Winst en verlies in flora en fauna sinds 1970; Een flamingo in Friesland

F.G. de Ruiter 30 sep. 1995 NRC

Er verdwenen de afgelopen 25 jaar talloze dieren en planten. Maar er kwamen er ook tientallen bij: meegevoerd door de wind, het water of als verstekeling in de ruimen van schepen en vliegtuigen. Uit privé-verzamelingen of fokkerijen ontsnappen regelmatig exotische soorten, die soms overleven. Een inventaris van de natuur in Nederland: de Haagse parkiet en de Veluwse nijlgans.

Eind jaren tachtig kreeg de Nederlandse tv-kijker een wel zeer bedrieglijke reclame-boodschap voorgeschoteld. Picknicken aan een beek, je brood met een bepaald merk margarine besmeren en dan opeens otters ontdekken. Alsof die schuwe dieren op afroep beschikbaar zijn. Het idyllische tafereeltje was tòch al ondenkbaar: de otter was in Nederland, althans in het wild, zo goed als zeker uitgestorven. Bij Joure werd in september 1988 hoogstwaarschijnlijk de laatste van de soort doodgereden. Naderhand zijn in Friesland en Zuid-Limburg nog wel ottersporen in de vorm van uitwerpselen of spraints gevonden, maar die moeten afkomstig zijn geweest van zwervers uit België of Duitsland.

De natuur in Nederland als collectief van wilde dieren en planten is permanent in beweging. Er verdwijnen soorten (zoals de otter), maar er komen er ook terug, soms op eigen kracht, soms door doelbewust ingrijpen van de mens onder de noemer herintroductie. De wederopstanding van de bever in de Biesbosch is daar een treffend voorbeeld van. Ook verschijnen er nieuwe planten en dieren, spontaan of als gevolg van menselijk handelen. Daar zijn diersoorten uit verre, zelfs tropische oorden bij, die klimatologisch in Nederland niet thuishoren, maar hier desondanks weten in te burgeren. Ze worden exoten genoemd en staan bij biologen doorgaans in een kwade reuk. Men spreekt van 'faunavervalsing' en 'ongewenste vreemdelingen'. Hun intrede in het vrije veld valt meestal toe te schrijven aan verregaande slordigheid.

Dat alles is zeker van toepassing op de periode die verstreek sinds 1970. In die 25 jaar zijn zeventien soorten zoogdieren, vogels, vlinders en libellen uit Nederland verdwenen. Maar er zijn er veertien bijgekomen: terug van weggeweest, doelbewust heringevoerd of 'immigranten' op eigen kracht. Telt men de exoten onder zoogdieren, vogels en amfibieën mee, dan wordt het verliescijfer zelfs overtroffen. In de plantenwereld is deze trend nog manifester: "Voor elke soort die jaarlijks verdwijnt, komen er twee nieuwe bij", meldt dr. R. van der Meijden van het Rijksherbarium in Leiden.

Verval

Biodiversiteit heet de verscheidenheid aan wilde planten en dieren op de wereld, in een werelddeel of een land. Bij strikte hantering van dat begrip is de biodiversiteit in Nederland de afgelopen kwart eeuw nauwelijks kleiner geworden, eerder groter. Hieruit afleiden dat de Nederlandse natuur floreert of minstens op peil blijft, zou echter een misvatting zijn. Integendeel, ze gaat nog altijd achteruit, zoals de particuliere natuurbescherming niet aflaat te berichten. Voor biodiversiteit is ook de verspreiding over het land en de aantallen vindplaatsen per soort belangrijk. Wie de term zo interpreteert, moet vaststellen dat de aftakeling nog geen einde heeft genomen. Dieren die hier vroeger onbekommerd rondkropen of -vlogen, worden nu bedreigd en zeldzame soorten worden nòg zeldzamer.

In 1970, ons referentiejaar, telden de reptielen en amfibieën samen in Nederland 23 soorten. Daarvan is er tot op heden niet één uitgestorven, maar sommige, zoals de geelbuikvuurpad, de boomkikker en de muurhagedis, verkeren wel in het voorportaal van de dood: ze zijn bijna uitgestorven. Ook paddestoelen lenen zich ter illustratie van de neerwaartse spiraal. Bij 88 soorten - meest weidepaddestoelen en zogeheten mycorrhiza, die in symbiose leven met boom of struik - heeft zich een dramatische achteruitgang voltrokken. De verliezen variëren van 76 tot 99 procent. Ook de dagvlinderstand vertoont een uiterst negatieve balans.

