De ondernemer heeft geen bord meer voor kop

Door FERRY VERSTEEG 28 augustus 1993 NRC

Sinds Boudewijn de Groot in de jaren zeventig zong over "het bord voor de kop van de zakenman' is het imago van de zelfstandige ondernemer in Nederland sterk verbeterd. Hun aantal groeide zelfs spectaculair. Maar de voorbereiding van de doorsnee-starter blijft abominabel.

Twintig jaar geleden kon Boudewijn de Groot nog met groot succes zingen over "het bord voor de kop' van de - hebzuchtige, kortzichtige, ego stische etcetera - zakenman. Gingen zulke teksten er destijds in als gesneden koek, inmiddels is de tijdgeest radicaal veranderd. De Groot is zelf allang zakenman en jaarlijks worden in ons land tegen de 40.000 nieuwe bedrijfjes opgericht (dan wel overgenomen). Dat zijn er zo'n 180 per dag. "Winstmaken mag niet alleen weer, het moet, en met de status van de onderneming in onze samenleving is het vandaag veel beter gesteld", verzekert onderzoeker drs. W.Verhoeven van het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM). "Het alternatief voor loondienst wordt positiever belicht, ook in het onderwijs."

Of neem de overheid die zichzelf in de jaren zeventig nog als prominente groeisector zag maar nu aan de lopende band taken afstoot, zelfstandig ondernemerschap beschouwt als ultieme wapen tegen werkloosheid, en 's lands loonslaven derhalve bestookt met campagnes als "Onderneem 't maar!'. Uit een recente enquête die het ministerie van Economische Zaken in het kader van "Onderneem 't maar!' liet uitvoeren door het EIM en de firma Mediad meldde 50 procent van de ondervraagden wel iets in het particuliere ondernemerschap te zien. En 30 procent bekende wel eens concreet te hebben nagedacht over het starten van een eigen onderneming.

"De meerderheid van de bevolking realiseert zich tegenwoordig dat je de natie niet in stand kunt houden zonder ondernemers", oordeelt Ir. J.C.Booijen, directeur van de Stichting Kleinnood die kleine ondernemers met problemen kosteloos van advies dient. "Tegelijk krimpt de overheid en stijgt de status van de ondernemer."

In Nederland zijn nu, volgens het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM), bijna een miljoen bedrijven - verplicht - ingeschreven in de Handelsregisters van de Kamers van Koophandel. Daarvan kan ongeveer eenderde worden afgetrokken aan "slapende' dan wel uiterst marginaal opererende ondernemingen waar nog niet één persoon full time werkt. Onder de resterende 665.000 vallen anno 1993 125.000 landbouwbedrijven, 50.000 bedrijven in de (semi)overheidsectoren, en 490.000 "gewone' particuliere ondernemingen. In 1986 waren dat er nog maar 403.000, wat dus een florissante groei met bijna 20 procent in zeven jaar betekent.

Enkele nadere details: eenvijfde van de beginnende ondernemers is van vrouwelijke kunne; de gemiddelde leeftijd is met 36 jaar behoorlijk hoog; de éénmans/vrouwszaak is met 64 procent het populairst, gevolgd door de Besloten Vennootschap met 21 procent; ruim eenderde van de starters richt zich op zakelijke dienstverlening, wat wel leidt tot de verzuchting dat weldra de ene helft van het vaderland de andere helft zal adviseren; de helft van de bedrijven zetelt in het westen des lands, terwijl het noorden met 8,8 procent - in 1983 nog 9,4 procent - lelijk achterblijft, mogelijk door het "Jutlandeffect' ofwel het ontbreken van een economisch achterland.

De ondernemende starterszin wordt niet alleen gestimuleerd door de tijdgeest en het ministerie van economische zaken maar ook door het gevestigde, grote bedrijfsleven. Ir. Booijen van de Stichting Kleinnood zegt: "Het grotere bedrijfsleven heeft alle belang bij een gezonde stand van kleine ondernemers/toeleveranciers. Bovendien beseffen de groten dat de werkgelegenheid bij hen niet meer zo groeit en dat de kleineren op dit punt het voortouw moeten nemen." Booijens eigen Stichting is er een voorbeeld van. Want via Kleinnood worden 140 - door grote ondernemers betaalde - oud-managers met veel ervaring ingezet om kleine bedrijven kosteloos te helpen bij het oplossen van problemen.

