M.M.G. Fase 21 januari 1995 NRC

John Kenneth Galbraith; GeŽngageerd en een beetje slordig

M.M.G. Fase; M.M.G. Fase is buitengewoon hoogleraar monetaire economie aan de Universiteit van Amsterdam

J. BEISHUIZEN: John Kenneth Galbraith: het economisch denken van een dissident

320 blz., Boom 1994, f. 43,50

Economen zijn er in soorten. Ruwweg zijn er twee, misschien drie hoofdgroepen. Aan de ene kant heb je de uiteindelijk door Marshall, Walras en Keynes geÔnspireerde theoretici. Zij hebben het vak tot grote abstractie en academische bloei gebracht en genieten in hun eigen soevereine kring wetenschappelijk aanzien. Een strakke, meestal formele redeneertrant is hun handelsmerk en academische veiligheid zonder veel maatschappelijke bekommernis met onderlinge hoogachting een voorname karakteristiek.

Aan de andere zijde bevindt zich de uiteindelijk door de Duits-Oostenrijkse organisch-beschrijvende, ten dele sociologisch-historische traditie - die het heeft moeten afleggen tegen de analytische aanpak van Marshall c.s. - geÔnspireerde visionaire hoofdstroom. Haar handelsmerk is de levende economische werkelijkheid. In de economische toptijdschriften kom je deze richting zelden tegen, want de huidige academische mode prefereert het veilige puzzelen boven fantasierijk reflecteren over grote lijnen. Hiertussen ligt nog het sympathieke eiland, bevolkt door de empirische en econometrische ploeteraars. Ook zij genieten aanzien, al gaat hun werk niet altijd door voor de echte werkelijkheid.

De Amerikaanse econoom Galbraith, Beishuizens held, is geboren in 1908 in Iona Station, Ontario, Canada en wordt gerekend tot de belangrijke hedendaagse vertegenwoordigers van de bovengenoemde visionaire hoofdstroom. Hij was hoogleraar in Harvard, ambassadeur in India tijdens de Kennedy-jaren en is auteur van meer dan 35 boeken en talloze artikelen. Ook in Nederland, vooral in de jaren '60, genoot hij aanzien en de socialistische voorman uit die tijd, Den Uyl, werd gegrepen door Galbraiths denkbeelden over de consumptiemaatschappij.

In de zienswijze van Beishuizen, gedurende meer dan 20 jaren economisch redacteur van Het Parool, is de kern van Galbraiths gedachtengoed te vinden in zijn drie voornaamste boeken; Beishuizen spreekt van een trilogie. Dit zijn The Affluent Society uit 1958, The New Industrial State uit 1967 en Economics and the Public Purpose uit 1973, alle ook in Nederlandse vertaling verschenen en toentertijd uitvoerig becommentarieerd door wetenschap en journalistiek.

De rode draad bij Galbraiths beschouwingen in deze drie boeken is de illusie van de richtingbepalende consument-burger voor produktie en overheidsbeleid. In zijn Affluent Society is het vooral de consumentensoevereiniteit en daarmee de overgeleverde theorie van het consumentengedrag die aan de kaak worden gesteld. De overvloed aan goederen en daardoor afnemende nuttigheid heeft de producenten er toe genoodzaakt het heft in handen te nemen en de consument te overtuigen van het nut ervan. Onafhankelijke consumentenvoorkeuren hebben, aldus Galbraith, plaatsgemaakt voor door de reclame en relatiebeheer aan de consument opgedrongen voorkeuren om aldus de produktie gaande te houden. Er is producentensoevereiniteit gekomen.


Gerijpt

In The New Industrial State wordt een soortgelijke accentverschuiving geschetst, waarbij de op marktsignalen reagerende entrepreneurs uit het neo-klassieke producentengedrag ŗ la Marshall worden overstemd door de planningsorganisatie. Want dit zijn de grote monopolistische ondernemingen die in zekere zin, aldus Galbraith, de markten naar hun hand kunnen zetten. In Economics and the Public Purpose staat de irrationaliteit van de moderne volkshuishouding - in feite die van de VS overigens - centraal met een tekort aan basisvoorzieningen zoals huisvesting, gezondheidszorg of onderwijs en een overvloed aan consumptiegoederen als auto's of cosmetica. Dit zou een gevolg zijn van het overwicht van de planningssystemen, dat wil zeggen het grote bedrijfsleven, op het overheidsbeleid dat ondanks de democratische besluitvorming onvoldoende zou reageren op de wensen van individuele kiezers.

Ook hier derhalve een aanval op een van de uitgangspunten van de gangbare economische theorie, dat de overheid er zou zijn om te waken over de belangen van de burgers. Maatschappelijke onevenwichtigheid is in alle gevallen het resultaat van de beschreven processen.

Beishuizen volstaat niet met een weergave van Galbraiths gedachtengoed - hij spreekt van het Galbraithiaanse systeem met de kwaliteit van de samenleving als kerngrootheid. Hij biedt in de tweede helft van dit mooi gerijpte boek - afgelopen november diende het de 72-jarige auteur tot proefschrift - ook een kritische waardering ervan.

