Lezen is een oefening in vrijheid; Filosoof Paul Ricoeur over goed, kwaad, fantasie en fanatisme

Door Ger Groot 10 februari 1995 NRC

Hoe leren wij onszelf kennen? Volgens de Franse filosoof Paul Ricoeur gebeurt dat vooral door het contact met anderen. En door het lezen van verhalen. "We zijn voortdurend verplicht te interpreteren wat ons overkomt. De literatuur biedt ons daarvoor het model en het oefenterrein."

Van Paul Ricoeur verschenen recent in het Nederlands: Tekst en betekenis. Opstellen over de interpretatie van literatuur. Uitg. Ambo, 177 blz. Prijs f. 35,-. Het kwaad. Een uitdaging aan de filosofie en aan de theologie. Uitg. Kok Agora, 112 blz. Prijs f. 25,50.

'Mijn werk moet zijn als het instrument dat ik ooit bij mijn opticien in Combrai heb gekocht: het middel waarmee de lezer zal leren zichzelf te lezen'. Paul Ricoeur citeert graag Marcel Proust. "Dat staat aan het einde van Le temps retrouvé (De hervonden tijd)," zegt hij. Het vat in zijn ogen samen wat er gebeurt wanneer we literatuur lezen. "Via andere personages maak ik een omweg, terug naar mezelf. Zo leer ik mijzelf kennen en mijn mogelijkheden uitproberen. Ik lees mijzelf, zoals Proust zegt, met behulp van het instrument dat het literaire werk voor mij is."


Paul Ricoeur is nu 81. Een filosoof met meer dan twintig boeken op zijn naam, die echter nooit een goeroe geworden is, zoals zijn landgenoten Sartre, Lacan, Foucault of Derrida. In Frankrijk is hij altijd een buitenbeentje geweest. Voor het structuralisme heeft hij nooit veel gevoeld. Liever oriënteerde hij zich buiten de landsgrenzen, vooral op het Angelsaksische taalgebied. De laatste jaren wordt hij binnen en buiten Frankrijk met toenemende aandacht gelezen. Wegens zijn precieze argumentatie, maar vooral wegens de thema's die hij aan de orde stelt: de noodzaak van verantwoordelijkheid, het raadsel van het kwaad, het belang van de literatuur, de onmisbaarheid van het 'ik'.


De vraag die Ricoeur het meest aan het hart ligt, zo zei hij tijdens een bezoek aan Amsterdam, is: hoe kan de mens een ethisch wezen zijn, hoe moet hij in elkaar zitten om verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor zijn daden? "Om die vraag te beantwoorden," zegt hij, "heb ik een lange omtrekkende beweging moeten maken. Want wil een mens een verantwoordelijk wezen zijn, dan moet hij over een aantal vermogens beschikken. Hij moet in staat zijn te spreken, te handelen, invloed uit te oefenen op anderen. Hij moet ook zijn verhaal kunnen vertellen." In zijn boeken onderzocht hij die aspecten, met een plichtsgetrouwe zorgvuldigheid, waarin sommigen zijn protestantse geest menen terug te vinden. "Pas wanneer je al die dingen hebt onderzocht," zegt Ricoeur, "kun je opnieuw de vraag stellen naar de ethiek: wat betekent het concreet om verantwoordelijk te zijn? Niet alleen in de zin dat we het gewicht van onze eigen daden kunnen dragen, maar ook dat we in staat zijn beslissingen te nemen in complexe situaties. Ik verbind het begrip 'verantwoordelijkheid' graag met dat van de prudentie in de oude betekenis van het woord: de Latijnse prudentia, het vermogen zich te oriënteren in volstrekt onbekende situaties en daarbinnen morele keuzen te maken."