Pag 14: Explosiekleinbedrijf eindigt te vaak met trauma

Daar komt volgens F. Koehorst, hoofd financiering van klein- en middenbedrijf bij de Rabobank, nog het een en ander bij. Bedrijven reageren op de groeiende internationale concurrentie met meer flexibiliteit en een terugkeer naar kernactiviteiten. Dus stoten zij meer marginale activiteiten af en besteden die zoveel mogelijk uit. Wat weer naadloos aansluit op de behoefte van heel wat werknemers om zelfstandig te worden. Ook de populaire 'verplatting' van de bedrijfsorganisatie, waarbij het midden-management stevig wordt uitgedund, en de groeiende inkoop van externe adviezen hebben een stimulerende werking op de starterszin.

Toch past na zoveel euforie op rij niet zelden een relativerend tot kritisch woord. Dat komt zeker van Robert J. Blom, die als hoofdredacteur van het Faillissementenregister en als bedrijvenonderzoeker bij het Haagse adviesbureau Graydon gewend is ook de keerzijde van de medaille onder ogen te zien. Hij bestookte het afgelopen jaar 1000 nieuwbakken ondernemers met 65 vragen en kreeg volledige antwoorden van 214 kleine zelfstandigen die gemiddeld 1,5 jaar aan de slag waren. Blom noemt zijn bevindingen - deze zomer gepubliceerd in het boek 'Ondernemer worden/ Ondernemer blijven' (uitg. Graydon, Den Haag) - 'verrassend en soms verbijsterend'.

Zo zijn binnen 4,5 jaar 60 van de 100 nieuwe bedrijven al weer verdwenen. En over de overlevende 40 procent zegt Blom: "De meesten blijven klein en kunnen slechts met hangen en wurgen het hoofd boven water houden. Slechts een enkeling ziet kans uit te groeien tot een grote ondernemer." Zijn beginnende ondernemers zich bewust van dat schrale overlevingspercentage van 40 in 4,5 jaar? "De meerderheid niet", antwoordt Robert Blom. "Op mijn vraag of ze bang waren voor faillissement antwoordde 70,9 procent ontkennend. En op de vraag of ze wisten wat een eventueel faillissement persoonlijk voor hen zou betekenen antwoordde 53,2 procent doodleuk: "Nee, dat weet ik niet." Wel krijg je zelfbewuste reacties als 'Wat ik doe is het wel!' of 'Ik heb een gat in de markt ontdekt'. Bij nadere analyse blijkt meestal dat al duizenden ondernemers bezig zijn hetzelfde gat te vullen. Ik wil niet generaliseren, er zijn uitstekende voorbereide starters. Maar de meerderheid blijkt bar slecht voorbereid."

Blom deed nog een curieuze ontdekking. In niet minder dan 46,8 procent van de door hem onderzochte gevallen was er sprake van 'gedwongen ondernemerschap', van mensen dus die door (dreigende) werkloosheid, bankroet van de baas, reorganisatie of frustratie op het werk min of meer worden gedwongen voor zichzelf te beginnen. Blom: "Bijna de helft van alle bedrijven wordt dus niet opgericht uit overtuiging of enthousiasme en komt niet voort uit een lang gekoesterde wens, maar uit bittere noodzaak omdat er geen andere weg is." Hij verdenkt deze 'gedwongen' starters van gebrekkige motivatie en omschrijft ze daarom als 'faillissementsgevoelig'.

Deze stelling lijkt overigens aanvechtbaar. "Wij hebben wel eens een onderzoek gedaan waaruit blijkt dat gedwongen ondernemers het niet zoveel slechter doen als vrijwillige starters", vertelt onderzoeker Verhoeven van het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf. Een afgelopen maart verschenen onderzoek van de Amsterdamse Academie voor Bank en Financien concludeert eveneens dat de mensen die 'met de rug tegen de muur staan' en dan gaan ondernemen lang niet slecht presteren.

