De liberale moraal hangt af van plaats en tijd
Frits Bolkestein

Tekst van een toespraak van VVD-fractieleider Frits Bolkestein tijdens de lustrumconferentie van de Prof. Mr. B.M. Teldersstichting, op 1 december. Het thema van de conferentie was 'Liberalisme en communitarisme'.

Het boek heette The cultural contradictions of capitalism en de naam van de auteur was Daniel Bell. In zijn studie uit 1976 betoogde deze bekende Amerikaanse socioloog, die al zo'n kleine dertig jaar vůůr Francis Fukuyama het einde van de ideologie had aangekondigd, dat er in de moderne Westerse samenleving een fundamentele spanning bestaat tussen het domein van de cultuur enerzijds en dat van de economie anderzijds. Terwijl voor de bloei van de economie bij voorbeeld een zekere soberheid, spaarzin en werklust essentieel zijn, kenmerkt de tijdgeest zich door hedonisme en door het najagen van kortstondige genietingen, aldus Bell.

Dat de ontwikkelingen in de sferen van politiek, economie en cultuur niet per se synchroon lopen, is een belangrijk thema in het werk van Bell. Het is ook een constatering die mij van groot belang lijkt bij de gedachtenbepaling over liberalisme en communitarisme.

Men zou kunnen zeggen - en ik besef dat ik nu enigszins simplificeer en misschien zelfs provoceer - dat het liberalisme op politiek en economisch vlak inmiddels zijn superioriteit heeft bewezen. Na het failliet van het socialisme en het communisme verwerpen in het Westen in ieder geval weinig mensen meer principieel de markteconomie en de liberale democratie.


Over de waarde van de liberale cultuur, die volgens menigeen de Westerse samenleving beheerst, bestaan meer twijfels. Het beeld is wijdverbreid dat de moderne mens vervreemd is van zijn naasten en zich alleen nog laat leiden door eigenbelang. Individualisme, cynisme en materialisme zouden de modale burger kenmerken: eigenschappen die ertoe bijdragen dat traditionele gemeenschappen uiteenvallen, hogere waarden uit het oog worden verloren en de maatschappij op den duur onherroepelijk desintegreert. Vereist is dan ook een herstel van traditionele normen en waarden, evenals een krachtig verzet tegen desintegratie bevorderende trends als de individualisering. Dit is, kort samengevat, de visie van communitaristen, conservatieven en christen-democraten, groeperingen die, als ik het goed zie, in Nederland grotendeels samenvallen.

Hoe juist nu is deze onheilspellende analyse? Bevordert het streven naar een zo groot mogelijke individuele vrijheid, dat centraal staat in de liberale filosofie en samenleving, inderdaad de maatschappelijke desintegratie? Is er sprake van een algeheel verval van normen en waarden?

Als men kijkt naar een vrij liberaal en modern land als Nederland, lijkt het met de gevreesde desintegratie en normloosheid wel mee te vallen. Uit verschillende studies, waaronder die van het Sociaal en Cultureel Planbureau, komen feiten naar voren die haaks op de profetieŽn van de doemdenkers staan.

Zo maken veel burgers zich tegenwoordig ongerust over milieuvervuiling, discriminatie en dierenmishandeling, problemen waarvan onze grootouders in die zogenaamd goede oude tijd bepaald niet wakker lagen. Dit onlangs opgebloeide moreel besef vormt allesbehalve een indicatie van normloosheid.

Daar komt bij dat Nederlanders zich bij liefdadigheidsacties nog steeds vrijgevig tonen. De aanhang van ideŽle organisaties als Amnesty International, Greenpeace en Foster Parents is omvangrijk. Op veel maatschappelijke terreinen zijn vrijwilligers actief. De secularisering schrijdt voort, maar tegelijk tonen veel mensen belangstelling voor spirituele bewegingen en zingevingsvraagstukken. Van een alles overheersend materialisme en een enorme politieke apathie lijkt, al met al, geen sprake. Hoogstens is het geloof in absolute waarheden en revolutionaire politieke veranderingen afgenomen, maar als behoedzame liberaal juich ik deze ontwikkeling eerder toe dan dat ik haar betreur.

