De herkomst van het nationale zelfbesef door P.W. Klein; P.W. Klein is emeritus-hoogleraar Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden

Horst Lademacher: Die Niederlande. Politische Kultur zwischen Individualität und Anpassung 742 blz., Propyläen Verlag 1994, f. 187,95

De geleerde Lademacher is gründlich, maar puntig formuleren is er niet bij. Neem de eerste van zijn 742 bladzijden: niet meer dan zes zinnen, maar bijna driehonderd woorden. 't Kan korter. Met de calvinistische soberheid die de hoogleraar aan de Vrije Universiteit siert verbruikte Van Deursen in de eerste zes zinnen van zijn Mensen van klein vermogen nauwelijks vijftig woorden. De kortste zin telt er amper zes.

Lademacher geeft tegenwoordig leiding aan het Zentrum für Niederlandestudien aan de Wilhelms Universität in Münster, maar ooit was ook hij hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Desondanks had hij een zin van bijna honderd woorden nodig om te zeggen dat de Europese economische eenwording nationale identiteit onverlet laat. De gemeenschappelijke taal en geschiedenis rekent hij tot de kern van die identiteit. Zij uit zich in allerlei politieke, economische en culturele eigenschappen.

Met dit uitgangspunt als springplank dook Lademacher in de diepte van de geschiedenis om de Nederlandse identiteit boven water te halen. Hij kwam terecht in de late middeleeuwen. Lademacher verrichtte een indrukwekkende hoeveelheid leeswerk en presteerde het in zijn eentje een overzicht te schrijven van de Nederlandse geschiedenis. Geen Nederlands academisch historicus van tegenwoordig die hem dat heeft nagedaan. Met de vorm van zijn boek valt te spotten, met de inhoud niet.

Het begin ligt in de Bourgondisch-Habsburgse tijd. Voordien waren de Nederlanden alleen een geografisch begrip voor een gebied dat zich buiten het tegenwoordige Nederland oost- en zuidwaarts uitstrekte. Maar de dappere Nevelingen-krijger Siegried uit Xanten in 'Niderlant' hoort niet thuis in de rij vaderlandse helden. Het woord 'Nevelingen' krijgen we al niet goed door de strot. Pas in de vijftiende eeuw doemden de contouren van de Nederlanden op. De Nederlanden - in het meervoud. Van eenheid was geen sprake. De samenleving was een bont allerlei. Identiteit was zaak van groep, stand, stad of gewest.

Voor zover er sprake was van eenwording gebeurde dit door dynastiek ingrijpen van boven af en door middel van huwelijk, koop, vererving, inpandneming of geweld. Ingeklemd tussen Frankrijk, het Duitse keizerrijk en Engeland leidden de Bourgondische Nederlanden als een verbrokkelde personele unie een wankel bestaan. Door hun centrale ligging op een knooppunt van fluviale en maritieme verbindingen stonden de Nederlanden enerzijds bij voortduring bloot aan aanvallen van buiten, maar beschikten zij anderzijds ook over de nodige krachtbronnen om zich binnen de Europese machtsverhoudingen te consolideren.

In dit spanningsveld was geen sprake van stabiel evenwicht. Integendeel, want de interne en externe machtsverhoudingen veranderden voortdurend als gevolg van een ingewikkelde veelheid van factoren. Binnen de rivierendelta zelf kwam het in stad en platteland tot een sterk gedifferentieerde ontplooiing van de sociaal-economische en politieke verhoudingen. Daarmee was de grondtoon van de Nederlandse eenwording gezet. Immers, tegenover de centrale krachten die tot eenheid dreven stond van meet af een arsenaal van particularistische tegenkrachten. 'Gewalt und Gegengewalt', noemt Lademacher dit. Uit hun onderlinge botsing kwam de Nederlandse identiteit voort. Daar vond Lademacher een mooie naam voor: 'Widersetzlichkeit'.

