Uittreksels uit het landschapsregister

INTERVIEW, MARC VAN DEN BROEK
gepubliceerd op 21 januari 1995 00:00, bijgewerkt op 15 januari 2009 21:02

De Nederlandse landschappen zijn in Wageningen verwerkt tot cijfers en vervolgens opgeslagen in de computer. Een dergelijk centraal register bestond nog niet. Per vierkante kilometer is nu bekend of de ringslang er gelukkig is.

TEVREDEN KIJKT drs B. Harms, projectleider landschapsecologische kartering van Nederland, naar het computerscherm. Puntje voor puntje vormt zich een beeld, bestaande uit verschillende kleuren. Na een minuutje worden de contouren van Nederland zichtbaar, met informatie over de hoeveelheid waargenomen ringslangen per vierkante kilometer. 'Prachtig toch?'

Op zichzelf is het maken van zo'n kaart niet zo ingewikkeld, en even gemakkelijk kan computer-beheerder B. Looise, net als Harms werkzaam bij het Staringcentrum in Wageningen, een overzicht geven van Nederland met vegetatietypes, bodemgesteldheid, vochtigheid, bijzondere landschappen of welk gegeven over natuur en landschap dan ook. Dit alles dank zij het eind vorig jaar gereedgekomen landschapsregister van Nederland.

Bij de burgerlijke stand is al lang sprake van een gestandaardiseerde opslag van gegevens. Van elke inwoner worden onder meer naam en geboortedatum genoteerd, gegevens die op eenvoudige wijze zijn te raadplegen. Maar voor natuur en landschap bestond geen register waarin voor elke stukje Nederland de karakteristieken zijn opgeslagen.

Dat is voorbij. Als iemand wil weten wat er ergens in Nederland te vinden is, geeft Looise de coördinaten van dat gebied op en dan verschijnen de feiten op het scherm. Weliswaar gecodeerd in cijfers, maar met behulp van de handleiding is af te leiden wat er op dat stukje te vinden is. De getallen kunnen worden omgezet in kaarten.

De databank met deze zogenoemde landschapsecologische gegevens is eind vorig jaar operationeel geworden. Daarin is, zoals het woord aangeeft, zowel informatie over het dode landschap, bodem, grondwater en landschapsvorm, als over de ecologie (planten- en dierenwereld) verzameld.

Er is al veel bekend over het landschap in Nederland. De bodem is in kaart gebracht, de vormen van het landschap zijn vastgelegd, de planten zijn geteld, de aantallen dieren geschat en de grondwaterstand is gemeten. Noem een onderwerp en er zijn altijd instituten of amateur-verenigingen te vinden die onderzoek hebben gedaan.

Maar zelden deed men dat op dezelfde manier. Projectleider Harms: 'Stel dat een adviesbureau een klus moet doen waarvoor landschapsecologische gegevens nodig zijn. De onderzoeker is dan tijden bezig om bij verschillende instanties informatie te verzamelen. En als hij alles heeft, valt er vaak weinig mee te doen. Hij moet de gegevens bewerken voordat ze bruikbaar zijn, of moet zelf op onderzoek uitgaan en dat is duur.'

Om aan deze situatie een einde te maken, is ruim tien jaar geleden besloten natuur en landschap op te slaan in een databank. De opdracht kwam van de Rijksplanologische Dienst (RPD) van het ministerie van Milieubeheer (VROM). Het monnikenwerk is uitgevoerd door het Staringcentrum van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek van het ministerie van Natuurbeheer (LNV), dat het project ook financieel ondersteunt, en het Centrum voor Milieukunde in Leiden.

De RPD wilde destijds een veertigtal kaarten van Nederland hebben met daarop de belangrijkste gegevens over het natuurlijk milieu. Daarmee kunnen dan plannen worden getoetst op hun milieu-effecten. Deze opzet is lopende het project verlaten, omdat computers steeds krachtiger en sneller werden. Er kwam niet één set kaarten, maar een systeem waarmee iedereen elke kaart kan laten maken waaraan behoefte bestaat.

Het streven is lofwaardig, maar hoe sla je het landschap in een databank op? Voor dit werk is Nederland verdeeld in vakjes van één bij één kilometer, die ook zijn te vinden op de topografische kaarten. De grote vraag is hoe die 42 duizend vakjes op verantwoorde wijze kunnen worden gevuld met de juiste informatie.

