Wereldeconomie tussen overvloed en onbehagen

Door HANS BUDDINGH' en MAARTEN SCHINKEL 24 december 1994 NRC
 


Het was een ijzeren electorale wet: wie verkiezingen uitschrijft in een periode van economische voorspoed hoeft zich over voortzetting van zijn regering geen zorgen te maken. In 1994 is met die causaliteit afgerekend. In de Verenigde Staten groeide de economie voor het vijfde achtereenvolgende jaar fors, ditmaal met bijna vier procent. En het aantal banen nam met een recordpercentage toe. Als 'beloning' voor dat resultaat eindigden de verkiezingen voor het Congres in een afstraffing voor de Democratische partij van president Bill Clinton. In Duitsland bezorgde een spectaculaire economische opleving kanselier Helmut Kohl bij de Bondsdagverkiezingen maar tenauwernood de overwinning. En in Engeland, waar de economie meer dan ooit floreert, lijdt premier John Major bij tussentijdse Lagerhuisverkiezingen nederlaag op nederlaag.

Het wringt in de Westerse wereld tussen de officiŽle statistieken en de werkelijkheid van alledag. Overvloed en onbehagen gaan hand in hand. De overvloed manifesteert zich in een bijzonder snel economisch herstel in Europa en een blijvende economische voorspoed in Noord-Amerika. Het onbehagen vloeit voort uit het feit dat de burgers er zo weinig van merken. In oktober was ruim zestig procent van de Amerikaanse bevolking ervan overtuigd dat de Verenigde Staten zich nog steeds in een recessie bevonden.

De werkloosheid vormt maar een deel van de verklaring voor het slechte maatschappelijke humeur. In de Europese Unie is het werkloosheidspercentage van ruim 11 procent inderdaad hoog, maar in de Verenigde Staten is de omvang met 5,6 procent bepaald niet dramatisch. Aan beide zijden van de Atlantische Oceaan zien de burgers dat de herstructurering bij overheid en bedrijfsleven ondanks de economische opbloei gewoon doorgaat. De 25 industrielanden landen die zijn aangesloten bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gaan gebukt onder een staatsschuld van gemiddeld bijna 70 procent van het bruto nationaal produkt, omdat tijdens de vorige conjunctuurtop de overheidsfinanciŽn onvoldoende zijn gesaneerd. En bedrijven zien zich door de sterkere internationale concurrentie gedwongen om van kostenbeheersing en rationalisering een continu proces te maken. Het gevolg is dat burgers en werknemers tot hun verbazing worden geconfronteerd met teruglopende openbare voorzieningen en een gevecht op het loonfront dat de laatste jaren en ook in 1994 in de regel uitmondde in een reŽel verlies aan koopkracht.

Dat kan het komende jaar veranderen. De hogere economische groei is goed voor het zelfvertrouwen van het bedrijfsleven, helpt de overheid haar tekorten op minder pijnlijke wijze weg te werken en kan de werkgelegenheid, zij het langzaam, op een hoger plan tillen.


Dat vooruitzicht zal het onbehagen bij de Westerse burger maar gedeeltelijk wegnemen. Een belangrijker verklaring van de electorale tegenspoed lijkt eerder - wanneer we ons althans tot de economie beperken - het feit dat politici veel minder dan voorheen in staat zijn aan de economische ontwikkelingen vorm te geven. Dat schept grote onzekerheid bij burgers over de bestendiging van de eigen welvaart en het vermogen van hun overheid daar voor te zorgen.

De globalisering van de financiŽle en de reŽle economie holt de functie van de nationale regeringen op alle fronten uit. De kracht van de sterk geglobaliseerde financiŽle markten is ook in 1994 toegenomen. Een land dat met het monetaire beleid of de overheidsfinanciŽn te veel uit de pas loopt, wordt op de markt onverbiddelijk gestraft met een waardedaling van de nationale munt en een stijging van de rente.

Op wetgevend terrein zijn veel taken in Europa, zoals de marktordening en -regulering afgestoten naar Brussel. In de reŽle economie tenslotte groeit de wereldhandel steevast sterker dan de produktie en globaliseert het bedrijfsleven, waardoor de internationale economische interactie de nationale economische dynamiek overstemt. Het aandeel van staats- of semi-staatsbedrijven in de totale economie neemt met elke privatisering af, en 1994 kende een hoogtepunt aan privatiseringen of plannen daarvoor. Ook hier boeten de nationale overheden aan invloed in.

