Marc Leijendekker 16 juni 2007 NRC

De stelling van Erik de Gier: flexibilisering is een ideaalbeeld waarin veel mensen niet goed passen


De meeste politici hebben bij de trend naar flexibilisering onvoldoende oog voor de valkuilen, zegt hoogleraar arbeidsmarktbeleid Erik de Gier tegen Marc Leijendekker. Wees voorzichtig met wijziging van het ontslagrecht.

In uw oratie een paar maanden geleden zei u: we moeten er maar aan wennen dat de verzorgingsstaat verleden tijd is.

De verzorgingsstaat zoals we die hadden, is er niet meer. Daarin lag de nadruk op verdeling. Nu ligt het accent veel meer dan op persoonlijke verantwoordelijkheid, verdienste, productiviteit, werk, prestatie. Natuurlijk hebben we niet van de ene dag op de andere een ander systeem. Maar dit is wel een trendbreuk, een ontwikkeling uit de jaren negentig die wordt uitgebouwd en ontwikkeld. We kunnen nu beter spreken van een activerende participatiemaatschappij.


Dat is een hele mond vol. Maar los van die individuele verantwoordelijkheid: de essentie van de verzorgingsstaat was dat je als er iets fout gaat, kunt rekenen op de overheid. Wordt dat ook ondergraven?

Aan de ene kant niet. Als er iets fout gaat, is er altijd nog de wet Werk en bijstand. Maar ook die is de laatste jaren gericht op activering van werknemers. In de twee, drie jaar dat die wet bestaat, heeft men degenen die nog een zekere arbeidskwalificatie hadden, die nog op de een of andere manier bruikbaar waren voor de arbeidsmarkt, weten te activeren. Nu zijn we toegekomen aan de harde kern, de mensen die langdurig van de arbeidsmarkt af zijn geweest. Voor een deel zal het lukken hen te activeren, maar voor een deel natuurlijk ook niet.

In hoeverre is het perspectief voor de jongeren die deze week zijn geslaagd anders van in de jaren zeventig en tachtig?

De arbeidsmarkt, heel de samenleving, het is allemaal harder geworden. Je moet je persoonlijke verantwoordelijkheid pakken en die waarmaken, je kunt niet zomaar terugvallen op een vangnet. Of je nu hoog opgeleid bent of laag, je zult ervoor moeten zorgen dat je blijft leren om je waarde op de arbeidsmarkt op peil te houden. Anders kom je aan de onderkant van de arbeidsmarkt terecht en blijf je het heel moeilijk houden.

Typisch voorbeeld van een medicijn dat nieuwe kwalen veroorzaakt?

Wat me in de discussie met politici opvalt, is dat ze sterk redeneren in termen van het beleid zoals dat geformuleerd is, of dat nu het regeerakkoord is of het partijprogramma. Als je probeert duidelijk te maken dat er ook andere dimensies zitten aan bepaalde ontwikkelingen, komt het toch niet echt over.

Concreter? Je hebt een aantal traditionele kwetsbare groepen: laag-opgeleiden, langdurig werklozen, allochtonen, en sommige groepen vrouwen. Daarnaast wordt een andere kwetsbare groep zichtbaar: de traditionele werknemers. Het is de groep waar het in de discussie van het ontslagrecht voortdurend over gaat, de insiders - zo genoemd omdat ze een baan hebben en goed beschermd zijn op de arbeidsmarkt. Die categorie staat psychologische zwaar onder druk. Hun koopkracht vermindert terwijl tegelijkertijd hun bazen veel meer gaan verdienen. Bovendien zien ze om zich heen andere groepen die wel succesvol zijn, de hoogopgeleide job-hoppers. Die groep lijdt onder de neerwaartse mobiliteit. Zij ervaren dat betaald werk geen garantie is voor persoonlijk welzijn en het gevoel dat je een plaats hebt in de samenleving.

Mensen tussen de 40 en zeg 55 jaar die niet de riante voorzieningen hebben van de mensen van boven de 55 en die niet zijn opgegroeid met de gedachte dat ze voor zichzelf moeten zorgen?

