Platgewalst door de Romeinen
Theo Holleman

Bij opgravingen in Weert naar een nederzetting uit de Romeinse Tijd is een versterkte nederzetting te voorschijn gekomen. Deze vondst biedt een blik in een samenleving die door Caesar werd vernietigd.

 

Foto: 1. Het originele regenboogschoteltje, een Keltische munt uit Hessen; 2. Ingetekende resultaten van het archeologische onderzoek te Weert; 3. Archeologische 'proefsleuf' in het plan Molenakker te Weert; 4. De twee meter diepe spitsgracht van de centrale versterking uit de Late IJzertijd

Volgens de regels moeten amateur-archeologen hun vondsten melden. Dat gebeurt lang niet altijd. In de provincie Zeeland is het aanmeldingspercentage naar schatting slechts een procent en in andere provincies zal het waarschijnlijk niet veel hoger liggen. Hoe belangrijk deze meldingen kunnen zijn, wordt bewezen in het Limburgse Weert. Noordoostelijk van dit stadje, aan de overkant van de Zuid-Willemsvaart, verrijst Molenakker, een nieuwbouwwijk van ongeveer 20 hectare. Hier werd de vondst gemeld van enkele stukken Romeins bronzen vaatwerk. Een aansluitend proefonderzoekje wees uit dat er sporen van een Romeinse nederzetting in de bodem aanwezig waren. De gemeente Weert schiep de mogelijkheid tot opgravingen voorafgaand aan de nieuwbouw en verschafte de financiŽle middelen voor tenminste het eerste onderzoeksjaar. In overleg met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek werd besloten dat de opgraving zou worden uitgevoerd door het Instituut voor Pre- en Protohistorische Archeologie (IPP) van de Universiteit van Amsterdam.

Verrassing
Dr. N. Roymans van het IPP: 'De opgraving in Weert paste in het onderzoek naar lange termijn ontwikkelingen in de bewoningsgeschiedenis van Zuid Nederland. Dit was voor ons een 'laboratorium-regio' waarin we theorieŽn opstelden en modellen testten over de periode van 1200 voor tot 1200 na Christus.'

Het vorige seizoen werd in Molenakker een terrein van 4 hectaren onderzocht, waar Roymans, medewerkers van het IPP en amateur-archeologen van de Stichting Peel / Maas / Kempen in totaal 35 boerderijen hebben opgegraven. Het ging hier om een inheemse nederzetting die kort voor het begin van de Romeinse Tijd (12 voor tot 450 na Chr.) ontstond en standhield tot de derde eeuw na Chr. Roymans: 'Wat we naast die boerderijen tegenkwamen, was grotendeels een verrassing. Er was nog voor de Romeinse tijd een omgreppeling aangebracht. De greppel was 1 meter diep en had aan de binnenzijde een wal. Het is duidelijk dat de greppel een gebied van minstens tien hectaren omringde. Binnen de grote omgreppeling vonden we de omgrachting van een terrein van ongeveer 1,5 hectare Deze gracht was 2 meter diep en 3 meter breed met ook weer een wal aan de binnenkant. Dat is bijzonder. Je kunt zeggen dat de omgreppeling bedoeld was om bijvoorbeeld vee binnen te houden of de nederzetting symbolisch af te bakenen, bij de omgrachting gaat het om een heuse versterking. Het hele complex dateert uit de Late IJzertijd.' Ook de oudste boerderijen van de nederzetting werden in die periode gebouwd, de overige in de Romeinse Tijd. De boerderijen lagen bij elkaar langs de grote, buitenste greppel. Het is mogelijk dat zich op andere plaatsen binnen de omgreppeling nog meer van zulke 'wijkjes' bevonden.

Volgens Roymans was de grote greppel in de Romeinse Tijd al dicht. De omwalling en de begroeiing daarvan zullen nog wel zichtbaar zijn geweest en als afscheiding hebben gediend. Van de centrale omgrachting is eenderde van de 1,5 hectare opgegraven en daarbij zijn geen bewoningssporen te voorschijn gekomen. Ook de grachtvulling leverde nauwelijks vondsten op. Dat wijst erop dat de versterking zelf niet bewoond was.

Roymans: 'Om de vraag naar de betekenis van dit complex te kunnen beantwoorden moeten we kijken naar de stammen-samenlevingen in de Noordwest-Europese laagvlakte tijdens de Late IJzertijd. Toen, en ook nog in de Romeinse Tijd, was veeteelt belangrijk, niet alleen om het vlees en de melk. Vooral runderen hadden een sociale betekenis. Ze werden gebruikt als primitief betaalmiddel, als onderdeel van huwelijkstransacties, als tribuut tussen stammen onderling, als losgeld voor gijzelaars. Het bezit van zoveel mogelijk vee gaf status. Een religieus aspect van runderen hebben we gezien bij het onderzoek naar de tempel van Empel, waar ze als offer-object voor de goden dienden. Het houden van vee was ook verbonden met martialiteit, een soort krijgshaftigheid. Dit kwam tot uitdrukking in de plundertochten, raids. Hoe belangrijk dit soort rooftochten waren, weten we uit soortgelijke samenlevingen, zoals de Keltische uit Ierland. Het was geen kwestie van er op los roven, vee-roof werd in die wereld door allerlei rituelen begeleid. Het werd dus niet als on-ethisch gezien, het gold als een normale manier van politiek handelen. Tribale leiders verkregen er hun aanzien mee. En jonge mannen konden door mee te doen aan een raid hun krijgerschap bewijzen.'