Ricoeur weet hoe moeilijk dat is. In 1969 accepteerde hij met tegenzin het rectoraat over de universiteit van Nanterre. De revolutionaire onrust smeulde nog; geen bestuurder waagde zich in het hol van de leeuw. Ricoeur zwichtte, misschien ook toen uit plichtsbesef. Zijn rectoraat duurde nog geen jaar. Zijn colleges werden verstoord, een prullenbak werd over zijn hoofd geleegd. Nadat de politie met harde hand de orde had proberen te herstellen, nam hij om gezondheidsredenen ontslag en week uit naar de betrekkelijke rust van de Universiteit van Leuven. Pas drie jaar later keerde hij naar Nanterre terug.

Oer-energie

Ricoeur begon zijn omwegen als christelijk filosoof, onder de invloed van de existentialisten Gabriel Marcel en Karl Jaspers. Belijdend gelovige is hij nog altijd. Maar de religie, zegt hij, levert voor de filosofie of de ethiek geen bijzondere kennis of inzichten op. "Moraal is voor iedereen hetzelfde; er bestaat geen christelijke moraal. Er is wel een specifiek christelijke benadering van die moraal, wanneer de gelovige zich afvraagt: wie kan mij de kracht, de moed, het vertrouwen geven om een moreel mens te zijn? Net als Kant denk ik dat de godsdienst mij niet op mijn plicht hoeft te wijzen. Die ken ik door de rede, door de ervaring. Maar de godsdienst helpt mij wel een soort oer-energie aan te boren, die mij het vermogen geeft aan die plicht te beantwoorden."

Toch kon Ricoeur ook binnen de filosofie de godsdienst niet ontwijken. In zijn eerste belangrijke werk, De filosofie van de wil, stuitte hij vanzelf op het probleem van de 'kwade wil'. Waar komt het kwaad vandaan, is een vraag waarmee theologen en filosofen sinds millennia worstelen, zonder een bevredigend antwoord te hebben gevonden. Het kwaad is in ons bestaan iets ondoorzichtigs, meent Ricoeur. Het onttrekt zich aan verklaringen. Daarom kunnen we het slechts indirect benaderen: via symbolen en verhalen.

"Ik geloof ten diepste dat er in de mens een grond van goedheid bestaat. Maar we kennen slechts een geschiedenis die wordt gekenmerkt door geweld, door leugens, door misdadigheid. Het kwaad is een raadsel: niemand begint ermee, het is er altijd al. Dit ondoorzichtige punt ontsnapt aan verklaring, en daarom vraagt het de omweg van een verhaal. In alle culturen vind je oorsprongsverhalen over een zondeval waarmee het kwaad in de wereld kwam. Eerst was de mens goed, toen deed hij iets dat verboden was en daardoor is hij slecht geworden. Zo'n verhaal is een retorisch middel om het inzicht uit te drukken dat de mens, hoe kwaadaardig ook, uiteindelijk een goede inborst heeft."

Bolster van het kwaad

Natuurlijk, geeft Ricoeur toe, ook het goede is een raadsel. En ook daarover kan alleen maar worden verteld: in scheppingsverhalen, die - zegt hij - misschien nog wel fundamenteler zijn dan de verhalen van de zondeval. Maar terwijl het kwaad ons als iets onbegrijpelijks overvalt, ervaren we het goede als een uitnodiging. We zien het weerspiegeld in wat Ricoeur, met een term uit de joodse traditie, de daden der rechtvaardigen noemt. "Het goede is fundamenteel, ondanks alle drama's in Europa, in de wereld. Ga ik er daarom van uit dat de zaken per se ten goede zullen keren? Daar heb ik geen idee van. Maar wat ik hoop is dat er altijd rechtvaardigen zullen zijn: mensen die in bijzondere situaties bereid zijn bijzondere dingen te doen en daarmee de bolster van het kwaad doorbreken. Mensen die gastvrijheid bieden in tijden van oorlog, die zich in de plaats stellen van de slachtoffers, zoals Emmanuel Levinas zegt. Noem het maar het afleggen van getuigenis: er zijn mensen die getuigen van die grond van goedheid in de mens, die radicaler is dan het radicale kwaad."

