Wim KŲhler
Neuroloog van Gijn over de samenhang van lichaam en
 

Hij maakte wereldwijd naam met onderzoek naar de behandeling van beroertes. Maar in de spreekkamer ging het ůůk over de . Gisteren ging neuroloog prof. dr. Jan van Gijn met pensioen. Een interview. Wim KŲhler

Lichaam en geest, of beter gezegd de samenhang van lichaam en geest, lopen als een rode draad door de carriŤre van neurologiehoogleraar prof. dr. Jan van Gijn (1942). Gisteren sprak hij zijn afscheidsrede uit en nu is hij met pensioen. Hij blijft onderwijs geven, en superviseert de polikliniek. Alles met mate. Ik ontruim mijn kamer. Daar zitten we nu nog te praten. Het is zon krappe kamer waar alle stafleden in het Utrechtse Universitair Medisch Centrum genoegen mee moeten nemen, omdat bij de bouw de ruimte aan de patiŽnten is gegund.

De afgelopen twaalf jaar was Van Gijn ook hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, het enige Nederlandstalige wetenschappelijke tijdschrift voor alle dokters. Het was een baan van twee dagen in de week. Ook daar houdt hij mee op.

Zijn bekendheid in de wereldwijde wetenschappelijke wereld dankt Van Gijn aan zijn onderzoeken naar preventie en behandeling van beroertes, dus van herseninfarcten en hersenbloedingen. Wie zijn naam intikt op Pubmed, de database van alle medisch-wetenschappelijke literatuur, treft bijna 400 wetenschappelijke artikelen, vrijwel allemaal over beroertes.

Beroerte-onderzoek gaat over medicijnen, operaties, behandeling en over bloedvaten en hersenen. Dus over lichamen. De rode draad van lichaam en van Van Gijns werk loopt door de doktersspreekkamer.

Ik ben neuroloog geworden, maar heb lang getwijfeld. De psychiatrie trok me ook. Maar de psychiatrie in mijn studententijd in Leiden was erg psychoanalytisch. Bastiaans was er hoogleraar psychiatrie. Hij was een boeiend spreker. Alleen als je weer buiten stond, dan dacht je: waar ging het ook alweer over? En lachend: Kijk, mijn vader was ingenieur. Ik ben dus iemand die een beetje wil concretiseren.

Maar de bleef interessant?

Ja, en het onderwerp kwam weer op mijn weg. Ik werd hoogleraar. En bij de professor komen de moeilijke patiŽnten op spreekuur, waaronder mensen met onbegrepen neurologische klachten. Vaak hadden ze stapels fotos uit de MRI en de CT-scan bij zich, waarop meestal geen afwijking te zien was.

Lichamelijk leek er dus niets aan de hand bij die patiŽnten, maar hun geest voelde lichamelijke pijn?

Waarom moet ik dit kruis dragen, dacht ik in het begin. Maar op den duur vond ik het boeiend. Je merkt dat die mensen hun klachten niet verzinnen, maar dat ze die klachten hťbben. En als er niets op fotos te zien is, dan ga je je afvragen waar die klachten dan zitten. Je voedt jezelf een beetje op in de kleine psychiatrie: persoonlijkheidsstoornissen, depressies, angststoornissen, paniekaanvallen. Dan zie je dat daar pijnscheuten, tintelingen, slecht zien en een zweverig gevoel bij kunnen horen. Die kun je behandelen. Daar had ik in mijn studie nooit iets over gehoord.


Krijgen de medische studenten en toekomstige specialisten dat tegenwoordig wel onderwezen?

Nee, voor lichamelijke verschijnselen bij depressie en angststoornissen is geen onderwijscurriculum. Maar er zijn wel heel veel mensen die ze hebben. Hier in Utrecht probeer ik de neurologen er een beetje in op te voeden. En ik denk dat mijn assistenten dan denken: daar heb je hem weer. Want ik heb het er wel erg vaak over.

In uw afscheidsrede noemt u de psyche een ongrijpbare hersenactiviteit. Is dat uw beste definitie van de psyche?

Ja, je weet zeker dat de psyche - de geest - uiteindelijk bestaat in de werking van cellen, verbindingen, moleculen en elektrische stroompjes. Maar het is zon groot netwerk dat je nog een paar generaties informatietechnologie nodig hebt om er een beetje greep op te krijgen. Dus ja, voorlopig ongrijpbaar.


Het lijkt wel of u de net zoiets vindt als het geloof: het belang ervan kalft af naarmate we meer begrijpen...

Ja, dat denk ik wel.

Hoe hangen en lichaam samen, denkt u, bijvoorbeeld bij mensen met onbegrepen pijnklachten?

