Nederland is populair bij buitenlandse bedrijven - Door FERRY VERSTEEG 23 maart 1995 NRC

Nederland is nog steeds aantrekkelijk als plaats van vestiging voor buitenlandse ondernemingen. De laatste vier jaar vestigden zich in zeven landen in Noordwest-Europa 686 ondernemingen uit de Verenigde Staten, Japan en ScandinaviŽ - 22 procent daarvan koos voor Nederland. Maar er is een keerzijde: "Hoe houd je buitenlandse vestigingen in Nederland vast?"

Steeds vaker wordt Nederland opgeschrikt door onderzoeken en berichten dat talrijke Nederlandse bedrijven overwegen hun activiteiten naar het zoveel goedkopere buitenland te verkassen. 'Global sourcing' heet dat in vaktaal. Afgelopen januari was het weer raak. Toen publiceerden onderzoekers van de Amsterdamse Vrije Universiteit en de exportfederatie Fenedex een opzienbarend onderzoek dat de voorpagina's van de meeste serieuze kranten haalde en waaraan in het VU-auditorium zelfs een heus seminar werd gewijd. Daarin werd gemeld dat niet minder dan 37 procent van de internationaal georiŽnteerde vaderlandse bedrijven overweegt binnen vijf jaar gemiddeld 20 procent van de activiteiten naar lage-lonenlanden over te brengen.

Dreigt Nederland leeg te lopen? Helaas konden de onderzoekers geen inzicht bieden in de belangstelling van buitenlandse investeerders in Nederland. Toch zou dat waarschijnlijk een evenwichtiger en vooral ook rustgevender beeld hebben opgeleverd. Want is Nederland niet traditioneel een land met een enorme in- en uitstroom van investeringen?

Iemand die, wat die buitenlandse interesse voor Nederland betreft, de vinger redelijk op de pols heeft is Renť Buck van het Nijmeegse Buck Consultants International. Dat adviesbureau verdient zijn brood voor een goed deel met het adviseren van voornamelijk Amerikaanse en Japanse bedrijven die in West-Europa aan de slag willen. Uit Bucks zojuist verschenen en in opdracht van Economische Zaken vervaardigde rapport 'Buitenlandse Investeringen in West-Europa' blijkt dat de buitenlandse interesse voor investeringen in Nederland naar Westeuropese maatstaven heel behoorlijk, om niet te zeggen groot is.

Gedurende de periode 1991 tot en met 1994 vestigden zich in West-Europa (Duitsland, Groot-BrittanniŽ, Frankrijk, Ierland en Benelux) in totaal 686 buitenlandse bedrijven en daarvan kwamen er 149 of 22 procent in Nederland. Die 686 brachten (direct) 49.355 arbeidsplaatsen mee, waarvan er 5.920 of 12 procent bij ons belandden. Renť Buck: "Die percentages van 22 en 12 zijn natuurlijk goed als je ze afzet tegen de 7 procent die het Nederlandse bruto nationale produkt uitmaakt van het bnp van de zeven onderzochte Westeuropese landen samen." Al met al zitten er naar Bucks schatting nu zo'n 6.000 buitenlandse bedrijven in Nederland die aan 325.000 mensen (direct) werk bieden.

Nederland blijkt volgens het rapport-Buck-EZ vooral aantrekkelijk voor diensten-gerichte bedrijven uit het buitenland. Zo gingen er van de 159 Amerikaanse en Japanse hoofdkantoren, die zich de laatste vier jaar in West-Europa vestigden, niet minder dan 52, dat is 30 procent, naar Nederland. Wat Europese distributiecentra betreft, scoorde Nederland nog beter. Van de 88 nieuwe Amerikaanse en Japanse centra gingen er niet minder dan 42, of 48 procent, naar Nederland. En van de 22 nieuwe 'call centers' - centrales voor telefonische klantenondersteuning - gingen er 9 (41 procent) naar Nederland.

Wat de komst van buitenlandse produktiecentra betreft, die doorgaans ook de meeste werkgelegenheid meebrengen, scoorde Nederland met z'n kleine markt minder. Van de 326 Amerikaanse, Japanse en Scandinavische produktievestigingen (resp. 236, 90 en 31) gingen de afgelopen vier jaar maar 34 of 11 procent naar Nederland. En van de 45 Amerikaanse, Japanse en Scandinavische research , development centra kwamen er 5 - eveneens 11 procent - naar ons land. Kortom wat de buitenlandse investeringen betreft zat Nederland de laatste vier jaar ruim boven het percentage waar het gezien z'n omvang recht op had.

