Zoogdieren bezig met inhaalrace

Frans van der Helm 17 nov. 1994 NRC

Rogier Lange, Peter Twisk, Alphons van Winden en Annemarie van Diepenbeek: Zoogdieren van West-Europa. 400 blz., geÔll., KNNV Uitgeverij i.s.m. de Ver. voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescher- ming en de Vereniging Natuurmonumenten f. 49,95. ISBN 90 5011 077 0.

In de gemiddelde boekhandel staat onder twee planken vogelboeken een half plankje zoogdieren. Vogels zijn populair, er zijn volop vogelboeken en -verenigingen. De belangstelling voor zoogdieren is altijd wat achtergebleven. Dat heeft een eenvoudige reden: zoogdieren zijn er wel, maar je ziet ze niet. Tenminste, niet zonder daar zelf veel voor te doen.

Maar de inhaalrace is begonnen. Nadat in Nederland lange tijd voornamelijk vertaalde zoogdierboeken waren verschenen, kwam in 1992 de Atlas van de Nederlandse Zoogdieren uit. Die bracht nauwgezet de vroegere en recente verspreidingsgegevens in kaart en maakte ook duidelijk dat er nog wel het een en ander aan de kennis van Nederlandse zoogdierpopulaties ontbrak.

Nu is er het logische vervolg, het al lang aangekondigde Zoogdieren van West-Europa, geheel van Nederlandse makelij. Deze uitgave van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging is onderdeel van het offensief dat de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming heeft ingezet om wilde zoogdieren bekend, en daarmee geliefd te maken. Twee jaar lang is er door leden van de VZZ, naast hun gewone baan, hard aan gewerkt.

Zij begonnen niet helemaal met lege handen. De uitgave is de opvolger van het in 1986 bij de Jeugdbondsuitgeverij verschenen Zoogdieren van de Benelux, dat snel uitverkocht raakte. Dat was een mooi boekje, maar nogal beperkt: hoefdieren en dolfijnen ontbraken bijvoorbeeld.

In de nieuwe gids beslaat het besproken gebied een flink deel van West-Europa, met Nederland als centraal punt: van de westpunt van Ierland tot de oostgrens van Duitsland, en van zuidelijk ScandinaviŽ (Oslo) tot de noordgrens van de Franse alpen. Ook buiten dit gebied kun je met deze gids nog uit de voeten: wie in Noord-ScandinaviŽ of rond de Middellandse zee op stap gaat, komt hooguit tien soorten tegen die niet beschreven worden.

In West-Europa onderscheidt de gids zo'n 114 soorten zoogdieren. Buiten beschouwing blijven de in het gebied uitgeroeide soorten - de bruine beer bijvoorbeeld. Ingevoerde en vervolgens verwilderde diersoorten worden wel behandeld. Wie nu in Frankrijk een Floridakonijn tegenkomt, of bij Lochem een Siberische eekhoorn, kan het dier ook als zodanig herkennen en bovendien te weten komen hoe het daar is gekomen.

Per soort staan kernachtig waarnemingsmethoden beschreven. Voor bijvoorbeeld een vergelijkende schatting van aantallen veldmuizen zijn schelpen nodig, om in een proefgebied alle holletjes af te dekken, en na verloop van tijd te kijken hoeveel er weer open zijn gemaakt.

Voor de waarneming van vleermuizen wordt het gebruik van de bat-detector uitgelegd, een ultrasone ontvanger die de geluiden die voor mensen net te hoog zijn, hoorbaar maakt. De typen detectors worden, met prijsindicatie, toegelicht en er zijn tabellen opgenomen met de belangrijkste frequenties. De gids neemt beginners geduldig bij de hand: 'Het beste kan worden begonnen met de dwergvleermuis. Dit is in de regel de algemeenste soort, die vaak in stedelijk gebied jaagt. De detector stelt men in op 40/45 kHz. Op die frequentie

zijn karakteristieke hoge, 'dunne' tikjes te horen, die als de afstemschaal omhoog gedraaid wordt, overgaan in lagere, 'ploppende' tikken.'

Bij bedreigde soorten wordt een afgewogen overzicht gegeven van de factoren die bij de teruggang een rol spelen. Soms zijn dat onvermoede: zo heeft het ringen van vleermuizen op hun overwinteringsplek mogelijk bijgedragen aan hun achteruitgang.

Zestien kleurplaten en drie zwartwitplaten tonen alle behandelde soorten in het boek. Per plaat zijn de soorten op dezelfde schaal afgebeeld - een nuttige conventie waar veel zoogdiergidsen de hand mee lichten. De tekeningen van Peter Twisk zijn kunststukjes, verfijnd en tegelijk glashelder en sober. Bij soorten met een variabele vachtkleur is een blokje met een schematische weergave van de variatie opgenomen - een unieke staalkaart die in ťťn oogopslag veel duidelijk maakt.