Soms was het makkelijk. De bodemkaart van Nederland, met gegevens over de grondsoort en de ontwikkeling van de bodem, is opgeslagen in de computer en kon eenvoudig worden ondergebracht in het register. Van elke vierkantje is bepaald welke bodemsoorten er te vinden zijn, en die gegevens zijn verwerkt tot series getallen.

Moeilijk was dit werk voor de landschapsvormen, zoals beekdalen en stuwwallen. Slechts een deel van Nederland is gekarteerd en bovendien is de informatie niet in de computer opgeslagen. Harms: 'Een medewerker is bezig geweest om de 42 duizend vakjes te vullen. Hij kijkt op de kaart wat er te vinden is en geeft er een code aan. Voor de niet-gekarteerde gebieden raadpleegde hij andere bronnen. Dit is het ouderwetse handwerk.'

Het meeste werk is gaan zitten in de vegetatie. Het is nog niet mogelijk aan te geven welke planten in welke dichtheden in de vakken groeien. Voor dit onderdeel is gekeken naar vegetatietypen. Deze klus is uitgevoerd door de biologen uit Leiden. Ze raadpleegden provinciale overzichten van de vegetatie, die om het extra moeilijk te maken niet op uniforme wijze waren opgesteld.

Bijna al dit materiaal komt uit openbare rijksregisters, maar niet alles. Zo hebben bijvoorbeeld veel particuliere organisaties tellingen verricht naar de aanwezigheid van dieren. Harms: 'Voordat ze hun materiaal beschikbaar wilden stellen, hebben we flink moeten overleggen. De gegevens zijn het kapitaal van de organisaties en ze zijn bang voor misbruik als bekend is dat er ergens een zeldzaam organisme te vinden is.'

De gegevens zijn gratis beschikbaar, waardoor de kosten van het project (circa drie miljoen gulden) laag zijn. De meewerkende organisaties mogen gratis gebruik maken van de gegevens. Een schat aan informatie ligt nu voor hen open.

DE VRAGEN moeten landelijk of regionaal van aard zijn. Een gemeente kan niet kijken aan welke kant van de stad het best een nieuwe wijk kan worden aangelegd. Daartoe zijn de gegevens die per vlak van één vierkante kilometer zijn verzameld te grof. Maar voor een studie naar de Betuwelijn, de HSL, de beste kansen voor natuurontwikkeling in de Randstad of de studie naar de woningbouwlokaties in de Randstad is het register bruikbaar.

De systeembeheerder kan uit het landschapsregister zonder probleem kaartjes met van alles en nog wat laten komen. Maar dat is een eenvoudige toepassing van het systeem. Het leuke is dat de verschillende gegevens gecombineerd kunnen worden, afhankelijk van de vraag. 'Dat is de feitelijke kracht van het systeem', zegt Harms.

In de bijbehorende documententatie zijn voorbeelden opgenomen, zoals de potentie om gevarieerde bossen te ontwikkelen op de hogere zandgronden. Hiervoor zijn gegevens over grondwater en bodem gecombineerd en nog aangevuld met gegevens van buiten de databank. Dit leidt tot een indeling van Nederland die varieert van weinig kansrijk tot zeer kansrijk.

Een ander voorbeeld is de kwetsbaarheid van de vegetatie voor grondwaterdaling. Hiertoe zijn de tabellen over de vegetatie gecombineerd met de grondwaterstand. Ook kan de natuurontwikkeling in de Centrale Open Ruimte (het gebied tussen Rotterdam, Amsterdam, Arnhem/Nijmegen en Den Bosch) worden voorspeld. De databank levert informatie over bodem, grondwater, vegetatie en fauna. Het beleid formuleert verschillende plannen voor de toekomst en vervolgens kan dan de vegetatie- en fauna-ontwikkeling worden geschetst.

Deze voorbeelden moeten klanten over de streep trekken om zaken te doen met Wageningen. Iedereen die gebruik wil maken van de databank kan tegen betaling van minimaal vijfhonderd gulden administratiekosten antwoord krijgen op vragen. Hoe ingewikkelder die zijn en hoe langer Looise moet stoeien met zijn databank, hoe hoger de rekening wordt.

De komende anderhalf jaar verzorgt het Staringcentrum nog het beheer. Daarna wordt beslist wat er met het landschapsregister moet gebeuren. 'In principe willen we de informatie aan iedereen ter beschikking stellen', zegt projectleider Harms. 'Maar het heeft geen zin de gegevens aan te bieden in een openbare databank of ze op een cd-rom te zetten. Om er gebruik van te kunnen maken, moet je namelijk precies weten wat je wilt en de vragen exact formuleren.'

Marc van den Broek