Als oorzaken van het verval, de nivellering, het verdwijnen van soorten geldt een reeks verschijnselen beginnend met de letter v: vervuiling, verzuring, vermesting en verdroging, versnippering of regelrechte vernieling van biotopen, gebieden waar een dier of plant zich in het bijzonder thuisvoelt. Maar of die v's zo fataal zijn als wordt beweerd, is een vraagtegen waard, gezien de aantrekkingskracht die Nederland op weer andere soorten uitoefent. Of kunnen die er beter tegen? Of beginnen de inspanningen voor een gezonder milieu toch iets van vrucht af te werpen?

Kwak en ortolaan

Feit is dat de Nederlandse vogelwereld, bij een engere definitie van biodiversiteit, de afgelopen 25 jaar meer winst dan verlies heeft geboekt. Er zijn na 1970 twee soorten uitgestorven: de kwak en de ortolaan. De kwak, een kleine reigerachtige, broedde tot 1978 in de Brabantse Biesbosch, zij het in kleine aantallen van drie tot acht paren. Sindsdien is hij niet meer waargenomen. De ortolaan is zeer recent uit het Nederlandse landschap verdwenen. In 1994 werd nog één broedgeval in de Achterhoek gemeld, dit jaar viel er niets meer te melden.

Daar staat tegenover dat er vijf vogelsoorten zijn bijgekomen. Van 'sensationele ontwikkelingen' (aldus onderzoekers) is sprake bij de roodmus, die in 1987, komend uit het oosten, voor het eerst op Schiermonnikoog neerstreek en zich later over andere Waddeneilanden verspreidde. De laatste stand is circa vijftig broedgevallen. Sinds 1981 is Nederland vanuit de Noordduitse laagvlakte 'gekoloniseerd' door de buidelmees, bekend om zijn kunstig nest, dat nu ook in moerassige regio's als Friesland, Flevoland en de uiterwaarden langs Waal en Rijn wordt gevonden. Andere nieuwkomers zijn de zwartkopmeeuw (die hier sinds 1970 tot broeden komt), de middelste zaagbek (in Haringvliet en Grevelingen) en de grauwe gans, die vanaf 1972 de wind in de zeilen kreeg. Stuk voor stuk gevallen van spontane vestiging.

Een soort die terugkeerde door middel van herintroductie, is de raaf, eind jaren twintig als jaarlijkse broedvogel in Nederland uitgestorven, maar na de oorlog weer geïmporteerd uit Duitsland. De in kweekkooien grootgebrachte jongen werden tussen 1970 en 1992 op diverse plaatsen losgelaten en begonnen vanaf 1976 met succes aan hun voortplanting te werken, voornamelijk op de Veluwe. Daar worden nu tegen de honderd paren geteld, terwijl zich een zekere uitbreiding richting Sallandse heuvelrug aftekent.

Tot de onvervalste exoten onder de avifauna behoort de Nijlgans, die oorspronkelijk in Egypte thuishoort en via particuliere collecties op vrij grote schaal in de Nederlandse natuur belandde. Met vindt de verwilderde soort aan de Veluwse randmeren, op de Loosdrechtse plassen, langs de grote rivieren en in Zeeland, waar hij een agressief gedrag vertoont en vooral in de broedtijd geen ander dier in zijn omgeving duldt. Chileense flamingo's, ontsnapt dan wel opzettelijk losgelaten uit (Vlaamse) privé-verzamelingen, zochten hun toevlucht tot het natuurgebied Dijkwater op Schouwen-Duiveland. De sierlijke roze vogels met hun gekromde snavel zijn ook elders in Nederland regelmatig te zien, onder andere aan de IJsselmeerkust bij het Friese Makkum.

Biologen maken bovendien gewag van Zuidamerikaanse blauwgele ara's (papegaaien), die in het Elswoud bij Haarlem rondvliegen en daar ook in holle bomen broeden sinds ze doelbewust uit een volière zijn losgelaten. 's Winters worden ze bijgevoerd. Halsbandparkieten van Indiase en Pakistaanse origine hebben zich metterwoon in het Haagse Zuiderpark gevestigd.

Wasbeer

Ook in de afdeling zoogdieren zijn diverse exoten op het Nederlandse toneel verschenen. De Amerikaanse wasbeer, een felle jager, was er al vóór 1970, met name in de Achterhoek. Hij kwam de grens over na ontsnapping uit een Duitse fokkerij. In Zuid-Limburg nabij Geul en Gulp leven sinds de jaren tachtig zo'n twintig wasbeerhonden, een geheel andere soort, die zijn oorsprong in Wit-Rusland en de Oekraïne heeft. De dieren worden verhandeld in Aken en Luik en zijn wellicht van die kant binnengekomen. De bossen bij Tilburg bieden onderdak aan een populatie Siberische grondeekhoorns na de ontruiming, in 1972, van een dierenpark aldaar. Vooral vochtige oevergebieden zijn in trek bij Amerikaanse nertsen die uit kwekerijen zijn gevlucht. Deze exoten plunderen nesten van eenden en meerkoeten en stoten andere zoogdieren die aan de waterkant leven, het brood uit de mond.