Toch blijft die meevaller betrekkelijk. Want uit het rapport-Buck-EZ blijkt ook dat het totale aantal buitenlandse investeringen in West-Europa - behalve waar het de nieuwe call centers betreft - flink is teruggelopen. Kwamen er in 1991 nog 69 Amerikaanse en 34 Japanse produktievestigingen naar West-Europa, in 1994 waren dat er resp. 46 en 10. Andere sectoren toonden soortgelijke dalingen.

Natuurlijk speelde de economische teruggang in Europa een rol. Maar Buck bespeurt nog drie, minder conjuncturele redenen: "Ten eerste besteden Amerikaanse en Japanse ondernemingen nu meer uit aan bestaande bedrijven in West-Europa. Dat is absoluut een trend die wij in ons onderzoek niet meenamen want wij tellen alleen nieuwe - 'green field' - ondernemingen. Ten tweede zijn overnames, met name in de voedings- en genotmiddelensectoren, meer interessante investeringsopties geworden. En in de derde plaats zie je dat aan de vooravond van Europa '92 vele buitenlanders zich in de gemeenschappelijke markt vestigden en nu eerder denken aan uitbreiding van al bestaande faciliteiten."

Is het Łberhaupt mogelijk inzicht te krijgen in de omvang van de kapitaalstromen die Nederland in- en uitgaan? Ook Renť Buck vindt dat een lastige vraag. "De Nederlandsche Bank geeft wel de globale kapitaalstromen", zegt hij op doceertoon, "maar het is vaak onduidelijk wie/wat daar in/achter zitten." Daar komt volgens de Nijmeegse onderzoeker het probleem van de holding-cultuur bij, die bij ons door fiscale stimulansen sterk is ontwikkeld. "Als een Japans bedrijf via een holding in Nederland een produktievestiging in Schotland opent, krijg je een louter financiŽle stroom Japan-Nederland-Schotland maar een produktieve stroom Japan-Schotland." Buck knoopt daaraan vast: "Eind jaren tachtig kwam volgens opgaven van het MITI, het invloedrijke ministerie van handel en industrie in Tokio, een derde van alle Japanse investeringen in Europa naar Nederland. Maar toen wij hier naar Japanse produktie-investeringen keken, kwamen we uit op iets minder dan 10 procent. In het gat zitten vrijwel zeker die tamelijk nominale holdings waar voornamelijk de belastingdienst wat wijzer van wordt."

Uit een onlangs uitgelekte nota van staatssecretaris Vermeend (financiŽn) blijkt dat Nederland het, via een verruiming van het zogeheten 'ruling-beleid', voor buitenlandse bedrijven aantrekkelijker wil maken zich hier te vestigen. (Een ruling is de mogelijkheid voor een bedrijf om met de belastinginspecteur een regeling ŗ la carte te treffen.) Dat lijkt een hoogst welkome ingreep, vooral sinds Price Waterhouse enkele jaren geleden uit een enquÍte onder belastinginspecteurs concludeerde dat Nederland door fiscale bekrompenheid 'voor miljarden' aan buitenlandse investeringen dreigde mis te lopen of al mis had gelopen. "Elke verbetering van het fiscale klimaat is vanzelfsprekend meegenomen", verzekert Renť Buck. "Maar de veronderstelling dat wij daarmee ons marktaandeel fors zouden kunnen opschroeven, komt neer op een denkfout. Dat is gewoon niet zo."

Buck verduidelijkt: "Wij gebruiken bij de beoordeling van de aantrekkelijkheid van Europese regio's voor buitenlandse investeerders negen vestigingsfactoren. En het 'fiscale klimaat , financiŽle stimuleringsmaatregelen' is daar slechts ťťn van. Zeker niet minder belangrijke factoren zijn bijvoorbeeld 'bedrijfsklimaat' (internationale oriŽntatie, nabijheid van toeleveranciers, technologische instituten en andere diensten), 'arbeidsmarkt' (arbeidskosten en produktiviteit, aanwezigheid van gekwalificeerd en gemotiveerd personeel) en 'infrastructuur'.