Intussen zegt Blom: "Ik hoorde laatst op de radio een zegsman van de Kamer van Koophandel in Den Haag opgewekt zeggen: "Ondanks alles gaat het goed met de Zuidhollandse economie want er zijn zoveel honderd nieuwe bedrijven bijgekomen. Dat klopt van geen kant. Juist als het economisch slechter gaat, zie je een toename van het aantal nieuwe bedrijven. Ook in het kielzog van de grote depressie in de jaren dertig explodeerde het aantal starters. Zozeer zelfs dat de overheid zich in 1937 geroepen voelde met een strenge vestigingswet de wildgroei te beteugelen en aspirantondernemers tegen zichzelf te beschermen."

"Allemaal eigen baas!", roept Robert Blom een tikje sarcastisch. "Nederland lijkt die leuze bijna letterlijk te volgen." Maar weten die ondernemende landgenoten wat hen te wachten staat? Uit Bloms onderzoek blijkt dat de gemiddelde starter 64 uur per week werkt. En in 40 procent van de gevallen werkt de partner nog eens 21 uur per week mee. Dat is samen meer dan dubbel zoveel als de 38 uur die de 'loonslaaf' pleegt te werken. En dat voor een veel kariger beloning. Voordat de ondervraagden zelfstandig ondernemer werden, verdiende 15,2 procent van hen als werknemer of uitkeringstrekker minder dan 30.000 gulden per jaar. Maar van de nieuwe ondernemers zit 41,7 procent onder dat magere jaarinkomen. Kortom, zelfstandig ondernemerschap betekent vooral de eerste jaren veel langer werken voor veel minder geld.

Toch antwoordde tweederde van de ondervraagden bevestigend op de vraag of het ondernemerschap heeft gebracht wat ervan werd verwacht. Blom: "Velen steken de kop in het zand en weigeren verlies te erkennen. Ze vinden zelfstandig werken ondanks alles prettig. Het werkt ook verslavend. De mensen willen of kunnen dan niet meer terug naar loondienst, hoe weinig ze als zelfstandige ook verdienen. Ze willen het voor zichzelf uitmaken en hebben daar geweldig veel voor over." Daar komt volgens Blom nog wat bij: "Als je op je 25-ste zelfstandig ondernemer wordt en je wilt op je 35-ste weer in loondienst, dan gaat dat misschien nog net. Maar als je 40 bent, kun je het wel schudden. Dan kun je kiezen tussen doorploeteren of je bezit opeten in de bijstand."

Onderzoeker Robert Blom stoort zich vooral aan de gebrekkige voorbereiding van startende ondernemers. Slechts 12,7 procent pleegt vooraf marktonderzoek, zo blijkt uit zijn enquete, 27,6 procent neemt de moeite een voorlichtingsbijeenkomst voor starters van een Kamer van Koophandel bij te wonen, en niet meer dan 26,6 procent raadpleegt vooraf een bedrijfsadviseur. Toch meende 70,9 procent van de ondervraagden dat zij over voldoende informatie beschikten om te beginnen. "Ze springen veel te snel in het diepe", vreest Blom. "'s Morgens even langs de Kamer van Koophandel om je te laten inschrijven als ondernemer en 's middags kaartjes laten drukken met 'directeur' erop.

Volgens de bedrijvenonderzoeker is de vakkennis van zo'n 'directeur' vaak heel behoorlijk maar dat maakt nog geen goede ondernemer. "Het ondernemerschap is volop om ons heen", zegt hij op een doceertoon, "maar het blijft toch behoorlijk abstract en wordt vaak niet als een echt vak gezien. Vraag een kind wat het wil worden en zelden luidt het antwoord: particulier ondernemer; hoewel later een gigantisch deel van de beroepsbevolking daarvoor kiest. Ik denk dat de fout ook in ons onderwijssysteem zit. Dat is gericht op het aanleren van vakkennis en daar houdt het mee op. Het onderwijs moet veel meer worden afgestemd op het ondernemerschap, op instructie in bankzaken, administratie, marketing en het opstellen van een ondernemingsplan.

