In 1997 herontdekt. Op dat moment wist Erdmann nog niet hoe merkwaardig de ontdekking was. Als zeebioloog kende hij natuurlijk het verhaal van de coelacanth, de vis die al miljoenen jaren was uitgestorven leek totdat er in 1938 een exemplaar bij Afrika opdook.

Er resten talrijke vragen. Bij de Comoren blijken ze bijvoorbeeld ware acrobaten. Soms staan ze minuten lang op hun kop met hun bek op de zeebodun rug en de staart recht omhoog. Ook kunnen ze op hun rug zwemmen, zowel voor als achteruit. Niemand weet waarom ze dat doen. Erdmann: Het blijft een mysterieuze, betoverende vis.
 

 


Coelacanthen
Als fossiel zijn de coelacanten al veel langer bekend dan als levende dieren. De eerste beschrijving was afkomstig van de paleontoloog Louis Agassiz, die in 1836 de soort Coelacanthus granulatus uit het Perm beschreef. Sindsdien zijn er verscheidene andere fossielen gevonden, doch geen enkele van na het Krijt.

In december 1938 werd in Zuid-Afrika, bij de monding van de Chalumna, een onbekende vis gevangen. De vis werd naar Marjorie Courtenay-Latimer van het natuurhistorisch museum van East London gebracht. Zij nam contact op met de ichthyoloog James Leonard Brierly Smith, die de vis het volgende jaar onderzocht. Zijn onderzoek bevestigde het vermoeden dat het om een coelacant ging, en hij publiceerde zijn bevindingen in een artikel in Nature.

Smith ging op zoek naar meer exemplaren, en in Zuid-Afrika en elders werd een beloning opgesteld voor een volgende vangst. In december 1952 werd een exemplaar gevangen bij de Comoren. Smith wist het te bemachtigen, en beschreef het exemplaar onder de naam Malania anjouae. De Fransen, die de Comoren als kolonie hadden, waren woedend, en de verdere uitvoer van coelacanten werd verboden. Tot 1965 konden slechts Franse wetenschappers de vissen onderzoeken, en deze deden een minutieus onderzoek naar de anatomie van de dieren.
[bewerk] Uiterlijk

Latimeria chalumnae
Het uiterlijk van een coelacant wijkt af van dat van de meeste vissen. De bouw van de vinnen is anders. Bij de meeste straalvinnigen bestaan de vinnen uit stevige maar flexibele stralen, die aan de huid verbonden zijn. Bij kwastvinnigen zoals de coelacant is dit alleen bij de eerste rugvin het geval. De andere vinnen bestaan uit een gespierde, rond botten opgebouwde stam, die slechts aan het uiteinde een kwast van vinstralen heeft. Typisch voor de coelacanthini is een vergelijkbare, zelfstandig beweegbare vin in het midden van de staartvin.

Vergeleken met de meeste fossiele coelacanten is Latimeria een grote vis, die tot circa 180 cm lang wordt. Op de bovenkant van de kop bevindt zich een uniek, onbekend zintuig. Wat hierdoor wordt waargenomen is onbekend; een mogelijkheid is dat het geluidsgolven uitzendt die door voedsel of prooien worden teruggekaatst, zoals bij een sonar.
[bewerk] Leefgebied

Exemplaar in het KMMA (zijkant)
Behalve het eerste exemplaar, werden tot voor kort alle Latimeria gevangen bij de Comoren, meer specifiek bij twee van de vier eilanden, Anjouan en Grande Comore. Veel wetenschappers vermoeden dat dit het enige hoofdvoorkomensgebied is, maar het zou ook kunnen dat het verspreidingsgebied groter is, en dit slechts het enige deel van het gebied is waar op grotere diepte naar grotere vissen gevist wordt. In 2000 werden coelacanten gevonden bij de kust van Zuid-Afrika.

Een tweede soort, Latimeria menadoensis werd in 1997 door Mark Erdmann en zijn vrouw Arnaz Mehta gefotografeerd op een vismarkt in Manado (Celebes). Toen het doordrong wat voor een ontdekking hij had gedaan was de vis reeds opgegeten en restte alleen nog de foto. Met een foto van de vis benaderde Mark lokale vissers die hem raja laut ('koning der zee') noemen. In 1998 werd een nieuw exemplaar gevangen. Deze Aziatische soort is ongeveer 5 miljoen jaar geleden afgesplitst van de soort die rond Afrika wordt aangetroffen.