Voorwaarden voor menselijk geluk - Marius de Baar - 13/10/1990

In de zomer van 1948 werd er in
de Verenigde Naties gedebatteerd over dc Universele Verklaring van dc Rechten van de Mens. De Australische gedelegeerde wilde in een bepaald artikel een zinsnede opnemen. waarin stond dat het individu zich alleen vrij en volledig kan ontwikkelen in een samenlevingsyerband.
Verdiept Micheal Freeman zich in allerlei problemen rondom mensenrechten, toen en nu. Mensenrechten zouden anarchistisch zijn en anti-sociale implicaties hebben; zij zouden individueel egoisme onderschrijven en de mens teveel benaderen als geisoleerde atonen Universele mensenrechten veronderstellen universele morele waarden: zij zijn teveel het produkt van het Westen en houden geen rekening met andere culturen.

de natuurstaat een fictie en daarvan was Rousseau
zich bewust, waarin de mens niemand anders nodig had dan zichzelf en gelukkig was.
De overgang naar de samenleving was in het denken van Rousseau een geseculariseerde zondeval: de mensen gingen zich met
elkaar vergelijken en gingen zich anders voordoen dan
zij waren (zelfvervreemding) waardoor zij hun natuur geweld aandeden, Zo ontstond ongelijkheid.

Anders dan Locke geloofde Ferguson niet in een natuurstaat omdat daarvoor het empirisch bewijs ontbrak. En anders dan Rouss-eau geloofde Ferguson dat de mens van nature sociaal. is. Met Rousseau anderzijds was hij weer van mening dat grote ongelijkheid en overdreven welvaartsvorming en, luxe de genealogie vormden van het ongeluk

In zijn Essay on the History of Civil
Society (1767) maakt Ferguson dui delijk dat de mens drie voorname
driften heeft: die tot zelfbehoud, tot het vormen van samenlevingen en
tot de verbetering van zijn huidige situatie Deze drie driften voeren de mens in de enterprise culture ech ter tot de vernedering van waarden en mensen tot materiŽle belangen om werktuigen van welvaart.

Kant vond zijn kwadraat van de cirkel door het verstand op te vatten als het actieve vermogen kennis te construeren op bassis van innerlijke coŲrdinatie a priori (vooraf), uiterlijke waarnemingen en een oordeelsvermogen dat we delen met anderen en dat richting geeft aan het verstand.