Een door de tucht van de markt afgedwongen prudent beheer van de overheidsfinanciŽn en het voeren van een arbeidsmarktbeleid lijken zo de twee laatste stellingen waarop de nationale economische politiek haar soevereiniteit nog overeind houdt.

Waar het steeds meer buiten de macht van de politiek ligt om de economische context van de samenleving te beÔnvloeden, klinkt het ongeloofwaardig wanneer regeringen de eer opeisen voor een economisch herstel. En dat is, getuige de verkiezingsuitslagen in 1994, veel kiezers niet ontgaan.

De voor de Westerse landen in 1995 voorziene groei van drie procent, die volgens de OESO en de Europese Unie moet uitmonden in een duurzame opleving tot het jaar 2000, steekt overigens mager af tegen de recordcijfers waarop opkomende economieŽn kunnen bogen.

Ook dit jaar wordt de economische groei in de OESO-landen (2,8 procent) elders vaak met het dubbele of meer overtroffen. Uitschieters zijn nog steeds de landen in Zuidoost-AziŽ, waar groeicijfers van 7 tot 9 procent geen uitzondering zijn. Latijns-Amerika heeft de schuldenproblemen al lang achter zich gelaten. Vluchtkapitaal keert terug, directe buitenlandse investeringen en beleggingen nemen een hoge vlucht. In het vocabulaire van de belegger is 'ontwikkelingsland' definitief vervangen door emerging market. In Oost-Europa werpen de economische hervormingen steeds meer vruchten af. Rusland blijft weliswaar met een opnieuw negatieve groei nog ver achter, maar inmiddels werkt volgens verschillende schattingen al bijna zeventig procent van de bevolking in de particuliere sector. Voor de voormalige Sovjet-staten als geheel voorspelt het Internationale Monetaire Fonds volgend jaar, voor het eerst, weer een minieme positieve groei.

Pag.18: 'Noorden' profiteert van groei 'Zuiden'

De Westerse burger is er lang niet van overtuigd dat de triomf van het kapitalisme en de revolutionaire innovatiegolf de levensstandaard in de hele wereld zal verbeteren. Gaat de welvaartsgroei in het 'Zuiden' niet ten koste van die in het 'Noorden'?

Veel politici in de rijke landen lijken onder invloed van een op drift geraakt electoraat gevoelig voor de gedachte dat de concurrentiestrijd een zero-sum-game is - wat de eťn wint, verliest de ander. Op grond van de historische ervaring is hiervoor geen enkel bewijs. Gegevens van de OESO wijzen juist steeds weer op het tegendeel. Neem de handelscijfers van dit jaar. De export van de OESO-landen naar elders steeg in 1994 volgens een voorlopige schatting met 9 procent, terwijl de import uit het niet-OESO-gebied met 8,8 procent groeide. Ook in 1995 (9,9 vs. 9,2 procent) en in 1996 (9,7 vs. 8,7 procent) zal de export van de 25 rijke industrielanden naar de landen buiten de OESO sneller toenemen dan de import uit dit gebied. De import van 'ontwikkelingslanden' komt voor niet minder dan tweederde uit het OESO-gebied. China klom sinds 1980 op de wereldranglijst van exporteurs van de negenentwintigste naar de elfde positie, maar maakte ook op de ranglijst van importeurs een enorme sprong naar de elfde plaats.

De globalisering legt ook het rijke Westen in termen van economische groei geen windeieren. Maar kost de toenemende concurrentie van buiten de OESO dan geen banen in de rijke industrielanden? De eerder dit jaar verschenen uitvoerige Jobs study van de OESO rechtvaardigt geenszins een dergelijke conclusie. Volgens dit gezaghebbende rapport is de belangrijkste oorzaak van de werkloosheidsgroei niet het lage loonpeil elders, maar het gebrek aan vermogen tot aanpassing en innovatie in de meeste OESO-landen zelf. Het meest significant is dat volgens recent onderzoek banen in de exportsector 17 procent meer opbrengen dan die in de importvervangende sector. De oorzaak is simpel: hooggeschoolde banen zijn juist te vinden in de exportsector die immers het meest aan buitenlandse concurrentie is blootgesteld. De Aziatische landen hebben er volgens de Wereldbank in belangrijke mate hun spectaculaire groei aan te danken.