In zijn wat eerder verschenen Nederlandstalige Aula-pocket met goeddeels dezelfde inhoud gebruikte de vertaler Pim Lukkenaer daarvoor de term 'weerspannigheid'. Dat was niet slecht gevonden. Maar het Duitse woord geeft uitdrukking aan zowel de bereidheid tot meewerken als de potentiële neiging tot verzet. En dat is nu juist wat volgens Lademacher de Nederlander vooral kenmerkt. Vandaar de ondertitel van zijn boek. De politieke cultuur van Nederland staat in het innerlijk strijdige teken van het verlangen naar zowel bijzondere individualiteit als aanpassing aan het algemeen gangbare.

Met zijn uitvoerig gedocumenteerde zienswijze steekt Lademacher dieper dan de meeste beschouwingen van de Nederlandse volksaard. Zij voeren doorgaans niet verder terug dan de Opstand tegen Spanje en de Gouden Eeuw waarin de wording van de natie zijn begin heet te hebben. Maar volgens Lademacher kwam die Opstand dus niet uit de lucht vallen. Deze was het uitvloeisel van wat al in de late middeleeuwen was gebeurd.

Maar Opstand en Gouden Eeuw voegden wel degelijk nieuwe elementen aan de Nederlandse samenleving toe. Volgens Lademacher dateert het Nederlandse nationale zelfbesef uit die tijd. Dat zal niet iedere Nederlandse historicus onderschrijven. Bereikte het beruchte particularisme immers juist niet toen zijn hoogtepunt? Zijn verklaring laat op dit punt ook wel wat te wensen over. De 'Europäisierung der Welt' met de Nederlanders als drijvende kracht, zo heet het, vervulde de natie met trots zelfbewustzijn. Door de kracht van zijn individualiteit droeg Nederland bij tot de vorming van het algemene Europese patroon. Nu was de Republiek destijds zeker een grootmacht. Dat zal het zelfbewustzijn wel hebben geschraagd. Maar of men daarbij nu vooral trots was vanwege de prestatie in Europees verband staat te bezien. Het begrip 'natie' bleef tot in de negentiende eeuw maar een vage notie en 'Europa' was al helemaal buiten het collectieve bewustzijn gebleven.

In zijn bespreking van de achttiende eeuw volgt Lademacher keurig de gangbare voorstelling van zaken. 't Was allemaal een onsje minder dan voorheen maar echt slecht was het niet. Pas met de komst van de Patriotten leeft ook Lademacher op. Zij gaven een nieuwe en verlichte inhoud aan de begrippen 'vaderland' en 'natie'. Waar deze in de worsteling om onafhankelijkheid een defensieve strekking hadden kwam de strijd tegen het regentendom nu als een democratisch vooruitgangsoffensief. Alleen de Pruisische interventie van 1787 redde het land van een burgeroorlog en zijn eigen progressiviteit. Uitstel van executie, want de 'Franse tijd' kwam toch.

Lademacher laat na op het onterechte van die benaming te wijzen. Volgens zijn eigen maatstaven was die tijd toch 'Nederlandser' dan ooit, want aanpassing en verzet bepaalden de dagorde. De afbraak van het aloude particularisme was begonnen, de nationale eenheid tekende zich af. Maar Lademacher gaat daaraan voorbij. Hij legt de nadruk op dwang en onderdrukking. Daaronder handhaafde zich alleen zoiets vaags als de culturele identiteit.

Pas na de Napoleontische tijd trad Nederland de nieuwe wereld van 'Modernität und Modernisierung' binnen. Dat is wel een beetje vreemd. Zelf wijst hij er namelijk op dat de Nederlandse achterlijkheid toen voorwerp werd van buitenlandse spot en minachting. Tot het midden van de negentiende eeuw scheen Nederland bevangen door slome slaperigheid, ook al moet men dat nu ook weer niet overdrijven. Daar kwam door de afscheiding van België in 1830 gekwetst navelstaren bij.

Ook Lademacher wijst erop dat daarna de angst voor wat in Europa gebeurde steeds meer op Nederland ging drukken. Maar de natie maakte iets moois van haar angstvallige neutraliteit. Omstreeks 1900 had zij zich zodoende een hoog moreel gehalte aangepraat. Lademacher noemt dat een nieuwe positieve gerichtheid. Wie kwaadaardiger is ingesteld is geneigd te spreken van dom en kortzichtig narcisme. Met het idee beter te zijn dan anderen staat Nederland overigens niet alleen.