Ook van het verval van een traditioneel instituut als het gezin kan moeilijk worden gesproken. 'Het Nederlandse ideaal blijft trouwen en kinderen krijgen', luidde op 29 juni van dit jaar een kop boven een artikel in NRC Handelsblad, waarin een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek over relatie- en gezinsvorming werd samengevat. Dat geschrift laat zien dat jongere generaties een huwelijk weliswaar uitstellen, maar zelden - vrijwillig - afstellen. Het stijgend aantal alleenstaanden in Nederland heeft in de eerste plaats te maken met de groei van de groep bejaarde weduwnaars en, vooral, weduwen. Op een principiŽle afwijzing van traditionele samenlevingsvormen wijst deze ontwikkeling niet. Het bloeiende verenigingsleven in Nederland wekt evenmin het beeld van een samenleving van losse individuen zonder sociale bindingen. Individualisering blijkt toch iets anders dan atomisering te zijn.

Deze geruststellende gegevens zijn in overeenstemming met de liberale maatschappijbeschouwing. Door hun tegenstanders wordt liberalen vaak voor de voeten geworpen dat zij uitgaan van een asociaal mensbeeld waarin het individu als lone wolf figureert. Dit verwijt is niet terecht. Liberalen menen juist dat individuen uit zichzelf elkaar opzoeken en zich eigener beweging met elkaar verenigen. Liberalen hebben ook steeds gewezen op het belang voor individuen van een hecht netwerk van sociale relaties en van velerlei soorten groepen. De waarde van het zogeheten maatschappelijk middenveld, door het CDA min of meer gepresenteerd als een christen-democratische uitvinding, werd al uitvoerig aangetoond in het werk van klassieke liberale denkers als Montesquieu en Tocqueville.

De paradoxale situatie doet zich voor dat christen-democraten, die zich voorstaan op hun sociale visie, in feite een minder sociaal mensbeeld hanteren dan liberalen. Terwijl naar de overtuiging van liberalen gemeenschapsvorming grotendeels vanzelf plaatsvindt, vrezen christen-democraten immers dat individuen in een toestand van isolement en vervreemding terechtkomen als de staat hen niet te hulp snelt. In liberale ogen groeien en bloeien groepen op een spontane wijze; in de ogen van de christen-democraat moeten individuen met behulp van allerlei overheidsmaatregelen tot groepsvorming worden aangezet.

Tot zover het goede nieuws over 'de staat van de natie'. Maar behalve geruststellende verschijnselen vallen er ook enige zorgwekkende trends waar te nemen. Dat de communitaristen momenteel veel aandacht krijgen, heeft niet alleen te maken met het verlangen naar weer een nieuwe intellectuele tegenstander van het liberalisme, maar ook met door hen gesignaleerde problemen waar liberalen, althans op het eerste gezicht, niet zo goed raad mee weten.

De sterke toename van wetsovertredingen is ťťn voorbeeld van zo'n verontrustende ontwikkeling. De stijgende criminaliteit hangt zeker samen met een tekortschietend overheidsbeleid. De ernst van de problematiek heeft men te laat onderkend; te weinig geld is uitgetrokken voor de politie en het justitiŽle apparaat.

Maar er is er meer aan de hand. De wetten, zo heb ik wel eens in navolging van de oude Grieken opgemerkt, zijn de muren van de staat. Wil men deze muren overeind houden, dan dient men niet alleen te zorgen dat zij van goede kwaliteit zijn, maar ook dat zij op een stevig fundament rusten. Deze morele basis voor onze wetten nu lijkt enigszins aan erosie onderhevig. Het betreft hier geen radicale, principiŽle verwerping van ons rechtssysteem. Een kreet als 'Uw rechtstaat is de mijne niet', een slagzin die de krakers vroeger bezigden, horen we gelukkig niet zo vaak meer. Wel zien we, in brede lagen van de bevolking en op vele terreinen, een afnemend respect voor regels. Men lijkt zich veelal meer aan de wet te houden omdat men vreest te worden bestraft, dan omdat men overtuigd is van de juistheid van die wetten.

Niet alleen de rechtsstaat heeft een morele basis nodig maar ook de economie. Wil een volkshuishouding tot bloei komen, dan dienen burgers zich bij voorbeeld aan afspraken te houden en elkaars eigendommen te respecteren. Maar ook moeten zij initatieven ontplooien, risico's durven nemen, zich inspannen om vooruit te komen en blijk geven van soortgelijke kwaliteiten die de motor van sociaal-economische ontwikkeling vormen.

De verzorgingsstaat blijkt niet de ideale instantie om deze kwaliteiten te stimuleren. Hij heeft de neiging mensen als zwak en hulpbehoevend te beschouwen en eigen initiatief eerder te ontmoedigen dan aan te sporen, een neiging die ertoe heeft geleid dat bij voorbeeld de allochtonen in ons land zich minder hebben ontplooid dan mogelijk en wenselijk was geweest. De verzorgingsstaat ondermijnt het gevoel dat men verantwoordelijkheid voor zichzelf en anderen moet nemen en kan zo het economisch draagvlak van de maatschappij verzwakken.

