Variatie in radioactiviteit van Nederlandse bodem en lucht beschreven

Natuurlijke straling, afkomstig uit de bodem en uit de lucht, levert verreweg de grootste bijdrage aan de totale stralingsbelasting. Menselijk handelen, gedomineerd door medische toepassingen, zinkt hierbij in het niet. De milieunormen zijn in ons land zo streng, dat het maximaal toelaatbare stralingsniveau als gevolg van menselijk handelen zelfs aanzienlijk lager is dan de variaties in de achtergrondstraling. Om goed onderscheid te kunnen maken tussen natuurlijke straling - waarop de mens geen vat heeft - en een extra stralingsbijdrage door industriŽle ongevallen, zoals de ramp in Tsjernobyl, is grondige kennis van de eigenschappen van de natuurlijke component vereist.

Twee bronnen bepalen het stralingsniveau in het buitenmilieu: het radioactief verval van stoffen in de aardbodem, gedomineerd door kalium-40 en de vervalreeksen van uranium-238 en thorium-232, en de kosmische straling afkomstig uit de Melkweg. Onder normale omstandigheden wordt de radioactiviteit in de buitenlucht overheerst door het edelgas radon-222, dat uit de bodem vrijkomt en een halveringstijd heeft van 4 dagen, en zijn kortlevende vervalproducten. De laatste zenden alfa-straling uit en leveren bij inademing de grootste stralingsdosis.

Naar de natuurlijke achtergrondstraling in Nederland is onderzoek gedaan door Roelf Blaauboer en Ronald Smetsers, verbonden aan het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het RIVM te Bilthoven. Ze gebruikten daarvoor gegevens verzameld door het Landelijk Meetnet voor Radioactiviteit (LMR), opgezet naar aanleiding van de ramp bij Tsjernobyl en onlangs nog sterk uitgebreid. Morgen promoveren beide fysici aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift Variations in outdoor radiation levels in the Netherlands.

Het niveau van de kosmische straling (de helft van het totaal) hangt, zo bleek uit de studie, enigszins af van de luchtdruk. Ook zonneactiviteit, die het aardmagnetische veld beÔnvloedt, zorgt voor incidentele veranderingen. De vervalproducten van radon-222 laten een grilliger gedrag zien. De ruimtelijke variatie in het externe stralingsniveau correleert sterk met het bodemtype. In de zomermaanden, bij extreem stabiele weersomstandigheden, kan kort na zonsondergang als gevolg van een temperatuurinversie de concentratie tot het twintigvoudige van de dagwaarde oplopen. Ook de windrichting speelt een rol: de concentraties zijn hoger bij continentale wind uit het zuid-oosten. Het neerslaan van de radondochters op het aardoppervlak verloopt sneller bij regenval. Tijdens een stortbui stijgt het externe stralingsniveau in de buitenlucht dan ook aanzienlijk, om na enkele uren weer terug te zakken.