De Eerste Wereldoorlog glijdt langs en voorbij. Wij bereiken de twintigste eeuw. Verzuiling. Kerken. Emancipatie, democratisering, enzovoorts. Nauwgezet, bijna kroniekmatig, boekstaaft Lademacher het gebeuren. Dan komt de Tweede Wereldoorlog in zicht. De Nederlandse ambivalentie tegenover het Derde Rijk treedt aan het licht. Afkeer van, verontwaardiging over en verbale kritiek op Hitlers Duitsland lagen in de lijn van Neerlands fiere bijzonderheid. Maar Duitsland was een machtige buurman en de economische belangen waren groot. Ambivalentie dus, als keurmerk van wasecht Nederland. De kleine natie blijft trouw aan algemene humane beginselen. Maar a.u.b. geen bijzondere, grootse daden. Het gebaar volstaat. Buurman maakt je heel woedend - dat moet je hem massaal schrijven - maar bescheidenheid is een sier.

Helemaal aardig wordt het als de Duitser Lademacher toekomt aan de Nederlandse houding in de bezettingsjaren. Haast vanzelfsprekend rangschikt ook hij de samenwerking met de bezetter niet alleen onder collaboratie maar ook onder aanpassing. Het is de opmaat voor zijn beschouwing van de Nederlandse behoefte om altijd maar weer 'goed' van 'fout' te onderscheiden. De Nederlandse geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog geeft er nadrukkelijk blijk van. Zij uitte zich ook in de zuivering, de bijzondere rechtspleging en allerlei kwesties als de Menten-, Aantjes- en Weinreb-affaires. Zij belast nog steeds de verhouding met Duitsland. En nog altijd mag je niet zeggen dat fouten maken iemand nog niet fout maakt.

Volgens Lademacher gaat het om een bepaalde vorm van vriend-vijanddenken. Wie 'goed' is neemt de heersende levenswijze, de gevestigde maatschappelijke verhoudingen, het algemeen gangbare in acht, wie dat niet doet is 'fout'. Maar de werkelijkheid gebiedt het sluiten van compromissen. Nu gebeurt dat in Nederland even goed - en misschien zelfs beter - dan elders. Maar individualiteit staat geen inbreuk op haar waardigheid toe. Het spreken in termen van 'goed' en 'kwaad' weerspiegelt zodoende het Nederlandse onvermogen om zonder omhaal van woorden specifieke aanpassingen zakelijk te beoordelen. Het is beter daarover te zwijgen. In de plaats daarvan liggen algemeen-menselijke principes en eeuwige waarden de Nederlander in de mond bestorven.

Dat onvermogen is niet per se negatief. Soms pakt Nederland daardoor problemen sneller aan dan anderen. Zo worstelt postmodern Nederland met allerlei levensvragen aangaande de verzorgingsstaat, de milieu-problematiek, abortus, euthanasie en drugsverslaving. Na het verkruimelen van de verzuiling tekenden zich al doende nieuwe vormen van individualiteit af. Men vond er al een nieuwe naam voor: het ik-tijdperk.

Op de achtergrond voltrekt zich de gelijktijdige inbedding van Nederland in Europa. Ooit internationale grootmacht, later zelfverklaarde hoedster van de internationale moraal. Het is afwachten geblazen of en hoe het nieuwe Nederland zich zal aanpassen als straks sprake mocht zijn van heuse Europese integratie. Over de geschiedenis kan men pas gerust zijn als ze achter de rug is. Maar dat is helaas nooit het geval, want je geschiedenis blijft met je meelopen.

Datum:

17-12-1994

Sectie:

Zaterdagsbijvoegsel

Pagina:

3

Onderschrift:

Illustratie: STADSBELEG IN DE TACHTIGJARIGE OORLOG

Geografie:

Horst; Europa; West Europa; Nederland; Limburg

Persoon:

Lademacher

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.