Kasteelterreinen - Michiel Hegener

Zelden is papier zo nuttig gebruikt als door Roelant Roghman in 1646 en 1647. Op ongeveer tweehonderd vellen bracht hij 150 kastelen in Holland en Utrecht in beeld: meestal met zwart krijt, een enkele keer met pen of potlood, en vervolgens met penseel gewassen voor mooiere grijsnuances.

Roghman, die op zijn negentiende aan het project begon, was zeker niet de enige die kastelen tekende. Alleen hij pakte de zaak systematisch aan, en zijn tekentalent was vrijwel ongeŰvenaard.
 

 

Onderschrift:
Foto: 1. Restanten van het slot Abcoude. Het slot werd voor het eerst vermeld in 1268. In 1820 was de staat van onderhoud zodanig dat het kasteel verlaten werd, waarop het verval snel doorzette. Sloop van de restanten volgde omstreeks 1860; 2. Tekening van het slot Abcoude door Roelant Roghman.
 

In de tweedelige editie van Roghmans kasteeltekeningen die in 1989 bij uitgeverij Canaletto verscheen, rept bezorger dr. H.W.M. van der Wyck van 'een ongekende virtuositeit in de architecturale en landschappelijke weergave', en 'een sfeer van deftige eenvoud en stilte.' Het is een wonderbaarlijk mooie uitgave - met een schrille dissonant aan het eind. Uit een overzichtje op pagina 262 blijkt dat 109 van de afgebeelde kastelen alleen nog op papier te zien zijn.

Lege kasteelterreinen behoren tot Nederlands meest voorkomende aarden monumenten, zeker als ook verdwenen versterkte hoeven en omgrachte huizen worden meegeteld. Sommige zijn allang niet leeg meer, want bedolven onder nieuwbouw. De rest lijdt onder een merkwaardige paradox: hoe minder terreinwelvingen aan het kasteel van weleer herinneren, hoe geringer doorgaans de bescherming. Omgekeerd zou in zekere zin logischer zijn.

Een reeks A1 kasteelterreinen, met duidelijke grachten en liefst nog wat richels en bobbels op het binnenterrein, is goed beschermd bij de Monumentenwet. Maar allerlei diffuse gevallen zijn overgeleverd aan gemeentelijke autoriteiten. Gebrek aan wettelijke middelen is niet het probleem. Er bestaan ook gemeentelijke monumentenlijsten, en door middel van een consequent volgehouden monumentvriendelijke bestemming kunnen bestemmingsplannen ook heel goed bescherming bieden aan veldarcheologische monumenten. Schaarsere hulpmiddelen bij de kasteelterreinbescherming zijn politieke wil, en domweg weten-waar-ze-liggen.

Historisch geograaf Hans Renes besteedt een groot deel van zijn tijd aan het inventariseren van oudheden in het Nederlandse landschap. Met Limburg bijvoorbeeld is hij net helemaal klaar. Planologen in het zuiden kunnen beschikken over zijn tweedelige Geschiedenis van het Zuid-Limburgse cultuurlanschap (van Gorcum, 1988); het minstens zo monumentale Landschappen van Maas en Peel (Eisma, 1995) is in produktie.

'Veel wordt niet geweten', weet Renes. De categorie 'kasteelterreinen' wordt verder vertroebeld door allerlei mistificaties. 'Er bestaat een kastelenboek van de provincie Utrecht uit begin jaren zestig, maar je zou de opgegeven terreinen stuk voor stuk moeten nalopen om te kijken of er wel echt een kasteel heeft gestaan.' Dezer jaren wordt overigens gewerkt aan een landelijke kastelenlexicon: eindelijk een volledige, en goede inventarisatie - maar dat blijkt dan ook verschrikkelijk lastig te zijn.

Renes: 'Bureaus die bestemmingsplannen ontwerpen zijn vaak totaal onkundig op bepaalde deelterreinen zoals archeologie. De goede gebruiken de bestaande inventarisaties, de slechte kijken er totaal niet naar. En de gemeentelijke monumentencommissies worden vaak gedomineerd door architecten: die hebben oog voor bouwkundige aspecten, maar veel minder voor zoiets als een leeg kasteelterrein.'

Hij wil er geen geheim van maken dat er landschappelijke oudheden zijn die zich planologisch makkelijker laten inkaderen dan kasteelterreinen. 'Midden in Schiedam heb je er een met stenen, een ru´ne. Maar zo'n terrein met alleen hobbels en bobbels ligt educatief moeilijker: veel mensen zien er niet zoveel aan.'