Dit humanisme heeft Ricoeur huiverig gemaakt voor het structuralistische klimaat in Frankrijk, waarin de mens door Foucault werd dood verklaard en uit het centrum van de wereld werd gestoten. Dat was een reactie op een lange filosofische traditie die het menselijk 'ik', het subject, zo ver in de hoogte had gestoken dat het bijna de plaats van God had ingenomen. Toen Nietzsche God had dood verklaard, moest op den duur het subject wel volgen. Ricoeur, die zich intensief heeft bezig gehouden met Freud, een van de 'meesters van het wantrouwen' die het geloof in het 'ik' hielpen ondermijnen, begrijpt die reactie. "Maar ik zie die argwaan liever als een test van ons vermogen vertrouwen te hebben in onze diepste bronnen: als sprekend en handelend subject, als subject van een verhaal, als moreel verantwoordelijk subject. Dat heeft ook belangrijke politieke implicaties. Want als er geen subject meer is, wat is dan een staatsburger? De moderne democratie heeft de macht overgedragen aan het volk, dat wil zeggen aan al degenen die in staat zijn deel te nemen aan de openbare discussie. Dat moeten dus subjecten zijn die verantwoordelijkheid kunnen nemen voor wat zij zeggen."

Toch wil Ricoeur niet terug naar het subject uit de moderne filosofische traditie sinds Descartes: de mens die volstrekt onafhankelijk in de wereld staat, alsof hij de enige is en alsof hij in zijn eigen ziel op geen enkel ondoorzichtig plekje kan stuiten. "Ik heb nooit gezegd dat het subject soeverein is, maar wel dat het verantwoordelijk is. Neem de psychoanalyse. Daarin wordt bij de behandelde persoon een hele onderlaag van verdrongen herinneringen, van onbeheersbare processen blootgelegd. Dat is de keerzijde van het subject: dat is zijn archeologie. Maar dat neemt niet weg dat we bij die persoon tegelijk van doen hebben met iemand die op zijn verantwoordelijkheid wordt aangesproken: al was het maar om op tijd te komen op het spreekuur, zich aan de regels van het psychoanalytische spel te houden en niets te verzwijgen, en om zijn analyticus na afloop te betalen.

"We kunnen er dus niet omheen dat er voortdurend een beroep op ons wordt gedaan als sociaal verantwoordelijke subjecten. Alle pogingen om onszelf te reduceren tot willoze elementen in een deterministisch systeem, stuiten steeds weer op dezelfde moeilijkheid: dat we geen systeem kennen dat functioneert zonder de tussenkomst van bewust handelende mensen. Neem een computer: je hebt altijd iemand nodig die op de knop drukt. En daarvóór iemand die het programma heeft gemaakt."

Madame Bovary

De omweg die Ricoeur als methode hanteert spreekt duidelijk uit de titel van zijn meest recente boek: Soi-même comme un autre, 'Zichzelf als een ander'. We kennen onszelf niet, aldus Ricoeur. We leren onszelf alleen kennen via anderen, en zo worden we ook onszelf. Als voorbeeld geeft Ricoeur het doen van een belofte. "Wat wil dat zeggen, een belofte doen? Dat wil zeggen: wat er ook gebeurt, ik zal mijn woord houden. Maar hoe kan ik dat, wanneer er niet iemand is die dat van mij verwacht en op mij rekent? Zo ligt de ander in zekere zin ten grondslag aan mijn vermogen om mijn belofte te houden."

Liever nog grijpt Ricoeur terug op de literatuur, waaraan hij een belangrijk deel van zijn werk wijdde. Ook de literatuur leert de lezer wie hij is. "Lezen is een soort handgemeen tussen lezer en boek. Een strijd, niet een onderwerping, zoals bij de personages Don Quichot of Madame Bovary, die zich volstrekt laten absorberen door de boeken die ze lezen. Het is een afstandelijke houding, waarin ik leer de ruimte van mijn verbeelding te vergroten, alsof ik bepaalde rollen uitprobeer. Dat is een oefening in vrijheid en geeft aan mijn eigen levensovertuigingen een zekere soepelheid en groothartigheid. Door op deze manier andere wegen uit te proberen scheppen we opnieuw ruimte om onze houding te overwegen. Fanatisme ontstaat wanneer iemand niet langer bereid is dit soort denk-experimenten te ondernemen.