Van de inheemse soorten zijn er de afgelopen kwart eeuw vier uitgestorven, waaronder twee vleermuizen: de grote en de kleine hoefijzerneus, die in de Zuidlimburgse mergelgroeven overwinterden. De grote is sinds 1970 nauwelijks meer gezien. De kleine hoefijzerneus werd voor het laatst in 1983 in een van de groeven aangetroffen. Een groot verlies was het verdwijnen van de otter, gesneuveld door ontginning van zijn natte territorium, gevoegd bij de groeiende verkeersdrukte en watervervuiling, die hem zijn prooidieren, voornamelijk vis, ontnam.

Uit het Nederlandse deel van de Noordzee verdween de tuimelaar, een dolfijnensoort die tot achterin de jaren zestig vrij algemeen langs onze kust voorkwam. Nog steeds komen er meldingen van tuimelaars binnen, maar een expert als dr. C. Smeenk, conservator van het natuurhistorisch museum in Leiden, zet daar vraagtekens bij: "'t Is steeds één man die hem ziet, zonder bevestiging van deskundigen. Het kunnen ook zwervende exemplaren zijn." Een zeezoogdier dat na vele jaren terugkeerde, was de grijze zeehond. Sinds 1980 is sprake van een gestage groei van de populatie, eerst op de Engelshoek (een plaat bij Terschelling), later op de Richel tussen Vlieland en Terschelling. Vorig jaren werden daar al circa 250 grijze zeehonden geteld.

Een tot dusver redelijk geslaagd geval van herintroductie betreft de bever, die vroeger in Nederland een bloeiend bestaan leidde. Tot zijn vaste leefgebieden behoorden het rivierengebied, beken van het Kempische en Drentse plateau en de binnenduinen tussen Hoek van Holland en Bergen. Maar daar kwam begin vorige eeuw een eind aan als gevolg van een meedogenloze jacht op het dier: in 1826 werd de laatste van een vroeger zo talrijke schare bij Zalk aan de Gelderse IJssel doodgeslagen.

Eind 1988 begon Staatsbosbeheer, gesteund door de natuurbescherming, bij wijze van experiment met het uitzetten van bevers in de Brabantse Biesbosch. De dieren werden in opeenvolgende jaren uit een bloeiende kolonie langs de Elbe in Oost-Duitsland geplukt en bleken ook hier hun draai te vinden. Het aantal geboorten overtreft inmiddels het sterftetal, waardoor de beverstand in de Biesbosch zich kon uitbreiden tot ruim vijftig stuks. Een soortgelijke proef in de Gelderse Poort achter Nijmegen verliep wat minder succesvol doordat sommige bevers bezweken aan ziektes en andere op drift raakten.

Houting

In de wereld van de vissen speelt zich een afgeleide vorm van herintroductie af. De zalm, die in de jaren vijftig uit de Rijn verdween, vindt aarzelend zijn weg terug sinds de rivier zich ecologisch herstelt en op de bovenstroom in Duitsland massaal zalmbroed wordt uitgezet. In de Bröl, een zijtak van de Sieg, hebben ze alweer gepaaid. De gebroeders Klop, beroepsvissers uit Hardinxveld, krijgen de edele soort regelmatig in hun netten.

Ook worden, verspreid over Nederland, wel jonge steuren gevangen, maar die zijn volgens drs. W.G. Cazemier, bioloog bij het Rijksinstutuut voor Visserij-onderzoek, niet van de oorspronkelijke Atlantische soort, de Acipenser sturio. Hij vermoedt dat er sprake is van de Kaspische variant, die uit kwekerijen is ontsnapt. De recente vangst van een houting, ooit een sieraad voor de dis, moet op een misverstand berusten. "Dat was hoogstwaarschijnlijk een grote marene, die vaak met de houting wordt verward."

Sinds 1970 is er niet een reptiel of amfibie uitgestorven. Er is juist een soort bijgekomen, een exoot onder de naam Amerikaanse brulkikker, die particuliere vijvers en tuincentra verliet om zich in de vrije natuur te nestelen. "Typisch voorbeeld van een ongewenste buitenlander", aldus herpetologe Annie Zuiderwijk, doelend op de vraatzucht van het dier, dat 25 centimeter groot wordt.