Dit geschiedt in wat ik zou willen aanmerken als Hennipmaniaanse stijl en verraadt de invloed die Beishuizen heeft ondergaan van de hoogleraar Hennipman, leermeester van generaties Amsterdamse economen. Geheel naar diens werkwijze vermeldt Beishuizen, al dan niet instemmend, een overvloed van auteurs en kanttekeningen bij de vele thema's die Galbraith heeft aangesneden in zijn trilogie en overig werk, waarvan ik The Great Crash, 1929 uit 1954 nog steeds lezenswaard vind.

De technostructuur uit Galbraiths analyse van het bedrijfsleven in The New Industrial State wordt afgedaan als een woordenspel over de functie en aard van de invloed van managers en van technocraten als groep binnen de onderneming. Ook het ontbreken van een nadere precisering van het begrip macht, zo centraal in de analyses van Galbraith, en de verwaarlozing van de rol van het financiŽle establishment wordt veelvuldig als zwakte genoemd. Hierdoor overschat, zo betoogt Beishuizen, Galbraith de macht van de grote onderneming en miskent hij de betekenis van de markt en de internationale concurrentie als zelfstandige tegenkracht.

Zou zich hier, zo vroeg ik me af, Galbraiths afkeer van de zuivere theorie waar marktwerking en evenwicht in het middelpunt staan, wreken? Bovendien verbaast dit omdat het ook Galbraith is geweest die in 1952 het begrip counterveiling power introduceerde bij zijn analyse van het Amerikaanse kapitalisme. De kritiek betreft ook zijn economie van de overvloed omdat hij dit kernbegrip onvoldoende scherp afbakende tegenover het voor de econoom zo belangrijke begrip schaarste, dat de spanning aanduidt tussen gevoelde behoeften en beschikbare middelen daarin te voorzien. Voor de meeste vakbeoefenaren is dit het centrale economische probleem. Mij viel Galbraiths grote en bijna pathologische afkeer op voor monetaire politiek en dit ondanks het feit dat hij inflatie terecht ziet als een maatschappelijk ondermijnend verschijnsel dat volhardende bestrijding verdient.

Zwakheden

Waar deze eigenaardige tegenstrijdigheid haar diepste oorsprong vindt maakt Beishuizen niet echt duidelijk. Een mogelijke uitleg is dat Galbraith de neoklassieke kwantiteitstheorie waarop elke praktizerend geldhoeveelheidsbeleid logisch teruggaat, als denkkader verwerpt. Dit zou overigens moeten betekenen - Beishuizen spreekt daarover niet - dat hij zou kiezen voor een a-monetaire goederentheorie ter verklaring van de 'prijs' van geld. Dit is zeker een dissident gezichtspunt.

Interessant is wel dat Beishuizen de aandacht vestigt op Galbraiths standpunt dat de monetaire politiek ongewenste verdelingseffecten heeft omdat een restrictieve geldpolitiek de kleinste bedrijven veel harder zou treffen dan de grote. In de VS lijkt voor deze opvatting, naar recent onderzoek leert, wel enige empirische steun te bestaan. Echter, empirische verificatie is niet Galbraiths favoriete werkwijze. Volgens Beishuizen heeft hij hier zelfs een hekel aan, vooral omdat hij deze kunst niet machtig is, maar wellicht ook omdat 'wishful thinking' soms tot zijn sterke zwakheden behoort.

Beishuizen oordeelt in navolging van de opvattingen uit de literatuur gemengd over Galbraiths werk. Als popularisator van frisse economische denkbeelden komt hij naar voren als een geŽngageerd criticus van de gangbare wijsheden uit economenland. Als beoefenaar van de zuivere economie is Beishuizen minder positief over Galbraith, vooral ook omdat slordigheid en herhaling als ook het ontbreken van zelfkritiek en oog voor de feiten opvallend vaak bij hem aanwezig zijn. Zwak acht Beishuizen Galbraith ook als het gaat om de analyse van het bedrijfsleven. De grote verdienste van Galbraith ligt bij zijn werk op het brede terrein van mens en maatschappij met zijn vaak diepzinnige aandacht voor de kwaliteit van het bestaan en zijn niet aflatende pleidooi voor zinvol overheidsoptreden en milieuzorg.

Overigens is Galbraith voor sommige van zijn denkbeelden op dit laatste terrein op zijn wenken bediend door het WRR-rapport Ruimte voor groei uit 1987. Dat dit aan Beishuizens aandacht is ontsnapt is echter een kleinigheid. Terecht acht hij Galbraiths bewustmaking van de problemen van de welvaartsstaat van groot maatschappelijk belang. Verder heeft hij laten zien dat, om met Pen te spreken, economie ook een vak voor gewone mensen kan zijn.

Galbraith is, zijn onmiskenbare zwakheden ten spijt, zonder twijfel een interessante figuur uit de economiebeoefening van de tweede helft van de twintigste eeuw. Veel in zijn werk kan worden opgevat als de formulering van uitdagende hypothesen die het inzicht in de werking van de moderne volkshuishouding hebben verdiept en vaak om een nadere empirische uitwerking vragen. Dit is de brug naar de toekomst. Beishuizen komt de eer toe opnieuw de aandacht op Galbraith te hebben gevestigd.