Met gevoel voor realiteit zijn enkele onmiskenbare soorten, zoals eland en wild zwijn, afgebeeld op de zwart-wit platen. Ook de zeezoogdieren staan daarop. De grijze dolfijn komt ook in zwart-wit tot zijn recht, evenals de orca, maar andere soorten dolfijnen - met vaak erg mooie zachte flankkleuren - komen er op deze manier wat bekaaid af. De ware liefhebber van zeezoogdieren blijft daarom aangewezen op meer especialiseerde uitgaven. (De aangespoelde potvis van afgelopen maand kan met deze gids ook niet gedetermineerd worden. De potvis is, net als de andere grote walvissen, niet opgenomen - acht strandingen in de afgelopen eeuw zijn daarvoor niet voldoende.)

Een uitgebreid hoofdstuk gaat in op waarnemings- en onderzoeksmethoden, met schematische overzichten van de beste aanpak per soort(groep) en per maand van het jaar. Afbeeldingen van sporen en uitwerpselen, en schedelbeschrijvingen aan de hand van naaldscherpe tekeningen completeren deze handleiding. Een afsluitend

hoofdstuk behandelt bedreiging en bescherming, met de nadruk op Nederland en BelgiŽ.

Het in andere gidsen bij voorkeur gebruikte 'weinig' of 'vaak' ontbreekt. Hier heet het gewoon, over de mol: 'De maximale levensduur bedraagt drie jaar en wordt slechts door 2 % bereikt.' Over dezelfde mol lezen we dat invoering op Texel is mislukt - het soort nationale informatie dat in vertaalde zoogdiergidsen meestal ontbreekt.

In deze gids staat geen woord te veel. Desondanks is de benaming veldgids ongelukkig gekozen. Het is een compact naslagwerk en - door de gebruikte papiersoort - van aanzienlijk gewicht.

Jammer is dat een begrippenlijst ontbreekt. Bij de presentatie van het boek begin deze maand discussieerden zoogdierkenners over de vraag hoe 'het volk' bereikt kan worden. Deze gids is daartoe een belangrijke stap. Maar begrippen als eutrofiŽring' (overbemesting) en 'in lethargie gaan' (een soort winterslaap van spitsmuizen) gaan zonder verder toelichting aan niet-ingewijden voorbij.

Ruim eenderde van Nederlandse zoogdieren bedreigd

Nederland telt vijfentwintig bedreigde zoogdiersoorten,
blijkt uit de Rode Lijst die het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij onlangs heeft gepubliceerd. Het rapport is een bewerking van 'De rode lijst van bedreigde zoogdieren in Nederland', die in opdracht van het ministerie werd opgesteld door de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming. De rode lijst zoogdieren geeft een overzicht van soorten die verdwenen zijn, sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn.

Voor de soorten die nu nog in Nederland voorkomen, hebben de gebruikte gegevens betrekking op de periode vanaf 1960; voor de verdwenen soorten is het jaar 1900 als grens gekozen. De lijst is opgesteld aan de hand van de gangbare internationale criteria. Bedreigde soorten worden op grond van de trend in populatie-veranderingen in vier subcategorieŽn onderverdeeld: ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar en gevoelig.

Van de 65 inheemse zoogdieren staan 25 op de rode lijst. Van 5 soorten is de situatie onvoldoende bekend, en 35 soorten worden beschouwd als 'thans niet bedreigd'.


Van de 25 soorten op de rode lijst zijn er vier verdwenen (grote en kleine hoefijzerneusvleermuis, otter en tuimelaar), is ťťn ernstig bedreigd (bruinvis), en zijn er drie bedreigd (ingekorven vleermuis, vale vleermuis, damhert). Zes soorten zijn aangemerkt als kwetsbaar (waaronder boommarter en noordse woelmuis) en elf als gevoelig (zoals de grijze zeehond en de geherintroduceerde bever).

Voor het behoud van achttien zoogdiersoorten is Nederland op een of andere wijze ook internationaal van belang. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor de ondersoort arenicola van de noordse woelmuis (Microtus oeconomus), die alleen in ons land voorkomt. Van deze achttien soorten staan zes op de Nederlandse rode lijst.

Naast een informerende functie heeft de publikatie van de rode lijst ook gevolgen voor het natuurbeleid. De meeste rode-lijst- soorten zijn automatisch 'doelsoorten', en krijgen prioriteit in het natuurbeleid.

De rode lijst van zoogdieren is naar verhouding alarmerend lang. Het verwijt dat het een 'politieke' lijst is, waarvoor de opstellers weinig selectief te werk zijn gegaan, lijkt onterecht. Opvallende afwezige op de lijst is

bijvoorbeeld de das. Door intensief beschermingswerk is de populatie-ontwikkeling over heel Nederland zodanig, dat deze soort buiten de criteria valt - terwijl hij in verschillende regio's sterk achteruitgaat.

Rode lijst van bedreigde en kwetsbare zoogdieren in Nederland. P.H.C. Lina, G. van Ommering. IKC natuurbeheer nr. 12, 1994, Wageningen. Rode Lijst van bedreigde zoogdieren in Nederland (basisdocument). H. Hollander, P. van Reest, Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming, 1994, Utrecht.

Onderschrift:

Foto: De uitwerpselen van: vos, marter, hermelijn, otter, genetkat, wasbeer, kat, edelhert, eland,

schaap

Trefwoord:

Dierenbescherming; Natuur en Milieu

Persoon:

G. van Ommering; P.h.c. Lina; Annemarie van Diepenbeek; Alphons van Winden; Peter Twisk;

Rogier Lange