Neem als voorbeeld chronische rugpijn. Die zal misschien beginnen met spit, met een gescheurde spier. Maar als de pijn blijft nadat de spier is hersteld, dan komen er signalen uit die rug die in de hersenen gevoeld worden als pijn. Zou je in het ruggenmerg de zenuwsignalen uit die voormalige spitplaats kunnen meten, dan zag je het gebruikelijke rustsignaal: de rug is er nog. Maar onderweg van rug naar hersenen, door aandacht, emoties, eerdere herinneringen, door allerlei dingen die we niet snappen, wordt het een akelige pijnperceptie. Er komt een vicieuze cirkel op gang waardoor een gewone prikkel pijn wordt. Aldus mijn hypothese.

En wat gebeurt er als mensen met zon probleem bij een specialist komen die alleen naar het lichaam kijkt?

Dokters die meer mechanistisch zijn ingesteld kunnen zich niet goed voorstellen dat iemand pijn heeft op een plaats waar niks mis is. Er zijn dokters in Duitsland die voor veel geld die rug toch gaan opereren. Of die zeggen: het zit tussen de oren. Ga maar naar een psychiater. Die psychiater ziet je al aankomen met rugpijn.

Het is in wezen een gebrek van de geneeskunde?


We zien hier het falen van de orgaangeneeskunde die vanaf de achttiende eeuw de geneeskunde overheerste. Toen gingen onderzoekers lichamen van overledenen openen. Ze zagen dat de oude theorie die zei dat ziekte het gevolg was van een onbalans tussen de lichaamsvloeistoffen onhoudbaar was. Ziekte zat in de organen, zagen die onderzoekers. De lever was driemaal te groot, of de nieren waren verschrompeld. Maar in de oude theorie had de wel een plaats. Nu zagen ze hem nergens.

Toen is dus die vermaledijde scheiding tussen en lichaam ontstaan. Wie heeft dat op zijn geweten?

Iedereen wijst naar Descartes, maar die was het niet. Wat hij schrijft over de scheiding tussen lichaam en , deed hij waarschijnlijk om de katholieke kerk niet tegen zich in het harnas te jagen. Ik denk ook niet dat de christelijke filosofie die scheiding erg bepaald heeft. In mijn afscheidsrede zeg ik weliswaar dat een kerk die haar macht ontleent aan het beheer van zielen natuurlijk niet kan tolereren dat het geestesleven van de mens wordt herleid tot iets stoffelijks. De kerk heeft wel remmend gewerkt. Maar ik denk dat uiteindelijk de beperking van de orgaangeneeskunde - die overigens ook zeer succesrijk is geweest - dit probleem veroorzaakt heeft.

Als de psyche grijpbaar wordt, is het onderscheid tussen psychiatrie en neurologie dan nog zinvol?

In het onderzoek geleidelijk niet meer, maar in de spreekkamer wel. Psychotische mensen horen niet in de wachtkamer van de neuroloog.
Mensen die steeds een sleutelbos boven hun hoofd houden uit angst voor vreemde invloeden zouden bij ons misstaan.

In zijn afscheidsrede vertelt Van Gijn het verhaal van een 29-jarige secretaresse met gevoelloze plekken op armen en aan de binnenzijde van de knieŽn, een stijf gevoel in de rechter gelaatshelft, vaak misselijk en met het gevoel of er luchtbelletjes onder de huid zaten. Ze was overal al geweest, kwam uiteindelijk bij Van Gijn terecht die de angststoornis herkende, antidepressiva gaf en uitlegde dat het een ontregelde werking van het zenuwstelsel was. Ze genas.

Hoe vaak ziet een neuroloog iemand bij wie de scheiding tussen lichaam en geest zo duidelijk afwezig is?

Vorige maand had ik in ťťn week twee nieuwe patiŽnten, en allebei hadden ze een angststoornis
. Maar ik heb per week nog maar ťťn middag spreekuur. De hoogleraar neurologie is natuurlijk niet de enige die patiŽnten ziet. Ik houd er wel eens praatjes over voor huisartsen. De massaal voorgeschreven slaap- en kalmeringsmiddelen, waar de huisartsen nu vanaf proberen te komen, gaan volgens mij vooral naar ouderen met angst- en paniekstoornissen. Mensen worden dan suf gemaakt door verkeerde medicijnen. Want van valium word je niet beter.

En uw aanpak volgens de kleine psychiatrie werkt wel?

