. De plattegronden van hun behuizingen (6 tot 14 meter lang en 3 tot 4 meter breed) zijn in paalsporen teruggevonden. Erf en interieur waren bedekt met riet dat men om de zoveel tijd in brand stak, mogelijk om ongedierte uit te roeien, en daarna ververste. Van de potten en pannen is een groot aantal scherven tevoorschijn gekomen. Ook barnsteen dat men op het Noordzee-strand kon verzamelen en in de nederzetting bewerkte.

Hogestijn: "Het was een uiterst rijk gebied maar toch moesten de mensen tegelijkertijd plannen. Ze dienden bijvoorbeeld rekening houden met de mogelijkheid van overstromingen, we weten dat dat is gebeurd. En verder: aan de ene kant bestond de zekerheid dat er allerlei energie in de vorm van trekvogels en trekvissen het gebied binnenkwam. Maar aan de andere kant wist niemand precies wanneer, waar en hoeveel. Dus ging men buffers aanleggen. Als de trekvogels kwamen werden ze bij enorme hoeveelheden tegelijk gevangen. Zalmen en steuren idem dito. Zoals ik er nu tegenaan kijk is het waarschijnlijk dat men één basiskamp had dat werd bewoond door alle leden van de groep en dat in bepaalde perioden van het jaar speciaal samengestelde groepjes naar bepaalde plekken in het landschap trokken om bepaalde activiteiten te ondernemen. Ik noem maar iets op: vissen, stenen halen in Wieringen, barnsteen aan de kust, trekvogels vangen, vee weiden. Eerder al zijn twee van die periodiek bewoonde kampementjes onderzocht. De vangst werd hier geconserveerd en naar het basiskamp overgebracht. Een voorbeeld. In een van de onderzochte kampementjes lagen grote hoeveelheden resten van vissekoppen en -staarten. Restanten van wat tussen kop en staart zit ontbraken. Dé hebben we tot nu toe alleen in het basiskamp gevonden'.

"Op deze manier, en rekening houdend met het slechtste scenario, legden alle groepen die hier zaten hun voorraden aan. Daarnaast werd er gedeeld met de omgeving. Op het moment dat men in de problemen kwam, kon op basis van dat delen een beroep worden gedaan op andere groepen. De meeste dingen uit de eigen voorraad zullen wel een jaar of zo goed gebleven zijn. De uitgedeelde voorraad gaf risico-spreiding over langere termijn.'

Potje koken

De opkomst van de Enkelgrafcultuur mag dan een breuk met voorgaande tradities zijn geweest, deze uitgekiende en goed georganiseerde exploitatie van het milieu wijkt principiëel niet af van de manier waarop het Trechterbekervolk in zijn levensonderhoud probeerde te voorzien.

Hogestijn: "Nee, ik denk niet dat dit iets nieuws is voor juist deze periode. Er lijken echter wel kleine verschillen te bestaan. Dit bijvoorbeeld. We hebben één jachtkampement van de Trechterbeker en twee van de Enkelgrafcultuur opgegraven. In het Trechterbekerkamp vonden we een hele range aan verschillende potten van een halve tot negen liter. In jachtkampen van de Enkelgrafcultuur was dat heel anders: vooral potjes van hooguit één liter inhoud, soms nog minder. Grote potten ontbraken bijna volledig. Dit kan betekenen dat in het Trechterbekerkamp voedsel eerst in de grote potten werd bereid voordat iedereen het in zijn bakje kreeg. En dat binnen het Enkelgrafkamp iedereen een eigen potje had en het voedsel werd verdeeld vóór de bereiding. Vergelijk je dat met het grafritueel dan zie je hier weer die individualisering. Gegevens uit de beide domeinen: het rijk van de doden en dat van de levenden blijken complementair.'

Door gebrek aan geld voor de opgraving koos Hogestijn een steekproefgewijs onderzoek van een oppervlak iets groter dan de totale nederzetting. Tegen het einde van het vorige graafseizoen stuitte hij net buiten de bewoningsgrens op een eikenhouten post van ongeveer 35 centimeter doorsnee. Daar kwamen nog meer palen van dezelfde dikte bij. Ze bleken goed geconserveerd, aan de onderkant zijn zelfs de kapsporen nog te zien. Met een aanvullende financiering door het Gewest kon deze ontdekking verder worden onderzocht.

Hogestijn: "In eerste instantie dachten we dat het om markeringen ging. Dat deze palen hier waren neergezet opdat de mensen zich in dit reliefloze landschap en tussen eindeloze rietmoerassen konden blijven oriënteren. Maar uiteindelijk kwam het grondplan van een enorm gebouw tevoorschijn. Het was veel groter dan de gebruikelijke behuizingen, ongeveer 22 meter lang en 7 meter breed, en moet wel 7 meter hoog zijn geweest. Op een boerderij lijkt het niet, ook niet op een woonhuis en als er activiteiten in hebben plaats gevonden lieten die geen sporen na. We weten nog niet wat we ervan moeten denken. Vergelijkingsmateriaal is er niet.'

Skeletdelen

Hogestijn heeft geen enkele aanwijzing waar zich het grafveld zou kunnen bevinden dat, gezien de omvang van de bewoning, een behoorlijk aantal graven moet tellen. Wel werden, en dat is vreemd, her en der in de nederzetting losse menselijke skeletdelen aangetroffen: een opperarm, een stuk dijbeen, een afgehakte voet, en in de jachtkampen tweemaal een begraving.

Rest de kwestie van het op haar beurt verdwijnen van de Enkelgrafcultuur. Hogestijn: "Rond 2.300 voor Christus houden we op daarvan te spreken. Het lijkt om een zeer geleidelijke overgang te gaan. Hier in Noord-Holland is er geen twijfel over mogelijk dat de Enkelgrafcultuur naadloos overging in de Klokbekercultuur. Waar dan toch die cesuur wordt gelegd is dat meer een kwestie van conventie dan van prehistorische realiteit'

Datum:

02-09-1993

Sectie:

Wetenschap en Onderwijs

Pagina:

4

Onderschrift:

Foto: Opgravingsvlak Groetpolder/Zeewijk; Boven Mies, ook wel bekend als het "wijvie van Sijbekarspel'. Ze ligt met het hoofd naar het westen; Rechts artefacten van de Enkelgrafcultuur gevonden in de Groetpolder

Trefwoord:

Archeologie; Kunst en Cultuur; Geschiedenis



Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


a