DE DICTATUUR VAN TEVREDENHEID - Door Geert Mak 30 mei 1992 NRC

The Culture of Contentment door John Kenneth Galbraith 195 blz., Houghton Mifflin 1992, f 52,10 ISBN 0 395 57228 2

De beste analyse van de rellen in Los Angeles, Atlanta, New York, Chicago en San Francisco verscheen een maand voordat ze uitbraken. Dat is tekenend voor de luciditeit en de pijnlijk ijzeren logica van John Kenneth Galbraith. Maar het is ook typerend voor de conclusie waar zijn jongste boek The Culture of Contentment onvermijdelijk in uitmondt. In het kort komt die erop neer dat onze westerse samenleving haar vermogen tot zelfcorrectie dreigt te verliezen, nu zowel de politiek als de media beheerst worden door "tevredenen', die iedere inbreuk op "hun' wereld en "hun' wereldbeeld zo ver mogelijk van hun bed zullen houden. Zolang deze "cultuur van tevredenheid' de Verenigde Staten en West-Europa domineert zal de oproep "geneesheer, genees uzelve' geen enkel effect hebben. Galbraith: ""Inplaats van ziektes en gebreken te erkennen, roept deze dokter alleen maar hoe gezond hij zich voelt. Wat is dan de toekomst?''

De schuld voor de economische en sociale problemen van de Verenigde Staten ligt volgens Galbraith niet bij de politici of bij presidenten als Ronald Reagan en George Bush, maar bij de talloze mensen die op hen gestemd hebben. Die hebben namelijk precies gekregen wat ze wilden. Ze wilden minder belasting betalen, ze wilden zoveel mogelijk de vrijheid van het marktmechanisme laten prevaleren, aan de militaire uitgaven wilden ze niet tornen, maar wel aan allerlei "softe' sociale voorzieningen, en het afgelopen decennium zijn ze op hun wenken bediend. Het netto besteedbare inkomen van de 20 procent Amerikanen met de hoogste inkomens steeg, nog los van de inflatie, van 1981 tot 1990 met meer dan 25 procent.

BIJNA HILARISCH

Voor een overtuigende beschrijving van de desastreuze invloed van deze filosofie op de Amerikaanse economie in het algemeen en op het bestaan van miljoenen minder fortuinlijke Amerikanen in het bijzonder heeft Galbraith vervolgens maar een handvol bladzijden nodig. Het aantal inwoners dat beneden de armoedegrens leefde steeg in nog geen tien jaar met 28 procent, van 24,5 miljoen in 1978 tot 32 miljoen in 1988. Tegen het einde van Reagans presidentschap werd bijna ťťn op de vijf kinderen in de Verenigde Staten in armoede geboren.

De wereld van de tevredenen bestaat, in de visie van John Kenneth Galbraith, uit een zeer divers gezelschap van middenstanders, managers, financiers, zakenlieden, industriŽlen, ambtenaren, wetenschappers, de betere pensioentrekkers, goed gesubsidieerde boeren, en nog een dozijn andere groepen. Eerlijk gezegd rekent hij er zichzelf ook toe.

Apathisch zijn de tevredenen allerminst. Alles wat het comfortabele bestaan bedreigt wordt fel en energiek bestreden. De algemene stemming onder de tevredenen wordt echter bovenal gekenmerkt door het ontbreken van iedere fundamentele twijfel aan het bestaan dat ze leiden, aan de beheersbaarheid van de toekomst en aan het feit dat zij de teugels van dit alles in handen hebben en houden.

Niets doen, zelfs al zijn de vooruitzichten alarmerend, krijgt altijd de voorkeur boven preventieve activiteiten op lange termijn. Galbraith noemt als voorbeeld het ernstige probleem van de zure regen in het noord-oosten van de VS en de belabberde toestand waarin veel van de wegen, vliegvelden, spoorlijnen en andere onderdelen van de infrastructuur van het land verkeren. Voor Nederland kan men overigens ook denken aan het langzaam stopzetten van de stadsvernieuwing, precies op het moment dat er in sommige stadsbuurten voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis gettovorming dreigt.

Volgens Galbraith is deze passiviteits-logica onontkoombaar. Ten eerste weet niemand of die problemen "op lange termijn' ook werkelijk zullen komen. Ten tweede zullen de kosten door de tevreden meerderheid van vandaag betaald moeten worden, terwijl de baten in de toekomst voor anderen zullen zijn. En ten derde is daar ""de rustige theologie van het laissez faire'' met de belofte dat, zonder dat een mens weet hoe, aan het eind alles goed zal komen.

The Culture Of Contentment zou een bijna hilarisch boek over mythen en schijnzekerheden zijn, als de gevolgen niet zo tragisch waren die Galbraith in de opeenvolgende hoofdstukken beschrijft. Bijvoorbeeld de financiŽle schandalen, de verspilde miljarden, en de ongehoorde stijging van de militaire uitgaven. Of de tevreden, verstarde bureaucratieŽn, bang voor ideeŽn, gewend aan blunders - ze raken de betrokkenen zelf meestal toch niet - en vol problemen die niet opgelost worden maar doorgeschoven naar een immer uitdijend lager echelon. Met name hekelt Galbraith de grote bedrijfsbureaucratieŽn, die volgens hem in belangrijke mate verantwoordelijk zijn voor de neergang van de Amerikaanse kolen-, staal-, en automobielindustrie. ""Hun immuniteit voor kritiek is een centraal, zelfs vitaal element in de cultuur van tevredenheid.''