Van de insekten moesten vooral de dagvlinders zware verliezen incasseren. Niet minder dan zeven soorten zijn in Nederland uitgestorven: dwergdikkopje, kalkgraslanddikkopje, groot geaderd witje, dwergblauwtje, vals heideblauwtje, klaverblauwtje en moerasparelvlinder. Verdwenen is ook het duingentiaanblauwtje, een ondersoort weliswaar, maar één die alleen in Nederland voorkwam, zodat de klap des te harder aankwam. De vlinder had hier slechts twee territoria, de Meije bij Zegveld en de duinen noordelijk van Den Haag, waar hij in respectievelijk 1975 en '79 voor het laatst werd gesignaleerd.

Tegenover die verliezen staat één geval van winst. De rouwmantel, die omstreeks 1960 plotseling van de Veluwe verdween, is terug. Dit jaar kwamen ze, gedragen door oostenwind en gelokt door de warmte, met tientallen aangevlogen uit Polen. "Dus puur een kwestie van weersomstandigheden", zegt ir. D. Bal, insektenexpert bij het Informatie- en Kenniscentrum Natuurbeheer. "We moeten even afwachten of ze zich hier gaan voortplanten, want dat is het criterium voor definitieve vestiging."

Bij de libellen bleef de balans praktisch in evenwicht met drie uitgestorven soorten en drie die bezig zijn de status 'inheems' te verwerven. Na 1970 verdwenen de sierlijke witsnuitlibel, de oostelijke witsnuitlibel en de hoogveenglanslibel, die alle drie slechts te vinden waren op de hogere zandgronden, waar ze voornamelijk in vennen leefden. Nieuw zijn de zwervende pantserjuffer, bronslibel en bandheidelibel. Ir. Bal: "Die laatste twee zijn zuidelijke soorten, die vermoedelijk als gevolg van klimaatsveranderingen, het broeikaseffect, naar het noorden zijn opgerukt. Ook de pantserjuffer wordt vrijwel jaarlijks waargenomen. Die lijkt, in tegenstelling tot veel andere soorten, juist de profiteren van verdroging en verzuring."

Slijkgarnaal

In het stroomgebied van de Rijn is de witte eendagsvlieg Ephoron virgo na vijftig jaar afwezigheid terug, een teken dat het water waarin haar larven opgroeien, aan kwaliteit heeft gewonnen. Dezelfde rivier is sinds eind jaren tachtig het domein van enkele exoten, waaronder twee soorten Aziatische mossels en de Kaspische slijkgarnaal. De Aziaten kwamen vermoedelijk met ballastwater van zeeschepen mee, de Oosteuropeaan wist binnendoor via kanalen op te dringen. De Nijmeegse bioloog prof. dr. G. van der Velde ontdekte dat vooral de Kaspische slijkgarnaal is gaan woekeren ten koste van de inheemse fauna. "Het dier bouwt modderige kokertjes op stenen langs de Rijn en dat leidt ertoe dat driehoeksmosselen massaal afsterven."

In de plantenwereld is het beeld op z'n minst verwarrend doordat de nieuwe flora de verdwenen soorten in aantal ver overtreft. Negentien hogere planten - aldus dr. Van der Meijden van het Rijksherbarium - zijn na 1970 met zekerheid in Nederland uitgestorven. De Kartuizer anjer hoort erbij, maar ook wilde ridderspoor en kranskarwij. Zes andere zijn hoogstwaarschijnlijk verdwenen. Daartegenover staat de komst van tientallen nieuwelingen, meest kolonisten van onverdachte huize, die hier spontaan vanuit buurlanden tot wasdom kwamen. Dat zijn er alleen al 43, waaronder Franse aardkastanje, sikkelgoudscherm, zeekool, zeelathyrus en dodemansvingers. Van veel verder weg kwamen 33 planten, bijvoorbeeld straatliefdegras, kleverig ogentroost en bezemkruiskruid. Ze werden onbedoeld met zeeschepen, auto's en treinen ingevoerd en wisten in Nederlandse bodem wortel te schieten. En dan laten we de pure exoten (veelal aquariumgewassen) maar rusten.

De natuur als continue beweging en dat geldt ook voor het plantenrijk. Maar er zijn soorten die de sprong, hoe klein ook, niet wagen. Aan de Duitse kant van de Dinkel, waar dit riviertje de grens met Overijssel vormt, groeit en bloeit sinds jaar en dag het ongevlekt longkruid. Een afstand van tien meter, meer niet, maar de plant is nog nimmer overgestoken.