Wie maakt me los

21 januari 1995
HARRY VAN SEUMEREN

'Een welwillend zonnetje gaf de markt op de Lindengracht feestelijke tinten. Het was er druk en vrolijk. Naarmate de vooruitgang en de schaalvergroting voortschrijden op de logge voeten van de robot, groeit de vertedering voor de eenvoudige dingen uit vroeger jaren. De eeuwige markt behoort daartoe. Ik slenterde zů maar langs de kramen. De kooplui zongen de bizarre opera van hun aanprijzingen. Veel bassen. Ik had geen haast en ik hoefde nergens heen - een stemming die grensde aan geluk.'

De verheerlijking van de markt door Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van het VNO, (in de Volkskrant van 17 januari) is wat lastiger te doorgronden dan dit citaat uit de bundel Bemoei je d'r niet mee van Simon Carmiggelt.

Van Rinnooy Kan mag je niets kwaad zeggen van de 'koninklijke route naar werk: markt, markt en nog eens markt'. Hij onderbouwt deze stelling met vier historische ontwikkelingen.

De communistische planeconomie heeft plaats gemaakt voor de zegeningen van de markt. Misschien daar wel, maar hoe komt het dat westerse ondernemers tal van argumenten vinden om deze marktwerking te blokkeren door de oostgrens voor importen gesloten proberen te houden? En bestaat het protectionisme van de Europese Unie ondanks de lobby van de ondernemers?

Er is steeds meer sprake van een wereldeconomie zonder grenzen. Die, zegt Rinnooy Kan met instemming, geeft miljarden mensen in de Derde Wereld kansen op welvaart en welzijn. Het gevolg is natuurlijk dat door deze ontwikkeling de vanouds rijke landen relatief armer worden. De welvaart wordt eerlijker verdeeld. Is het dan niet inconsistent dat het VNO-blad Onderneming van deze week zorgelijk spreekt over deze verarming? Zozeer, dat impliciet wordt betreurd dat Nederland al 140 miljard ontwikkelingsgeld heeft betaald.

Dan is er de individualisering. De burger heeft rekenen geleerd en heeft 'genoeg van schijnsolidariteit en staatsinterventie'. En, na de lange mars van het economische (lees: het ongebreidelde kapitalisme) naar het sociale, gaat de slinger nu terug. 'Het economische slaat terug.'

Kennelijk verlangt Rinnooy Kan niet terug naar het rauwe kapitalisme, maar hij heeft wel genoeg van de 'onderdrukkende bescherming' van de overheid. Zijn maatschappijbeeld wordt bepaald door vooral veel individuele vrijheid, die haar begrenzing weer vindt in individuele verantwoordelijkheid. En naast markt is 'juist nu een stevige overheid' nodig die het onderscheid weet tussen een rechtvaardige en wellevende samenleving, en een zootje calculerende egoÔsten.

Tja, wat wil Rinnooy Kan nu eigenlijk? In zijn visie ziet hij een harmonisch samengaan tussen markt en overheid, zonder primaat voor de een of de ander. Waarom legt hij dan toch weer zo de nadruk op het primaat van de markt en sputtert hij tegen protesten tegen deze monomane verheerlijking?

Die sterke overheid heeft tegenspel nodig. De burger heeft wel wat anders aan zijn hoofd, maar de maatschappelijke organisaties niet, en daarin ligt hun echte betekenis, meent Rinnooy Kan.

Natuurlijk wil hij niet meeregeren, niet onderhandelen, niet dicteren. Het is de taak van de maatschappelijke organisaties hun eigen zaak bij elkaar houden en 'ideeŽn en argumenten uit te wisselen ter voorbereiding op het doorhakken van de passende knoop door de passende partij'.

Dat lijkt erg weinig op een parlementaire democratie en erg veel op corporatisme, waarin het overleg en de harmonie tussen belangengroepen centraal staan, buiten het parlement om. Daarmee bepaalt Rinnooy Kan zijn eigen positie: standwerker op de markt van de Lindengracht.

Harry van Seumeren