MODERN WAANBEELD

Geen wereld van tevredenen kan bestaan zonder een onderwereld die het vuile werk doet. Geen moderne, comfortabele economie kan, in de visie van Galbraith, functioneren zonder een grote, buitengewoon nuttige en zelfs essentiŽle onderklasse die geen deel heeft aan het aangename bestaan van de tevreden meerderheid. ""Er is geen groter, modern waanbeeld, zo niet bedrog'', schrijft Galbraith, ""dan het gebruik van dat ene woord "werk' voor iets dat voor de een uiterst slopend, pijnlijk en sociaal minderwaardig is, terwijl het voor anderen prettig, statusverhogend en economisch lonend is.''

Het grootste deel van de "functionele onderklasse' bestaat in de moderne samenlevingen uit recente immigranten en minderheidsgroepen. Ze vormen in Galbraith' ogen echter geen probleem, maar een noodzaak, en het is niet voor niets dat alle geÔndustrialiseerde landen het verschijnsel kennen. Zonder hen zouden de Zwitserse autowegen niet meer gerepareerd kunnen worden, de Amsterdamse straten niet meer geveegd, de Duitse en Franse lopende banden onbemand blijven.

Wat Galbraith betoogt kan soms nog als typisch Amerikaans worden afgedaan: de anti-overheids mentaliteit, de daaruit voortvloeiende aversie tegen iedere vorm van belasting, de extreme inkomensverschillen, het zijn problemen die in Europa minder spelen en in elk geval is hier de toon anders, waarmee de muziek gespeeld wordt. Dat geldt echter niet voor onze omgang met de onderklasse.

In West-Europa, en zeker in een land als Nederland, is het vooral de sterke sociale wetgeving geweest waardoor het overgrote deel van de burgerij de cultuur van de tevredenheid kon omhelzen, schrijft Galbraith. Zijn gedachtengang kan nog een stap doorgetrokken worden: zelfs een belangrijk deel van wat elders tot de "functionele onderklasse' wordt gerekend is hier, dankzij de verzorgingsstaat, de afgelopen decennia als het ware kunstmatig ingelijfd in de rijen van de tevredenen.

Dat werd mede mogelijk gemaakt door de instroom van talloze legale en illegale immigranten, die hen vervingen bij allerlei harde, niet prestigieuze werkzaamheden. Omdat deze laatsten hier uit eigen vrije wil gekomen zijn, geen stemrecht hebben en vaak ook juridisch een buitengewoon zwakke positie hebben vormen ze voorlopig nog geen grote bedreiging voor de tevreden meerderheid. Dat wordt pas anders als, net als in de getto's in de Amerikaanse steden, ook hier het werk verdwijnt, en daarmee het perspectief. Dan valt immers de belangrijkste reden weg om nog langer het vernederende leven te leiden dat voor de onderklasse is weggelegd: de hoop op een betere toekomst, voor jezelf, of voor je kinderen. Zolang die verwachting nog leeft, is men tot veel bereid.

Een groter en pijnlijker vraagstuk voor de Nederlandse samenleving is het feit dat het kunstmatig tevreden houden van een deel van de "oude' onderklasse niet meer betaalbaar is. De kosten van de verzorgingsstaat zijn te hoog geworden, en dat betekent dat er binnen de tevreden meerderheid zelf een selectie- en herbezinningsproces op gang gebracht moet worden. Na lezing van Galbraith' analyse is het niet meer zo verwonderlijk dat ook in Nederland een dergelijke inbreuk op de cultuur van tevredenheid buitengewoon moeizaam verloopt.

GEEN UITWEG

Galbraith pleit, zoals hij zijn leven lang gedaan heeft, voor een terugkeer naar een gemengde economie, met een sterke rol voor de overheid, die stimulerend optreedt voor een levendige markt. Het leven in de Amerikaanse grote steden kan volgens hem verbeterd worden door - maar ook uitsluitend door - overheidsingrijpen: betere scholen met beter betaalde leerkrachten, betere welzijnsvoorzieningen, betere zorg voor huisvesting, betere bibliotheken en sporthallen, betere politie. Het is, voor de zoveelste maal, de ijzeren logica van de oude Galbraith: ""Het probleem is helemaal niet wat er gedaan kan worden, maar wat er betaald zal worden.''

Wereldvreemd zijn dit soort plannen in Europese ogen allerminst, maar toch ontvouwt hij ze, zoals hij letterlijk zegt, met droefheid, omdat ze nooit gerealiseerd zullen worden zolang de hierboven beschreven wetten van tevredenheid de Amerikaanse samenleving zullen blijven domineren. Galbraith' nieuwe ijzeren logica sluit zo de oude uit.

De laatste alinea's van dit gedreven boek dragen de titel "Requiem', en ze verhullen nauwelijks de wanhopige patstelling waarop Galbraith zijn lezers doet uitkomen. In plaats van deelnemer plaatst Galbraith zich, bijna schouderophalend, in de rol van toeschouwer, en dat is helemaal niets voor deze altijd actieve en pragmatische econoom. De mogelijkheid dat er binnen de wereld van de tevredenen genoeg verantwoordelijkheidsgevoel bestaat om de eigen cultuur te doorbreken acht hij gering. De twijfels die sommigen koesteren horen bij het ritueel, in de kern tasten ze de wereld van tevredenheid niet aan. Een uitweg ziet hij niet meer, behalve door rampen en geweld. De ijzeren cirkels zijn gesloten.