Deze voorbeelden illustreren de wisselwerking tussen politiek, economie en cultuur waar Daniel Bell op wees. Als die wisselwerking inderdaad bestaat en als een bepaald normen- en waardenstelsel op den duur inderdaad onontbeerlijk is voor een liberale economie en maatschappij, ligt het voor de hand dat liberalen zich ook op het zo belangrijke morele vlak manifesteren. Het gaat niet alleen om vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid, maar ook, om een ouderwets woord te gebruiken, om de deugdzaamheid die het voortbestaan van die vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen.

Over moraal spreken liberalen in het algemeen met een zekere terughoudendheid. Zij willen namelijk individuen een zo groot mogelijke ruimte bieden om hun eigen weg te gaan en laten zich liever niet uit over wat het goede leven voor mensen zou zijn. Liberalen deinzen terug voor het paternalisme dat zij associŽren met het conservatisme, de christen-democratie en het socialisme.

Maar het liberalisme is een pluriforme intellectuele stroming met verschillende tradities. In ieder geval in ťťn van die tradities is het stimuleren van een liberale cultuur geenszins taboe en ontstijgt men de minimale moraal die vaak in verband wordt gebracht met het liberale gedachtengoed.

Als geestelijk vader van deze traditie kan men Adam Smith beschouwen. Bij het horen van de naam van Smith denken de meeste mensen aan The wealth of nations, het klassieke boek uit 1776, waarin de vrije-markteconomie van een theoretisch fundament werd voorzien. Niet vergeten mag echter worden dat deze Schotse Verlichtingsdenker eveneens een moraalfilosoof was, die zich in zijn fraaie studie The theory of moral sentiments boog over de vraag hoe een vrije samenleving bijeen blijft. Een belangrijke rol zag Smith weggelegd voor deugden die hij als de smeerolie van de samenleving beschouwde. Adam Smith behoorde niet voor niets tot de school van de Schotse moralisten.

Deze 'smeerolie van de deugd' lijkt me een hulpmiddel waarvan ook moderne liberalen zich mogen, ja zelfs moeten, bedienen in hun verdediging van liberale instellingen. Twee uitersten moeten zij zien te vermijden. Aan de ene kant dienen liberalen niet te vervallen in een normatieve laissez faire-politiek, waarbij mensen 'gewoon zichzelf kunnen zijn', om te verwijzen naar een leus die de VVD in het recente verleden heeft gehanteerd. Aan de andere kant mogen zij evenmin, op grond van eigen subjectieve voorkeuren, een bepaalde levenswijze aan burgers opdringen in de veronderstelling dat die de enig juiste manier zou zijn om tot ontplooiing te komen. Waar het om gaat, is, die normen en waarden te propageren, laverend tussen neutralisme en paternalisme, die essentieel voor het voortbestaan van een open samenleving zijn.

Welke deugden liberalen behoren aan te moedigen, wordt voor een deel door plaats en tijd bepaald. Dat geldt ook als het gaat om tradities en gemeenschapsvorming: centrale onderwerpen in het communitaristische gedachtengoed. In een statische, homogene samenleving waarin het gedrag van burgers sterk van collectieve gewoonten afhangt, zullen liberalen eerder voorop lopen bij het voorstaan van vernieuwingen en variatie dan in een maatschappij die op drift is geraakt en uiteen dreigt te vallen.

Binnen een maatschappij dient men een open oog te hebben voor de verschillende domeinen die Daniel Bell heeft onderscheiden. Zo is de Nederlandse economie weinig flexibel en kan vooruitgang worden geboekt door overbodige regels af te schaffen en vermolmde, corporatistische structuren af te breken. Maar op cultureel vlak vormen, mede door de komst van veel mensen met andere normen en waarden, instabiliteit en verbrokkeling een groter gevaar dan starheid. Vandaar het belang van de christelijke en humanistische traditie voor onze maatschappij als bindend element. Deze combinatie van economische progressiviteit en een zeker cultureel conservatisme vloeit niet voort uit opportunisme, maar uit een analyse van de maatschappelijke situatie in het Nederland van 1994.

Datum:

03-12-1994

Sectie:

Opinie

Pagina:

9

Trefwoord:

Politiek en staat; Ethiek; Levensbeschouwing

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.