Precies. Nu wordt gezegd: die hebben het goed, dus je kunt die ontslagbescherming wel weghalen. Dat is niet waar. Als je dat doen, neemt de onzekerheid van deze groep alleen maar verder toe. Daarom zou je voor hen een overgangsperiode moeten creŽren.

Het is dus echt: zorg voor je zelf?

Dat wordt belangrijk. De overheid heeft niet zo veel clementie meer met je. Je zult zelf aan het werk moeten. Dat is allemaal niet zo erg als je ervan uitgaat dat de modellen perfect werken, maar we weten allemaal dat geen enkel model perfect werkt. En de schaduwkanten komen te weinig in de discussie terug. Men heeft het gevoel op de goede weg te zitten, met de vergrijzing die op ons afkomt, de globalisering. Ik denk dat de richting die we gekozen hebben helemaal niet zo slecht is, maar heb ook aandacht voor de onbedoelde gevolgen.

Uiteindelijk zul je in zon participatiemaatschappij verschillen krijgen tussen degenen die goed voor zichzelf kunnen zorgen en degenen die wat minder handig zijn. Is een groeiende kloof de prijs die je betaalt een soepel draaiend economisch systeem? Of moet je er een rem op zetten?

Tot op zekere hoogte. In sectoren waar de arbeidsmarkt krap is, neem de ICT, worden jongeren nu opnieuw mooie autos aangeboden. Dat lijkt me niet de goede aanpak. Het is natuurlijk moeilijk te voorkomen omdat er concurrentie is, maar het leidt ook tot een soort van gekmakerij die niet goed is. Tot grotere tegenstellingen, meer competitie, misschien meer ellebogenwerk. Willen we dat? Eigenlijk niet. Oppervlakkig bekeken zou je denken dat het allemaal wel goed komt als er maar voldoende prikkels en voldoende mogelijkheden zijn in zon participatiemaatschappij. Maar uit sociaal wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen behoefte hebben aan zekerheid, aan houvast en binding. Dat verdwijnt achter de horizon. Hoe wil je als werkgever werknemers aan je binden als je een soort van casino gedrag vertoont?

Maar u zegt ook dat die flexibilisering onafwendbaar is. We kunnen niet meer terug. Is het dan een ramp die ons overkomt?

Ik geloof niet dat het een ramp is. Maar je moet wel oog hebben voor de negatieve gevolgen, om bij te sturen waar dat nodig is. Het is ook belangrijk voor jezelf helder te hebben wat voor toekomst je met elkaar wilt. Willen we een economie die alleen maar flexibiliteit hoog in het vaandel heeft, of willen we ook de sociale kant aandacht geven. Ik zou voor dat laatste zijn, maar het is lastiger dan twintig jaar geleden.

Een econoom als Layard en een socioloog als Sennett, beiden eerder geÔnterviewd op deze paginas, zetten kanttekeningen bij de nadruk op flexibiliteit. Layard zegt dat mensen eerder streven naar stabiliteit en zekerheid, Sennett onderstreept het belang van verdieping en zingeving in het werk, elementen die vaak botsen met flexibiliteit.

Die deel ik wel, ja.

Moet je dan niet waarschuwen dat we de verkeerde kant op gaan?

Het blijven natuurlijk wel wetenschappers die een fantastisch mooie diagnose geven, maar als het dan om de praktijk gaat, dan wordt het ingewikkeld. Maar dit soort inzichten is belangrijk om rekening te houden met de zwakke kanten van een systeem. Je moet goed bezien wat er gaande is in de samenleving, en dat in de politieke discussie meenemen. Bijvoorbeeld de groei van het aantal werkende armen, waarover jullie maandag een bericht in de krant hadden.

Maar ook als je het oor van politici weet te vinden: de marsroute blijft richting flexibilisering gaan. Dat zal veel mensen ontzettend stimuleren en hun ondernemersgevoel ontwikkelen. Maar er zijn ook veel mensen die helemaal geen ondernemer willen zijn, zichzelf helemaal niet voortdurend op een andere manier willen ontplooien.

Daarom kan er op een bepaald moment een dusdanige spanning ontstaan in zon flexibele participatiemaatschappij dat de wal het schip gaat keren, dat het niet langer gaat.