Robert Blom vervolgt: "De overheid roept de bevolking opgewekt toe: 'Onderneem 't maar!' Dat is logisch want elke ondernemer is een werkloze minder. Maar als je de hoge mislukkingspercentages ziet, vraag je je af of de overheid niet een redelijke mate van terughoudendheid moet betrachten. Je kunt natuurlijk zeggen: Baat het niet dan schaadt het niet. Maar als je in je werk met de persoonlijke trauma's van zoveel mislukking wordt geconfronteerd, zeg je: dat wens ik mijn ergste vijanden niet toe."

Bovendien heeft Blom grofweg becijferd dat het huidige faalpercentage van startende ondernemers van 60 in de eerste 4,5 jaar de samenleving jaarlijks tussen de 4,2 en 6,2 miljard gulden zou kosten. Vandaar zijn suggestie voor een 'positief ontmoedigingsbeleid', voor een wat minder juichende en kritiekloze benadering van de beginnende ondernemer door overheid, banken en Kamers van Koophandel. Blom zegt: "De gemiddelde Kamer zegt in feite tegen de starter: Probeer het maar, misschien lukt het wel. Val je op je bek, dan hebben we er een werkloze bij, maar die hadden we anders ook gehad. Zo redeneren overheid en banken in feite ook. De enige verplichting die beginnende ondernemers hebben, is zich te laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Waarom aan zo'n inschrijving niet de verplichting gekoppeld om bij voorbeeld tien ondernemerslessen te volgen? Dat is toch niet teveel gevraagd? Dat kan honderden faillissementen en enkele honderden miljoenen guldens schelen."

Toch staat Robert Blom met deze suggestie eenzaam - zo niet alleen. Ten burele van de Utrechtse Kamer van Koophandel wuift starterscoordinatrice drs. T. Dijkstra deze suggestie weg. "Wij krijgen hier in de regio per jaar ruim 6000 mensen aan de telefoon en de balie die om beginnende ondernemersinformatie vragen", zegt ze. "Van hen doen er vervolgens 750 mee aan onze tweewekelijkse orientatiebijeenkomsten voor starters. En daarvan start uiteindelijk ongeveer een kwart. Onze vrijblijvende informatie vormt dus al een behoorlijke drempel." Dijkstra ziet daarom niets in verplicht startersonderricht. "Nieuwe regels staan ook haaks op het huidige klimaat van deregulering", verzekert ze.

Je moet oppassen dat je de drempel niet te hoog maakt want dat kost welvaart en werkgelegenheid", waarschuwt financieringschef Koehorst van de Rabobank. "Er zijn soms starters die met weinig formele kennis maar veel creativiteit en initiatief goede resultaten behalen. Oefenmeester Cruijff heeft per slot van rekening ook geen diploma. Daar komt bij dat wij als bank onvoorbereide of onbekwame starters er al snel uit selecteren. Want wie geen behoorlijk ondernemingsplan kan overleggen, krijgt natuurlijk geen krediet."

Drs. W. Verhoeven van het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf ziet evenmin veel in strengere selectie van startende ondernemers. Hij verwijst naar een vorig jaar gepubliceerd onderzoek in de European Observatory for Small and Medium Enterprise. Daaruit zou blijken dat binnen de EG het overlevingspercentage van beginnende Nederlandse ondernemers op een gemiddeld en lang niet slecht niveau ligt; beter dan in Engeland, vrijwel gelijk aan Duitsland en wat minder dan in Frankrijk of Denemarken. Daar komt, volgens Verhoeven, nog een ervaringsfeit bij: "Waar meer regels zijn - zelfs goede - komen minder ondernemingen."

Onderschrift:
Grafiek: Hoeveel uur besteedt u aan uw bedrijf per week?; Houdt het zelfstandig ondernemerschap hard werken in tegen een klein inkomen?