"Maar tegelijkertijd moet ik mij er steeds van bewust blijven dat ik van de personages in het boek verschil. Er is altijd een moment van beslissing: hier sta ik. Dat is het moment van mijn verantwoordelijkheid, dat niet verward mag worden met de denkbeeldige ervaringen die ik in het boek beleef."

Koningsroute

'Fictie', schreef Ricoeur in zijn onlangs in het Nederlands vertaalde boek Tekst en betekenis, 'is de koningsroute waarlangs de werkelijkheid herschreven wordt.' In zijn driedelige studie Temps et récit stelde hij al vast dat de menselijke identiteit een kwestie van verhalen is. We zijn personages in talloze geschiedenissen die zich dagelijks ontrollen.

Ons leven krijgt zin en samenhang doordat we in staat zijn de intriges van die verschillende verhalen te ontwaren en te ontwarren. "We zijn," aldus Ricoeur, "voortdurend verplicht te interpreteren wat ons overkomt." De literatuur biedt ons daarvoor het model en het oefenterrein. Niet alleen omdat we bij het lezen experimenteren met uiteenlopende rollen en morele keuzen, maar ook - aldus Ricoeur - omdat ze laten zien wat het betekent te leven in de tijd. De tijd is de ruimte waarin het leven zich ontvouwt, maar - zo hebben filosofen al sinds Augustinus vastgesteld - op de tijd is nauwelijks vat te krijgen. De natuurkunde helpt ons nauwelijks verder, omdat de tijd waarin we leven iets heel anders is dan de tijd die door de klok gemeten wordt. Uren kunnen voorbijvliegen als een seconde, minuten kunnen eeuwen duren. In het begin van deze eeuw werd de Franse filosoof Bergson met die constatering wereldberoemd. Maar, zegt Ricoeur, wat de filosofie niet kan zeggen kan wèl worden uitgedrukt via de literatuur. Deze analyseert de tijd niet door te zeggen wat die is, maar door erover te vertellen.

"De tijd is een dimensie van beweging. Daarin bestaat eigenlijk geen 'nu'. Er zijn alleen coupures in die beweging; die noemen we het moment en van daaruit kunnen we gaan dateren, vooruit of achteruit. Maar alle momenten zijn gelijk, terwijl er slechts één heden is: datgene wat ik nu beleef. Dat moment van de menselijke ervaring is onherleidbaar tot het nu van de klok-tijd. Het staat als een touw gespannen tussen al datgene wat is vooraf gegaan en datgene wat komen gaat. Het spat in zekere zin uiteen naar het verleden - de herinnering - en de toekomst: verlangen, angst, verwachting, enz.

"Over deze menselijke tijd spreken we wanneer we verhalen vertellen. Het verhaal brengt daarin structuur aan doordat het een reeks ontwikkelingen op een coherente manier met elkaar in verband brengt, van een begin tot een einde. Niet vanaf een absoluut begin, maar vanaf het begin van dít verhaal tot het specifieke einde daarvan. Door die modulaties van de tijd heen leer ik mijzelf in het verhaal van mijn leven begrijpen, met de dood als laatste horizon. Het grote verschil tussen het leven en het verhaal is natuurlijk wel dat je de afloop van het verhaal kent, maar niet de afloop van je eigen leven. Dat is het punt waarop het leven aan het verhaal ontsnapt."

Of zou de dood de clou van het levensverhaal zijn: het moment waarop de betekenis van het voorbije leven eindelijk zichtbaar wordt? "Ach," zegt Ricoeur nuchter, "als het een mooie dood is, valt dat voor ons te hopen."