Roel Janssen 21 januari 1995 NRC

John Kenneth Galbraith; Chroniqueur van de economie - Roel Janssen

JOHN KENNETH GALBRAITH: The World Economy since the Wars. A Personal View

274 blz., Sinclair-Stevenson 1994, f. 57,75

Stompzinnigheid, meent John Kenneth Galbraith, speelt een hoofdrol bij de totstandkoming van de geschiedenis. In de inleiding van zijn terugblik op de economie van de twintigste eeuw, The World Economy since the Wars, stelt hij vast: "Onwetendheid in staatszaken wordt zelden als zodanig vastgesteld. Een zekere politieke en historische correctheid verplicht ons om een doel, een reden, toe te schrijven aan gebeurtenissen, ook al zijn die overduidelijk afwezig." Deze combinatie van eigenwijsheid van iemand die alles beter weet en van berusting in de domheid van anderen, is Galbraith ten voeten uit.

Op 86-jarige leeftijd heeft de Amerikaanse emeritus-hoogleraar economie van Canadese afkomst zijn persoonlijke herinnering aan de economische geschiedenis van de twintigste eeuw op papier gezet. Hij beschrijft hoe de economie "over de jaren heeft gewerkt en hoe de invloed van oorlog en vrede, overheid en markt, ideologie en onwetendheid haar koers hebben bepaald". De grootste vergissing in economisch denken, stelt hij, is om de economie als een stabiele, onveranderbare structuur te beschouwen.

Galbraith, auteur van tientallen boeken, is nog steeds onstuitbaar. In de inleiding van zijn jongste boek kondigt hij aan dat hij werkt aan een volgend boek (The Lighter Side of Life) waarin hij de lichtzinnigheid, de geestelijke afwijkingen en de bereikte waanzin die hij in zijn lange leven heeft meegemaakt, zal beschrijven.

The World Economy since the Wars behoort tot de categorie onderhoudende boeken. Het is in kernachtig Engels gecomponeerd, het bevat op iedere pagina wel een citeerbare zin en het biedt onverwachte economische inzichten op de twintigste eeuwse geschiedenis. Galbraith heeft een voorliefde voor de brede penseelstreek. Details, schrijft hij, verbergen de kern waarom het gaat en daarom geeft hij slechts een "afgeslankte versie van de economische en sociale gebeurtenissen zoals ik ze gezien heb of ze heb leren zien."

Ruim zestig jaar geleden begon Galbraith economie te doceren. Sindsdien is hij in vele hoedanigheden betrokken geweest bij het Amerikaanse economische beleid: als medewerker, als adviseur, als waarnemer of als commentator. Die uitzonderlijke mengeling van functies, de intellectuele afstandelijkheid en de praktische betrokkenheid, maakt zijn economische reis door de twintigste eeuw zo boeiend.

Rampspoed

Galbraith haalt zijn intellectuele inspiratie uit Karl Marx, Adam Smith en bovenal uit de verzoener van deze twee antagonisten, John Maynard Keynes. Alle drie, merkt hij terloops op, hebben het denken van veel mensen beďnvloed zonder ooit door hen gelezen te zijn. De bewondering voor Keynes begint met The Economic Consequences of the Peace, Keynes' aanval op het Verdrag van Versailles en zijn verwerping van de herstelbetalingen die aan Duitsland werden opgelegd door de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog. De economische stupiditeiten die na 1918 werden begaan - de herstelbetalingen, de terugkeer naar de gouden standaard door Churchill in Engeland, de inflatie als gevolg van de wijze waarop de oorlog was gefinancierd - zijn Galbraith zijn leven lang bijgebleven.

Galbraith beleeft een sardonisch genoegen in de beschrijving van economische rampspoed, zoals het piramideschema van Charles Ponzi tijdens de onroerend-goedspeculatie in Florida in de jaren twintig (onlangs herhaald door Sergej Mavrodi van het speculatiefonds MMM in Moskou) en de crash van Wall street in 1929. De crash bevestigde voor hem dat financiers niet gedreven worden door intelligentie, maar door illusies. Het leverde Galbraith later zijn eerste bestseller op: The Great Crash. Met ontwapenende ijdelheid vertelt hij dat hij kort na publikatie op een vliegveld informeerde bij een kiosk of zijn boek aanwezig was. "Zo'n titel is niet geschikt om hier te verkopen", kreeg hij als antwoord.

Tijdens de depressie van de jaren dertig raakte Galbraith betrokken bij het economische beleid. Keynes had zojuist met zijn General Theory de klassieke theorie op de kop gezet met de vaststelling dat een economie in evenwicht kan zijn op een niveau van onderbesteding, onderconsumptie en werkloosheid. De oplossing was verhoging van de overheidsbestedingen voor openbare werken door tijdelijk het financieringstekort te laten oplopen. De aanhangers van Keynes vormden een gideonsbende en Galbraith was actief betrokken, in Harvard en in Washington. President Roosevelt bracht als eerste een 'Keynesiaans programma' ten uitvoer.

Reserves

Aan de Keynesiaanse invalshoek ontleent Galbraith ook een economische verklaring voor het verloop van de Tweede Wereldoorlog. In tegenstelling tot de Verenigde Staten en Engeland had nazi-Duitsland de werkloosheid van de crisis midden jaren dertig opgelost door de combinatie van openbare werken, herbewapening en mobilisatie. Duitsland, dat zich had voorbereid op een Blitzkrieg, beschikte daardoor over onvoldoende reserves die konden worden ingezet om een langdurige oorlogsinspanning te voeden. In Engeland en de VS waren in ruime mate ongebruikte grondstoffen en manschappen beschikbaar die in de oorlogsindustrie konden worden aangewend. Bovendien werden vrouwen direct bij de produktie betrokken. Duitsland schakelde pas heel laat over op een volledige militarisering van de economie (met gebruikmaking van dwangarbeid terwijl vrouwen om ideologische redenen lange tijd buiten de produktie werden gehouden) en de hoogste oorlogsproduktie werd pas in 1944 gehaald.