Duidelijke borden met uitleg en plattegronden kunnen al veel helpen, en ook een wandelpad is nuttig, betoogt Renes. 'In een nieuwbouwwijk moet je altijd een paar oude elementen laten liggen. Het is een raadsel waarom er nieuwbouwwijken worden ontworpen op wit ruitjespapier. Oude wegenpatronen met boerderijen erlangs geven karakter, je krijgt logische kernvorming en logische wandelroutes.'

Veel kasteelterreinen liggen gelukkig goed beschermd in open terrein, waar ook ruimte is voor conservering van eventuele omliggende bijzonderheden. Een uniek geval is te vinden in de bossen aan de bovenloop van de Heelsumse Beek (bij topografische kaart-co÷rdinaten 455/183). Daar zijn de sporen van een complete nederzetting terug te vinden - een fenomeen dat in bijvoorbeeld Engeland en Duitsland goed bekend is. In Nederland is dit het enige voorbeeld van belang, inclusief een verhoogde kerkplaats, wegen, resten van houtwallen en een hof met gracht. Een afwijkende flora verraadt hier en daar dat stenen fundamenten onder het maaiveld schuilgaan.

Het verhaal circuleert dat het dorp werd vernietigd in de Tachtigjarige Oorlog, maar Renes vindt dat geen afdoende verklaring. 'Het zegt niet genoeg. Want waarom kwamen de bewoners later niet terug? Daling van de grondwaterstand kan de reden geweest zijn, en dan was de verwoesting de aanleiding, niet de oorzaak.'

Ook uniek is wat ons rest van het verdwenen kasteel Oud-Haerlem, anderhalve kilometer ten zuidoosten van Heemskerk. Rond de gracht (goed herkenbaar want deels in gebruik voor de ontwatering) liggen allerlei kleine weilandwelvingen die vermoedelijk herinneren aan een belegering in 1358 en het jaar daarop. Toen Roelant Roghman een jaar of 290 later met zijn schetsboek langskwam stonden er nog een paar stevige stompen in het grasland - en nu is er helemaal niets meer te zien. Alleen onder de grond is nog steen te vinden. Dat geldt overigens lang niet voor alle kasteelterreinen, want als baksteenbron waren ru´nes eeuwenlang in trek.

Roghman moet zich ervan bewust zijn geweest met een uitstervend fenomeen van doen te hebben. Aan de oorspronkelijk militaire functie van de kastelen was in Nederland en omstreken in de 15e eeuw een eind gekomen; daarna stond de stad een eeuw of twee centraal in het defensiebeleid, in de 17e eeuw opgevolgd door waterlinies. Voor zover niet verbouwd tot comfortabele residenties, gingen de oude, tochtige kastelen tegen de vlakte.

Renes: 'Het huidige kasteelonderzoek richt zich heel sterk op de militaire functie en de adel die er woonde. Maar ieder kasteel had ook een eigen economische basis - je moest het ergens van kunnen betalen. Soms waren dat tolinkomsten, veel vaker waren het boerderijen. Het bijbehorende landbouwbedrijf en grondbezit vind ik veel interessanter dan die genealogie. Kastelen waren vaak de kernen van nederzettingen.' Ergo: menig kasteelterrein is de bakermat van de complexe bebouwing van nu. Voor planologen toch iets om rekening mee te houden, ook als er niets meer te zien is.

'De geheel geŰgaliseerde terreinen zijn meestal niet beschermd', aldus Renes, die verder moet vaststellen dat de neiging reliŰf uit te wissen de proporties van een volksziekte begint aan te nemen. 'Er zijn hoogteverschillen en die hoor je kennelijk te egaliseren. Voor het injecteren van mest in landbouwgrond willen boeren het terrein helemaal vlak hebben. Boeren in Holland verhuren hun grond tegenwoordig vaak voor een korte periode aan een bloembollenbedrijf: krijgen ze het weer terug als een biljartlaken. En het opvullen met puin van grachten rond onbekende kasteelterreinen en andere versterkingen - dat zie je ook nog steeds gebeuren.'

Datum: 09-02-1995 Rubriek: de aarden monumenten van Nederland


Trefwoord:
Monumenten; Cultuur; Gebouwen; Kunst en Cultuur; Kunst; Architectuur