Het afgelopen jaar heeft zich tijdens de speciale wereldtop in het kader van de zeven grootste industrielanden G7 over werkgelegenheid voor het eerst een duidelijke consensus afgetekend tussen de belangrijkste handelsblokken over werkloosheidsbestrijding. In continentaal Europa is definitief het besef doorgebroken dat flexibilisering en deregulering van de arbeidsmarkt onontkoombaar is. Tegelijkertijd zien de Angelsaksische landen in dat meer inspanning op het gebied van scholing nodig is om de groei van kwalitatief goede banen zeker te stellen.

Een volgende uitdaging dient zich aan. Een aantal landen van buiten de OESO concurreert niet langer louter met goedkope arbeid. Ook de technologische kennis is in hoog tempo gemondialiseerd. Taiwanese ingenieurs ontwerpen pc's, hun Israelische en Indiase collega's brengen geavanceerde software op de markt. De moderne informatietechnologie maakt het in principe mogelijk vrijwel overal alles te produceren. Alleen al dit jaar werd in de hele wereld meer dan tien miljoen kilometer glasvezelkabel gelegd. De komende jaren zal dat volgens deskundigen telkens twintig procent meer zijn. Schepping van welvaart wordt in hoog tempo 'gedemocratiseerd' in de wereldgemeenschap. Nauwelijks tien jaar geleden was het nog de vraag hoe de landen in het 'Noorden' die in het 'Zuiden' konden bijstaan in de bestrijding van armoede en schuldenlast. Inmiddels doet elektronica-gigant Samsung uit het voormalige 'ontwikkelingsland' Zuidkorea een hoogwaardige investering van meer dan een miljard gulden in Engeland. Een betere illustratie van de voordelen die de 'democratisering' van de welvaartschepping ook voor het Westen oplevert is nauwelijks denkbaar.

Het jaar 1994 is een mijlpaal geworden. De ratificatie door het Amerikaanse Congres van het GATT-verdrag over verdere liberalisering van de wereldhandel heeft de weg vrijgemaakt voor de totstandkoming van de World Trade Organisation (WTO). Voor het eerst krijgt de wereld een multilaterale handelsorganisatie. Door de reikwijdte van het wereldhandelsakkoord (het omvat vrijwel alle economische sectoren) en de vergaande bevoegdheden van de WTO bij het beslechten van handelsconflicten is het woord van de sterkste niet langer wet.

Hiermee zijn de contouren zichtbaar geworden van een nieuwe wereldeconomische orde. Of ook verdere stappen zullen worden gezet? Het lijkt er sterk op dat met de WTO voorlopig het maximale is bereikt. Toen president Clinton afgelopen juli tijdens de top van de G7 in Napels zijn ambitieuze 'Open markten 2000' lanceerde, moest hij door verzet van de andere landen bakzeil halen. Het wereldhandelsverdrag kon slechts met moeite door het Amerikaanse Congres worden geloodst.

De recessie in 1993 leidde in de Westerse wereld tot nog niet veel meer dan een kritisch zelfonderzoek. Dit jaar volgden in vrijwel elk betrokken land concrete maatregelen ter flexibilisering van economie en arbeidsmarkt. Internationaal bleef het buiten de ratificering van het wereldhandelsakkoord voornamelijk bij goede voornemens. Voor de 'architectuur van de 21-ste eeuw' waarover tijdens de top in Napels werd gesproken, kon slechts een deel van het fundament worden gelegd.

Misschien kan de Westerse burger 1995 goed benutten om de snelle veranderingen in de wereldeconomie mentaal te verwerken. De nationale staat kan zijn burgers niet langer afschermen van economische invloeden van over de grens. Voor zijn bestaanszekerheid zal de burger steeds meer op zichzelf zijn aangewezen. Het kost misschien enige moeite, maar de vier miljard goedkope arbeiders die zich als concurrenten op de wereldmarkt hebben gemeld, kunnen evengoed worden beschouwd als toekomstige consumenten waaraan geld kan worden verdiend. De overvloed van 1995 en de jaren daarna kan de Westerse burger er misschien van overtuigen dat zijn onbehagen zonder grond is.
Converted with the trial version of Word Cleaner
To remove this message click here to buy the full version now.