Loopt de politiek dan achter de economische ontwikkelingen aan?

Ik heb het gevoel van wel. Maar ze kunnen ook niet zoveel anders. De samenleving is veel minder te sturen dan we vaak denken. Maar je kunt wel iets doen aan de beeldvorming. De nieuwe werknemer die de metafoor is voor de participatiesamenleving, is iemand die jong is, hoog opgeleid en van de ene naar de andere baan hopt. Als dat de norm wordt, gaan alle anderen die daar niet aan voldoen zich ongelukkig voelen.

Je kunt het vergelijken met de jaren dertig. Toen construeerden de Russen, in concurrentie met de Amerikanen, de zogenaamde Stachanov-arbeider. Die man was vijf keer productiever dan alle andere werknemers - puur bedrog, want hij werd geholpen door vijf andere mensen. Maar die arbeider is wel een voorbeeld geworden in de arbeidsproductie.

Nu heb je weer zoiets. We zijn een ideaalbeeld aan het creŽren van een bepaald type werknemer. Daaraan zou iedereen moeten voldoen. Maar dat kan niet, en daarom zou je er wat genuanceerder mee moeten omgaan. Let op de valkuilen in die participatiemaatschappij. Soms moet je daarom iets niet doen in plaats van wel. Bijvoorbeeld met het ontslagrecht. Als je dat verandert, gaat een bepaalde groep die zich toch al het kind van rekening voelt, zich nog meer gefrustreerd voelen.

Hoe ziet u de flexibiliteit aan de onderkant? Moet het minimumloon worden verlaagd? Veel arbeid is te duur geworden.

Uit onderzoek blijkt dat het afschaffen van het minimumloon of het afschaffen van het ontslagrecht niet meteen tot meer banen leidt. Misschien krijg je meer dynamiek op de arbeidsmarkt, maar het zijn niet zonder meer zegeningen. Ik zou daar voorzichtig mee zijn.

We gaan toe naar levenslang leren. Wat betekent dat voor werkgevers?

Je ziet nu al dat de mogelijkheden voor werknemers om binnen hun bedrijf te springen van de ene naar de andere baan, onder druk staan. Bedrijven gaan zich anders organiseren, besteden zaken uit. Werkgevers moeten nog meer investeren in scholingsmogelijkheden voor hun werknemers. Dat doen ze ook wel als het gaat om mensen die ze graag hebben. Maar het wordt moeilijker bij mensen met minder goede baantjes, met oudere werknemers over wie werkgevers denken dat ze over de top van hun productiviteit heen zijn. Ze ziet overigens wel dat die door de discussie over vergrijzing aan het kantelen is. Uit de cijfers blijkt dat de participatie van oudere werknemers toeneemt.

Wat mag de burger in een participatiesamenleving verwachten van de overheid?

De overheid heeft de neiging om zich terug te trekken en de verantwoordelijkheid in de richting van het bedrijfsleven te schuiven. Dat vind ik riskant. We willen dat de participatiemaatschappij een alternatief wordt voor de verzorgingsstaat, dat de burgers hun welzijn via die participatiemaatschappij realiseren. Dan moet je ook de condities creŽren waarin dat kan, en dat kost veel geld, aandacht en vasthoudendheid.

Is dat hele idee van die partecipatiemaatschappij niet een ingewikkelde manier om te zeggen: zoek het zelf maar uit?

Het kan inderdaad best een mager verhaal zijn, omdat je ook ziet dat de centrale overheid, die altijd de hoeder van het collectieve belang is geweest, zich verder terugtrekt, minder zichtbaar wordt en steeds meer bij de gemeente neerlegt. Dat hoeft op zich niet slecht zijn, want die zitten dichter bij de mensen.

Maar dan wordt het ook toevalliger, de ene gemeente zal het goed doen, de andere niet.

Het zit natuurlijk wel een beetje in onze genen, rekening houden met elkaar.

Dat is een smalle basis voor beleid, dat gevoel in onze genen.

Zeker. Vandaar mijn pleidooi om in de politieke discussies vooral ook de achterkant van de dagelijkse actualiteit mee te nemen. Het was de enige manier om je bewust te zijn van de valkuilen waar je iets aan moet doen.