Ik heb een student gehad die onderzoek wilde doen en die heb ik gevraagd om alle patiŽnten met onbegrepen klachten die ik had gehad nog eens op te zoeken en te vragen hoe het ging. Dat is tot nu toe de enige publicatie over dat hobby-onderwerp, tussen al mijn beroertepublicaties. De helft van die chronische of verloren groep was een stuk verbeterd, of helemaal genezen.

Hoe behandelt u ze dan?

Als je aankomt met het zit tussen de oren, dan heb je ruzie. Terecht, vanuit die patiŽnt gezien. Als je lichamelijke klachten hebt, dan heb je er recht op om door iemand in een witte jas te woord te worden gestaan. Dan moet je niet worden doorgestuurd naar iemand met een vlinderstrikje. Ik begin met die rugpijn en leg uit dat het in de schakelingen tussen zenuwen zit en in de gewenning. En dat je die zenuwen ook weer kunt ontwennen. Dat kan met gedragstherapie, maar dat noem ik vaak niet zo. Ik schrijf de huisarts een brief en vraag of hij die patiŽnt doorverwijst naar een fysiotherapeut of een revalidatiearts die daar slag van heeft. En dan leg ik het de patiŽnten uit met een metafoor. Het alarm staat te scherp afgesteld. Of: de versterker staat te hard. En vervolgens kun je zeggen dat je het weer goed kunt krijgen door het lichaam te laten wennen aan die pijn. Door er anders mee om te gaan. En dat daar programmas voor zijn. Het feit dat je het in lichamelijke termen uitlegt, betekent al dat ze dankbaar de kamer uit gaan, want hier is een dokter die niet is begonnen over levensproblemen.

En dat is dan topreferente zorg, die alleen een academisch medisch centrum kan leveren?

Even een verbaasde blik en dan: Ja, kennelijk zit het zo in elkaar.

Waarom kan een huisarts zon probleem niet oplossen?

Een huisarts - mijn vrouw is huisarts - heeft niet het gezag van een specialist. Ik heb grijze haren, een witte jas, ik werk in een prachtig ziekenhuis met allemaal glimmende apparaten. Het is ook de omgeving. Die heeft een huisarts niet. Die verliest soms gewoon de strijd.

Dus het is een mankement van ons poortwachterssysteem?

Ja, maar dit is niet als verwijt bedoeld. Huisartsen worden zelfs als enigen opgeleid in die psychosomatische hulpverlening. Huisartsen weten wat angst- en paniekstoornissen zijn. Maar als ze erover beginnen, dan zeggen de patiŽnten: dat kan allemaal wel waar zijn, maar maak eerst maar eens een scan van mijn hoofd. De huisarts kŠn het wel, maar hij wordt niet geloofd. De helft van de gesprekken bij de huisarts gaat over de vraag of de patiŽnt naar de specialist mag. Dan hoop je maar dat de huisarts een briefje schrijft voor een specialist die het niet erger maakt. Maar soms gaat het mis.

En dan?

Iemand die ziek is en door ingrijpen van dokters nog zieker wordt, dat is een ramp. Het is vooral het vertrouwen dat een dokter dan schaadt. Ik vind dat een dokter moet weten wat hij doet.

Is de vaardigheid in de 24 jaar dat u hoogleraar was wel toegenomen?

Bij mezelf wel. Maar dat komt door het ouder worden. Als je jong bent, ben je toch een beetje een avonturier.

En in de geneeskunde in het algemeen?

Ja, dan kom je terecht in de paradox van de Rise and Fall of Modern Medicine, het beroemde boek van James le Fanu. Die stelde vast: de dokters kunnen meer, maar de mensen zijn ontevredener. Lachend volgt de conclusie: ja, toen de dokter niks kon, toen waren het pas goede dokters.

En wat is het belangrijkste resultaat van 25 jaar onderzoek?

We hebben een categorie hersenbloedingen ontdekt die ongevaarlijk zijn. De perimesencefale bloedingen, ontstaan door een gesprongen ader. Gesprongen slagaders, die zijn gevaarlijk.
In de zorg voor de patiŽnten met hersenaneurysma hebben we een aantal verbeteringen gebracht. Dat lage doseringen aspirine voor mensen die een herseninfarct hebben gehad net zo goed zijn als hoge. Dat is nu ook tot de Verenigde Staten doorgedrongen. Dat zijn geen wereldschokkende ontdekkingen. Ze zijn niet Nobelprijswaardig. Maar de geneeskunde bestaat uit een bouwsel van hele kleine steentjes. En ik heb er een paar op zijn plaats gelegd. Die zitten vast en gaan niet meer weg.

Prof. dr. Jan Van Gijn Toen de dokter niks kon, toen waren het pas goede dokters