Mijden aandelen is veel riskanter'; Effectenkantoor Barclays steekt aandeelhouders hart onder de riem

Door onze redacteur FRANK VAN ALPHEN

AMSTERDAM, 30 JAN 1993 NRC. In alle jaaroverzichten over 1992 te lezen vieldat obligaties de belegger veel meer opbrachten dan aandelen. Toch brengt het niet opnemen van aandelen in een beleggingsportefeuille grote risico's met zich mee.

Deze conclusie staat in de jaarlijkse publikatie van effectenkantoor Barclays de Zoete Wedd, waarin het rendement van Nederlandse obligaties en aandelen sinds 1947 met elkaar vergeleken wordt. Het rapport, dat volgende week voor de zesde keer in successie bij een groot aantal institutionele beleggers op de deurmat valt, plaatst de ontwikkelingen op de financiŽle markten in 1992 in een breder perspectief.

"We zijn in 1988 met deze publikatie begonnen", zegt Frans van Schaik, analist bij Barclays de Zoete Wedd Nederland en auteur van het rapport. "In eerste instantie was de bedoeling met name de kleinere pensioenfondsen en verzekeraars ervan te overtuigen dat aandelen op den duur echt meer rendement opleveren." Portfoliomanagers die bij institutionele beleggers beslissen over de vraag waarin wordt belegd, konden met dit rapport in de hand hun directie weer overtuigen van de noodzaak meer in aandelen te beleggen.

"Aandelen worden nog steeds gezien als risicovol, maar in feite is het veel risicovoller om niet in aandelen te beleggen", zegt Van Schaik. "Aandelen bieden immers een veel betere bescherming tegen inflatie dan obligaties. Dat is juist voor pensioenfondsen van belang, omdat hun verplichtingen waardevast zijn en dus gerelateerd zijn aan het inflatieniveau." Wie in 1947 zijn geld in aandelen had gestoken, had een gemiddeld rendement (dividend en koersstijging) op jaarbasis, gecorrigeerd voor inflatie, van 6,1 procent gehad, terwijl degene die voor obligaties had gekozen, zijn bezit jaarlijks met slechts 0,7 procent heeft zien groeien.

Bij het beschouwen van het rendement op aandelen over zo'n lange periode valt eveneens op dat de stijging van de performance geconcentreerd is in bepaalde periodes. Van Schaik onderscheidt zeven zogeheten bull markets - tijden waarin de koersen voordurend stijgen - sinds de Tweede Wereldoorlog (zie tabel). De jaren vijftig en tachtig spanden met een groei van gemiddeld 20 procent de kroon. "Een belegger die eind 1960 voor twintig jaar met vakantie zou gaan, zou bij thuiskomst constateren dat zijn aandelen, voor inflatie gecorrigeerd, geen cent in waarde waren gestegen."

Rendementscijfers blijken sterk afhankelijk van de begindatum waarvan wordt uitgegaan. Een belegger die begin jaren negentig staatsleningen kocht, kan nu tevreden terugblikken; het gemiddelde reŽle rendement bedroeg de afgelopen twee jaar 3,6 procent. In de optiek van iemand die toen in aandelen stapte, waren het juist weinig opwekkende jaren. Jaarlijks werden de aandelen slechts 0,3 procent meer waard.

Van Schaik zegt dat de daling van de aandelenkoersen van de afgelopen jaren een direct gevolg is van de sterke economische groei die eind van de jaren tachtig plaatshad. In de periode 1988-1991 steeg het bruto binnenlands produkt (bbp) met gemiddeld 3,3 procent per jaar, in totaal evenveel als in de tien jaren daarvoor. Deze economische bloei viel samen met een forse stijging van de investeringen in vaste activa. De gevolgen daarvan beginnen zich nu af te tekenen.

"Het gevolg van die investeringen is dat nu vrijwel alle sectoren kampen met een overcapaciteit en de daarmee samenhangende druk op de prijzen. Bovendien moeten bedrijven de toen gemaakte schulden nu afbetalen. De winstgevendheid kwam ook onder druk te staan door extra looneisen van de vakbonden. Die zagen de winstcijfers en eisten hun deel op. De overheid versterkt deze tendens nog eens door de belastingdruk op te voeren in een poging het overheidstekort weg te werken", aldus Van Schaik.

Erg capaciteitsgebonden sectoren deden het uiterst slecht in de jaren negentig. De aandelen van de basisindustrieŽn, zoals chemie en staal, daalden 20 procent in waarde. De aandelenkoersen van kapitaalgoederenproducenten halveerden en de transport- en opslagwaarden moesten 41 procent inleveren. Anderzijds de niet-capaciteitsgebonden bedrijfstakken zoals uitgevers, verzekeraars en banken de waarde van hun aandelen flink stijgen.

Dat obligaties het relatief beter hebben gedaan dan aandelen in de afgelopen jaren weerspiegelt, volgens Van Schaik, het vertrouwen van de belegger in het anti-inflatiebeleid van de Deutsche Bundesbank. Hoe lager de inflatie, hoe hoger het reŽle rendement op vastrentende waarden zoals obligaties.