De vulkaan van Vlieland -Sander Voormolen

In Nederland zijn geen bergen van enige omvang, er komt nergens lava of heet water uit de grond en aardbevingen stellen er ook al niet veel voor. Geologisch lijkt ons land saai. Maar niets is minder waar, blijkt uit het onlangs verschenen boek `De ondergrond van Nederland'.

Geologen boorden en sondeerden in de loop der tijd meer dan drie miljoen keer in de Nederlandse bodem om het profiel en de samenstelling ervan te bestuderen. Doordat de Nederlandse bodem in tegenstelling tot elders in Europa tot op grote diepte bestaat uit zachte lagen, is met relatief eenvoudige middelen tot op grote diepte te boren. Talloze seismografische metingen brachten de onzichtbare aardlagenstructuur verder in kaart.
 


Foto-onderschrift:
Een steekboring van de bodem onder de Uithof in Utrecht. Op een diepte van 1,78 meter begint de Formatie van Echteld, (klei van Rijn- en Maas-sediment. Vanaf 2,22 meter begint het Laagpakket van Wierden (dekzand). Daaronder wederom een rivierafzetting: de Formatie van Kreftenheye (vanaf 5,40 meter). FOTO UIT BESPROKEN BOEKDe Nederlandse bodem bestaat voornamelijk uit zee- en rivierafzettingen, die zich in de loop van miljoenen jaren laagje voor laagje opbouwden. Het is op zich al aardig om te weten hoe deze structuur in het geologische verleden kalm tot stand is gekomen. Maar er zijn ook verrassingen.

Op zoek naar aardgas boorde de Franse oliemaatschappij ELF Petroland ruim 2000 meter diep in de bodem van de Waddenzee ten zuidwesten van Vlieland. Er kwam een onverwacht type gesteente naar boven. Analyse daarvan leerde dat de Fransen recht in een kraterpijp van een prehistorische vulkaan hadden geboord. Het bleek te gaan om een vulkaan uit het Jura-tijdperk van 152 miljoen jaar oud. De vuurkrater is allang niet meer actief; hij is letterlijk dood en begraven.

De auteurs van `De ondergrond van Nederland', allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO in Utrecht, pogen de schat aan informatie over onze bodem op een toegankelijke manier te presenteren. Zij slagen daar helaas slechts ten dele in, omdat zij zich niet los hebben kunnen maken van de professionele formaliteit van hun vakgebied. De tekst heeft daardoor de taaiheid van een collegedictaat. De doorgaans vlot geschreven kaders vormen een uitzondering; dat zijn de krenten in de pap.

Naarmate het boek vordert komen de auteurs de lezer zelfs steeds minder tegemoet. De verklarende woordenlijst achterin het boek dient als doekje voor het bloeden, maar helpt nauwelijks de leesbaarheid te vergroten. Het boek is onderverdeeld in drie secties: `Duurzaam gebruik en beheer van de ondergrond', `De geschiedenis van de ondergrond' en `De opbouw van de ondergrond'. Doordat dezelfde onderwerpen in iedere sectie in hun eigen context worden behandeld, ontbreekt soms de samenhang. Iemand die wil weten hoe de bodem onder zijn eigen woonplaats is opgebouwd, komt daar alleen achter door veel te bladeren en van zijn zoektocht zelf een samenvatting te maken.

Wel is `De ondergrond van Nederland' zeer actueel, het bulkt van gegevens die uit recent onderzoek naar voren zijn gekomen. De resultaten van het recente Nederlandse geologische onderzoek zijn maar weinig bekend, omdat zij vaak verschijnen in sterk gespecialiseerde vaktijdschriften of in ambtelijke rapporten. Daarom is het bijzonder aardig dat zij nu eens gebundeld de revue passeren.

Daarnaast bevat het boek tal van leuke wetenswaardigheden over de Nederlandse bodem. Steenkool vind je bijvoorbeeld niet alleen in Zuid-Limburg. Geologisch onderzoek heeft aangetoond dat onder negentig procent van het Nederlandse vasteland steenkool voorkomt, een voorraad van tweeduizend miljard ton. Het is op dit moment niet rendabel te exploiteren, maar in de toekomst zou dat misschien wel kunnen, bijvoorbeeld door ondergrondse steenkoolvergassing. De steenkoollagen zijn ontstaan uit zeer dikke veenafzettingen die zich vormden in het Carboon. Deze lagen zijn tevens de voornaamste bron van onze nationale aardolie- en aardgasvoorraden.

De Nederlandse bodem mag dan geologisch gezien vooral bestaan uit rivier- en zeesedimenten, toch heeft het een (bescheiden) plaatsje gekregen in de internationale nomenclatuur voor de chronologie van aardlagen. De laatste geologische periode van het Krijt, het Maastrichtien, ontleende zijn naam aan de zuidelijkste stad van Nederland. De Belgische geoloog André Dumont wees in 1849 een kalksteenwand nabij Maastricht aan als typelocatie voor de `etage' van het Maastrichtien. Vele duizenden geologen hebben de groevewand sindsdien bezocht en bestudeerd. Maar omdat de ondergrens van het Maastrichtien in Zuid Limburg niet aan de oppervlakte komt is in 2001 in een steengroeve langs het riviertje de Ardour in Frankrijk een nieuw vast punt geslagen dat het begin markeert van de etage. De naam Maastrichtien is echter behouden gebleven.

Info:

Data en informatie van de Nederlandse ondergrond zijn te vinden op de website dinoloket.nitg.tno.nl De ondergrond van Nederland. Onder redactie van Ed de Mulder e.a., 308 p., TNO, 2003, ISBN 9059860071, prijs 33,92