Twaalfbaans karresporen -Michiel Hegener

Weinig plaatsen in Nederland hebben zo'n hoge monument-dichtheid als de Ginkelse Heide tussen Ede en Arnhem. Subtiele reliëfverschillen getuigen hier van duizenden jaren menselijke activiteit. Grafheuvels uit de bronstijd en akkercomplexen uit de ijzertijd liggen vlakbij sporen van een kampement voor Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog en van geallieerde luchtlandingen uit de Tweede. Al die verschijnselen zijn goed onderzocht en beschreven. Maar precies waar een grote zwerfkei werd opgericht om september '44 te memoreren, bij de schaapskooi aan de autoweg die de hei doorsnijdt, begint een waaier van aarden monumenten waarover bijna niets bekend is.

 

Onderschrift:
Oude karresporen op het Ballorveld. (Foto: Paul Paris)

Te zien zijn ze duidelijk genoeg: voren van één tot enkele decimeters diep, doorgaans in parallelle paren met ruim een meter tussenruimte. De groeven zijn wat vochtiger dan de belendende grond, zodat ze plaatselijk vol staan met pijpestrootje of bochtige smeele, aan weerszijden geflankeerd door hei of kort gras. Hoe oud de sporen zijn, weten we niet - wel dat Ginkel in de middeleeuwen begaanbaar bos betekende. Ooit schreeuwden hier koetsiers, klapten hier zwepen, zweetten hier paarden, braken hier assen, schoten hier rovers. Nu hoor je alleen de wind en auto's op asfalt, en moeten kilometerslange terreinwelvingen van niks de herinnering levend houden aan een verstreken tijd. In stilte vertellen ze hun verhaal. Soms bijvoorbeeld werd het spoor te mul, of te modderig, en weken de wagens een paar meter uit, tot ook dat tracé onbegaanbaar werd.

Voor de breedste bundels wagensporen van Nederland moet je naar de oostflank van het Ballooërveld in Noord-Drenthe. Sinds de ijzertijd loopt daar een weg, die in recentere eeuwen dienst deed als hoofdroute tussen Groningen en Assen en toen tot bijna een kilometer breedte uitdijde. Ook de weg Harderwijk-Arnhem moet ooit vreselijk breed zijn geweest, ter hoogte van Oud Reemst.

Smeltwatersporen
Latere generaties hadden moeite om deze verkeerscomplexen als zodanig te herkennen. Op het Ballooërveld zie je nu namelijk nauwelijks wagensporen, maar vooral lange, lage ruggen begroeid stuifzand. De zwaarbeladen wagens reden het terrein grotendeels aan flarden. Zand ging stuiven, en kwam deels weer tot rust in de lage bermvegetatie langs de sporen, zodat de primaire profielen werden uitvergroot. De waaiers op het Ballooërveld zijn ooit geduid als smeltwatersporen van terugtrekkend landijs. Anderen hielden het erop dat hier Romeinse legionairs hadden gemarcheerd: voor de veiligheid in carré-formatie, vandaar de omvang. Maar graaf haaks op de sporen een sleuf, en alles wordt duidelijk.

De meeste oude wagensporen in Nederland leiden een verborgen bestaan. In Zwitserland is dat anders. "Daar inventariseert de universiteit van Bern al tien jaar alle oude verkeerswegen," zegt professor Jelier Vervloet, hoofd van de afdeling historische geografie van het Staring Centrum in Wageningen. "Een miljoenenproject. Cultuurhistorisch zijn oude wegen van groot belang. Maar in Nederland is er nog nooit systematisch onderzoek naar gedaan."

Het Staring Centrum inventariseert dikwijls de historische geografie van gebieden waarvoor een nieuw bestemmingsplan moet worden opgesteld of van particulier beheerde terreinen. Zo bezit de Stichting het Goois Natuurreservaat sinds twee jaar een dik rapport over haar historisch relevante glooiingen, waaronder karresporen. Vervloet: "Ze vormen altijd een vast onderdeel van onze onderzoeken. In Het Gooi waren wegaanduidingen op 17e en 18e eeuwse kaarten het startpunt. Aan de hand daarvan vonden we vaak sporen in het terrein - en als je er eenmaal een hebt, is het een kwestie van volgen."

Een oud wagenspoor dat zeer makkelijk is te volgen, bevindt zich niet ver van Vervloets werkplek. Langs de zuidwestflank van de Veluwe loopt sinds eeuwen een doorgaande noord-zuid weg, de Diedenweg, van diets ofwel volks. Langs de weg liggen prehistorische grafheuvels en Vervloet acht het goed mogelijk dat de Romeinen er gebruik van maakten. Nu is de Diedenweg grotendeels verhard, al vermoedt Vervloet dat dwarssecties in het bermlandschap oude tracés zouden kunnen openbaren. Op het laatste stuk, aan de oostkant van Wageningen, voerde de oude weg sterk hellingafwaarts, naar een doorwaadbare plaats in de Rijn, waar nu nog het Lexkesveer vaart. Losgereden grond spoelde eeuwenlang met regenwater richting rivier, en de onverharde holle weg van nu moet een van de diepste wagensporen van het land zijn.

Wachoningon
Ondertussen is de naam Wageningen ook al een hint. Het Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (1988) stelt dat het 12e eeuwse Wachoningon afgeleid zou kunnen zijn van waganing, wagenvoerder of voerman. Aan de andere oever, en 18 kilometer Rijnafwaarts, zou Eck en Wiel volgens dezelfde bron kunnen stammen van eki of ekja, wagenspoor.

Oude wagensporen verdwenen massaal bij het bebossen van zogenaamde woeste gronden tussen 1850 en 1920. Bosaanleg slaagde vaak pas na diep ploegen: eerst met ossen, vanaf ongeveer 1905 ook met stoomkracht. Honderden zo niet duizenden kilometers oeroude wegen moeten toen zijn uitgewist. Het modieuze afplaggen van heidevelden, bedreigt nu een groot deel van het restant. Reden temeer om de inventarisatie van oude wegen in Nederland snel en voortvarend op gang te brengen.

Vaak kan na enig graafwerk een oude weg nog worden gedateerd. Vervloet: "Op lagere plekken is het dwarsprofiel soms gevuld met modder. Als de sporen een tijd vol water hebben gestaan, kan zich daar gyttja hebben gevormd, rottingsslik. Dat is organisch materiaal en dus bruikbaar voor C-14 dateringen.
"

Omdat de onderste gyttja in een spoor zich gevormd moet hebben in de eerste jaren na het passeren van de laatste wagen, zouden veel oude sporen en sporenbundels heel goed te dateren zijn. De oudste wegen zouden dan in ieder geval geïdentificeerd en beschermd kunnen worden. Vervloet signaleert onder planologen, landschapsbeheerders en landschapsarchitecten een groeiende bereidheid om deze en andere historische terreinelementen te sparen en zelfs te accentueren. "Het verschil met vijftien jaar geleden is groot, toen zag niemand het nut ervan in. Maar ook nu zijn er nog steeds betrokkenen die er geen affiniteit mee hebben, die het belang van de natuur voorop laten lopen."

Datum:
15-12-1994 Rubriek: de aarden monumenten van Nederland


Trefwoord:
Natuurbeheer; Milieu; Natuur en Milieu