Galbraith was, eerst als directeur voor de Amerikaanse prijscontrole en later als directeur van de US Strategic bombing survey (die onderzoek deed naar de effecten van de luchtbombardementen op Duitsland) rechtstreeks bij de Amerikaanse oorlogsinspanning betrokken. Deze ervaringen bevestigden zijn mening dat "incompetence, even insanity... (and) the primal role of stupidity" het verloop van de geschiedenis bepalen.

Hoewel: na 1945 werden de economische fouten van 1919 niet herhaald. In plaats van herstelbetalingen kwam het Marshallplan, in plaats van de verwachte hervatting van de crisis kwam een ongekende periode van economische expansie, in plaats van hyperinflatie kwamen geldsaneringen, aanpassingen van de oorlogsbegrotingen en lage inflatie. Met recht spreekt Galbraith, bijna nostalgisch, van "de goede jaren van het Amerikaanse kapitalisme". En: in economische zaken, zoals in de rest van het leven, "bleek het toch mogelijk te zijn om wel te doen door goed te doen." Galbraith zelf genoot vanaf eind jaren vijfig van zijn faam als auteur, met bestsellers zoals The Affluent Society en The New Industrial State. Een succesvolle publikatie heeft een gunstig effect op de geestesgesteldheid van de auteur, meldt hij droog.

Basisinkomen

Op afstand was Galbraith betrokken bij de sociale actieprogramma's in de Verenigde Staten van de jaren zestig: het Peace corps van president Kennedy en 'de oorlog tegen de armoede' van president Johnson. Hoewel hij cynisch is over de effecten van ontwikkelingshulp, had volgens hem de armoede in Amerika met overheidsgeld kunnen verdwijnen. Maar alle aandacht, de politieke opwinding čn het geld, ging eind jaren zestig naar de Vietnam-oorlog. Tien jaar later was de stemming in Amerika omgeslagen: mensen met een redelijk inkomen en een redelijk welvaartsniveau sloten zich in een 'cultuur van tevredenheid' af van de sociale noden van de onderlaag. Galbraith is nog steeds van mening dat dit op economische gronden onverstandig beleid is. Behoud van koopkracht van de 'onderklasse' en een redelijk gelijke inkomensverdeling zijn onmisbaaar om een kapitalistische economie en volledige werkgelegenheid in stand te houden.


Een voetnoot met actualiteit voor Nederland betreft Galbraiths verwijzing naar het basisinkomen (de zogenoemde negatieve inkomstenbelasting waarover in december 1994 het debat in Nederland opbloeide). Bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1972 werd dit idee naar voren gebracht door senator George McGovern, de Democratische kandidaat. Het verzet hiertegen, schrijft Galbraith niet zonder ironie, kwam vooral van binnen de Democratische partij uit de vakbondsvleugel onder leiding van Humbert Humphrey. "Bijstand voor de armen bleef hierdoor een voorwaardelijke en twijfelachtige liefdadigheid in plaats van een sociaal recht", concludeert hij.

Galbraith verdedigt de welvaartsstaat als onmisbare factor die de onevenwichtigheden van het kapitalisme bijstuurt. Maar de problemen met de 'armoedeval' of de financierbaarheid van de welvaartsstaat bagatelliseert hij en hij doet ze af met raillerende opmerkingen over 'de welgestelden', die zich drukker maken over de overdracht van geld aan de armen dan over de belastingvoordelen die ze zichzelf toekennen.


Dynamisch

Hoewel de geschiedenis hem naar eigen zeggen gewoonlijk gelijk heeft gegeven, erkent Galbraith een paar inschattingsfouten. Hij heeft de ineenstorting van de Sovjet-economie niet voorzien. Hier wreekt zich Galbraiths eigenzinnigheid: hij houdt vol dat de planeconomie weliswaar niet kon voldoen aan de vraag naar consumptiegoederen, maar wel degelijk goed in staat was met centrale toewijzingen de zware industrie op te bouwen. Dat hierbij sprake was van een verspilling van grondstoffen, mankracht en machines, laat hij onbesproken - hoewel het naadloos zou passen in zijn theorie dat de geschiedenis op stompzinnigheid is gebouwd.

In het laatste hoofdstuk sombert Galbraith over een nieuwe depressie in de industrielanden en valt hij terug op zijn Keynesiaanse wortels met waarschuwingen over een permanent hoge werkloosheid zoals in de jaren dertig. Kort nadat hij dit schreef, kwam de economische opleving in de Verenigde Staten en vervolgens in Europa tot stand. Het kenmerk van de hedendaagse hoge werkloosheid in de industrielanden is juist dat deze niet plaatsheeft in een gesloten en krimpende economie (zoals tijdens de depressie van de jaren dertig), maar in een dynamisch, open en expanderend economisch bestel.

Dat is de tekortkoming van Galbraith: hij is altijd onderhoudend met zijn relativeringen van de convential wisdom (een begrip dat hij in 1958 in The Affluent Society zelf introduceerde), maar zijn messcherpe uitspraken zijn zelden meer dan een deel van de economische werkelijkheid. Galbraith is de chroniqueur van de politieke economie, niet de theoreticus of de analyticus.