Roymans wijst ook op Caesars verslag van de Gallische Oorlogen als een informatiebron over de nederzettingen in deze streek. Volgens Caesar woonden hier de Eburones, een stamverband waarmee hij veel te stellen had. Toen hij eindelijk de eerste rake klappen had uitgedeeld, sloegen de Eburones op de vlucht. Maar Caesar wilde geen manschappen verliezen bij de achtervolging in het voor Romeinen lastige terrein. Daarom spoorde hij buurstammen aan om het land van de Eburones te plunderen. In boek VI noteerde Caesar: 'De Sugambri, die het dichtst bij de Rijn wonen en van wie wij al hebben verteld dat ze de voortvluchtige Tencteri en Usipetes hadden opgenomen, brachten tweeduizend ruiters bijeen. Op schepen en vlotten staken ze de Rijn over, dertig mijl stroomafwaarts van de plaats waar onze brug was gebouwd en waar Caesar een wachtpost had achtergelaten; ze overschreden de grens van de Eburones, vingen veel verspreide vluchtelingen en maakten zich meester van een grote hoeveelheid vee, voor de barbaren een zeer begeerd artikel. Belust op buit rukten ze verder en verder op. Geen moeras, geen bos hield deze mannen, in oorlog en plundering geboren, tegen.'

De aanleiding voor deze raid mag dan niet de gebruikelijke zijn, met zijn uitnodiging aan de buurstammen speelde Caesar handig in op de oude, regionale gewoonten. Maar hij misrekende zich ook enigszins. Op een gegeven moment hielden de Sugambri de Eburones voor gezien en trokken ze op naar het Romeinse kamp Atuatuca (regio Tongeren).

Roymans: 'Mensen die in de buurt woonden, zullen het complex bij Weert hebben aangelegd. Het fungeerde als vluchtburcht, als versterkte veekraal. Daarin vond de levende have bescherming tijdens kleinschalige militaire conflicten met groepen die hier op rooftocht waren. Dat verklaart ook waarom de ruimte binnen de gracht leeg was. In tijden van nood moest die onmiddellijk volgezet kunnen worden. De groepen plunderaars waren niet groot genoeg om aan een belegering te beginnen. Ze ondernamen alleen actie als onmiddellijk succes verzekerd was en zo'n tweeledig verdedigingssysteem als dit zorgde voor teveel vertraging. Maar een georganiseerd Romeins leger zou er zo overheen zijn gewalst.' Sporen van palissaden werden bij de buitenste, noch bij de binnenste omwalling gevonden. Het is mogelijk dat die begroeid waren. Volgens Caesar was dat in deze streken geen ongebruikelijk verschijnsel. In boek II schreef hij: 'De Nervii hadden van oudsher (-) gebruik gemaakt van een middel om zich gemakkelijker plunderende ruiterscharen uit naburige stammen van het lijf te houden: ze topten jonge boompjes, zodat die laag en in de breedte uitgroeiden en zetten er doornstruiken en braambossen tussen; de zo gevormde hagen leverden verschansingen op, waar men niet doorheen kon dringen, ja zelfs niet doorheen zien.'

Aanwijzingen voor dit soort verdedigende hagen zijn niet aangetroffen en die verwacht Roymans ook niet te vinden. De oorspronkelijke omwallingen werden al in de Romeinse Tijd en daarna in de Middeleeuwen volledig verploegd.

Centrum
Roymans vermoedt dat het complex bij Weert een centrum voor de omgeving was: 'Er is veel organisatie en mankracht voor nodig geweest om deze versterkingen aan te leggen. Daarom vermoed ik dat hier plaatselijke tribale leiders zaten die dat alles controleerden. Misschien is de vondst van een Keltische munt een verdere aanwijzing voor het belang van deze plek. We hebben die munt ter bestudering geleend van de vinder, een amateur-archeoloog. Het is een zogenoemd regenboogschoteltje. Die zijn in Nederland al vaker gevonden maar tot nu toe ging het om hier geslagen stukken in zilver of brons. Dit exemplaar is een gouden munt, uit het Duitse Hessen'.

Omgrachte versterkingen uit de Late IJzertijd zijn in ons land niet eerder aangetroffen. In Noord-Frankrijk en Duitsland, waar het wat reliŽfrijker wordt, lagen er veel, goed zichtbaar op heuveltoppen. Een deel kon worden onderzocht. In het vlakke land van de Noordwest-Europese Laagvlakte werden ze in de Romeinse Tijd al geŽgaliseerd. Alleen toeval, zoals nu bij Weert, kan de onderste resten aan het licht brengen. Tijdens de laatste graafwerkzaamheden stuitte men op het grafveld dat bij nederzettingen en versterkingen hoort. Roymans hoopt het onderzoek volgend jaar dan ook voort te kunnen zetten. Een gesprek met de gemeente Weert over vervolgonderzoek is gaande.

Met de Eburones tot slot, liep het slecht af. Hun koning Ambiorix bleef tarten. Aanvankelijk met geregelde veldslagen, later met een guerilla-oorlog. Caesar pochte dat hij hen als straf volledig had uitgeroeid. Tegenwoordig neemt men dit niet meer zo letterlijk. Maar zeker is wel dat hun voortbestaan als zelfstandige stam niet meer mogelijk was. Restgroepen van Ambiorix' onderdanen zullen zijn opgenomen in de stamverbanden van Tungri en Bataven; die van Weert en omgeving in de Texuandri. Ondanks de prijs die op zijn hoofd stond wist Ambiorix zelf te ontkomen.

Datum: 08-12-1994

Trefwoord:

Archeologie; Kunst en Cultuur; Geschiedenis