Pterosaurussen vlogen beter dan vogels door flocculaire kwab
Sander Voormolen

Vliegende reptielen of pterosaurussen, die leefden van 251 tot 65 miljoen jaar geleden, waren in de lucht waarschijnlijk acrobatischer dan moderne vogels en vleermuizen. Dat blijkt uit onderzoek van vier Amerikaanse anatomen en paleontologen die met behulp van CT-scans nauwkeurig de schedelgrootte hebben opgemeten. De pterosaurussen hadden kleinere hersenen dan moderne vogels, maar daarentegen waren bepaalde structuren die betrokken zijn bij de integratie van visuele, motorische en evenwichtsinformatie juist vergroot. Dat kan een weerspiegeling zijn van een geavanceerd vliegvermogen (Nature, 30 okt).
 

Foto-onderschrift:
CT-scans en reconstructies van Rhampho-rhynchus en de veel grotere Anhanguera. In vergelijking met vogelhersenen is het flocculaire gebied (rood) bij Anhanguera flink groter. ILLUSTRATIES OHIO UNIVERSITY


De onderzoekers onder leiding van Lawrence Witmer van Ohio University analyseerden de gave schedels van twee pterosaurussen; de primitieve Rhamphorhynchus muensteri uit de Jura, gevonden in Duitsland en de wat modernere Anhanguera santanae uit het Krijt, gevonden in BraziliŽ. De vorm van de schedelholte geeft een goed beeld van de hersenen, die als zacht weefsel niet fossiliseerden.

De hersenen van de pterosaurussen waren veel kleiner dan die van vogels, maar volgens Witmer zegt dat op zich weinig over het vermogen tot vliegen of intelligentie. Vogels zijn geŽvolueerd uit theropoden, dinosauriŽrs die in de loop van de evolutie een flinke hersengroei hadden doorgemaakt. Dat is de voornaamste reden dat vogels grotere hersenen hebben.

Toen Witmer en zijn collega's echter de details van de hersenbouw bestudeerden ontdekten zij dat pterosaurussen aanmerkelijk forse flocculaire kwabben aan de onderzijde van de kleine hersenen moeten hebben gehad. De cerebellaire flocculus is de plaats waar bij zoogdieren, vogels en reptielen een interactie plaatsvindt tussen visuele, motorische en evenwichtsinformatie. In combinatie met conclusies uit recente vondsten van zeer goed bewaard gebleven pterosaurus-fossielen, waarbij in de vleugels de resten van spieren en pezen werden gevonden, speculeren Witmer en de zijnen dat pterosaurussen grote controle over hun vleugels moeten hebben gehad.

Het onderzoek leverde verder nieuwe informatie op over de houding van pterosaurussen op de grond. Aan de hand van de oriŽntatie van de halfcirkelvormige kanaaltjes, een onderdeel van het evenwichtsorgaan, bepaalden de onderzoekers de stand van de kop. Rhamphorhynchus moet over de grond hebben gekropen, met zijn kop naar voren gebogen. Anhanguera daarentegen zat rechtop, meer zoals vogels, en hield zijn kop onder een hoek van dertig graden naar beneden. Die conclusies komen mooi overeen met eerdere reconstructies van andere paleontologen, die de houding van de pterosaurussen bepaalden aan de hand van het skelet.