Buck inventariseerde ook de in 1994 voor 1995 aangekondigde Amerikaanse en Japanse investeringsplannen in de genoemde zeven Westeuropese landen: Van de 5 Amerikaanse bedrijven die in 1995 hoofdkantoren in West-Europa willen vestigen, komen er 3 naar Nederland en het ene Japanse bedrijf dat dit wil doen, denkt ook aan ons land. Van de 6 aangekondigde Amerikaanse distributiecentra willen er 3 naar Nederland komen, terwijl de Japanners op dit punt geen plannen hebben. Wat de produktievestigingen betreft zijn de voornemens voor Nederland aangenaam verrassend: van de 51 aangekondigde Amerikaanse produktie-projecten zijn er 11 op ons land gericht, en van de 12 Japanse projecten zouden er 4 naar Nederland gaan.

Vanwaar deze groei van het Nederlandse aandeel in deze sector tot resp. 22 en 33 procent, tegen 10 en 11 procent in de voorgaande vier jaar? Volgens Renť Buck wordt dat veroorzaakt door de 'value added logistics', dat wil zeggen de vervlechting van de distributie/logistiek, waarin Nederland traditioneel sterk, is met de produktie. Zo pleegt een bedrijf als Nedlloyd al tijdens de distributie bepaalde modulaire produkten te assembleren. "Dat is een opvallende nieuwe trend waarmee wij ons als distributieland ons voordeel kunnen doen", aldus de enthousiaste Buck.

Hij noemt verder het voorbeeld van een Amerikaanse fabrikant van 600 soorten medische tapes, verbanden en zwachtels. "Zo'n bedrijf wil de Europese markt op en zit met de volgende afwegingen. Moeten wij onze 600 produkten naar West-Europa exporteren en daar een opslagmagazijn neerzetten? Gaan wij een fabriek in Europa bouwen waar wij die 600 produkten zelf maken? Of transporteren wij onze grondstoffen naar Europese distributiecentra, waar ze tijdens het distributieproces worden versneden, verwerkt en 'geassembleerd' en in recordtijd bij de klanten kunnen worden afgeleverd? Buck: "Je ziet dat deze laatste methode, de value added logstics dus, sterk aan populariteit wint. Dat wij in 1995 11 van de 51 Amerikaanse en 4 van de 12 Japanse produktievestigingen binnen halen, heeft daar beslist mee te maken. Wij moeten daar goed op inhaken."

Renť Buck ziet tot slot nog een uitdaging aan het vaderlandse adres: "Hoe slagen wij erin om buitenlandse bedrijven in Nederland vast te houden? " Dat is allang geen overbodige vraag meer. Buck verwijst naar BAT in Amsterdam, Michelin in Den Bosch of NB in Ter Apel, buitenlandse bedrijven die onlangs naar elders werden verkast. "Vroeger was een lokatiekeuze bij wijze van spreken voor eeuwig", stelt de onderzoeker vast. "Maar vandaag de dag zie je steeds vaker evaluaties tussen door. Bij grote internationale bedrijven is het op topniveau een bijna permanent agendapunt geworden: hoe zetten we onze middelen optimaal in? Wordt het Ter Apel, Ierland of Thailand?"

Buck: "Je mag er dus vanuit gaan dat vele buitenlandse bedrijven in Nederland de komende jaren door verdergaande mondialisering onderwerp van heroverwegingsoperaties worden. Het is niet gelijk een kwestie van sluiten of niet-sluiten, het gaat veel sluipender. Neem een bedrijf dat vier vestigingen in Europa heeft en de Nederlandse vestiging krijgt nooit de nieuwste produkten, dan zit je al op een hellend vlak. Dus staat Nederland voor de belangrijke vraag: welke verankeringsstrategieŽn hebben we om er voor te zorgen dat het buitenlandse bedrijf hier blijft? Dat kan neerkomen op het helpen en stimuleren van toeleveranciers en het organiseren van (om)scholingsprojecten bij de invoering van nieuwe produkten en technieken. Kortom regionale ontwikkelingsmaatschappijen en besturen moeten knelpunten voor buitenlandse bedrijven wegnemen, het hen redelijkerwijs naar de zin maken en ze zo inbedden dat ze blijven. Dat hoort de komende jaren een belangrijk punt van economisch beleid te worden."