De Rolls Royce onder de vogels

ITE R‹MKE 12 augustus 1995 NRC

In de stad leven niet alleen mensen en auto's. Het wemelt er van de dieren: reigers, ratten, wespen, vleermuizen. Er groeien allerhande bomen en struiken, bijzondere en doodgewone planten. Er is, kortom, veel natuur in de stad.

Een schatting hoeveel van de ongeveer 250 vogelsoorten die Nederland kent de stad als regelmatige verblijfplaats heeft, is moeilijk te geven, laat staan hoeveel individuele vogels bijvoorbeeld Amsterdam als standplaats kiezen. Hoeveel duiven zouden er zijn, hoeveel meeuwen, mussen, merels of spreeuwen. Hoeveel vogels zouden de parken en plantsoenen herbergen, hoeveel de gemiddelde particuliere tuin, hoeveel de bomen langs de grachten en kades?

Nico de Haan van Vogelbescherming Nederland houdt het erop "dat het aantal kilo vogels per hectare in de stad veel en veel groter is dan op het platteland." Ofwel: "Als biotoop is de stad het dichtstbevolkt met vogels. Een sperwer bijvoorbeeld shopt er graag. In de stad is hij sneller klaar, vindt er meer jonge vogels dan buiten."

Rekensommen in de trant van: er zijn 200.000 huizen met tuinen en in elke tuin zitten zoveel vogels, zijn niet te maken. De Haan: "Vogels zijn selectief. In de ene stadstuin vind je geen enkele mus of merel; dat is dan een vlakke tuin zonder begroeiing van betekenis. In de tuin van de buren, waar een meidoorn staat, kunnen tientallen vogels wonen." Dichte struiken zijn een 'must' voor mussen. "Mussen zijn banger voor een sperwer dan voor de kat. Een sperwer midden in de stad is bloedlink. Het is de kunst dekking te zoeken, snel van boompje te verwisselen, zodat de roofvogel er niet bij kan komen."

De mus is een vogel die bij mensen hoort. Er zijn al gedichtjes op hem en zijn sierlijk getsjilp gemaakt in het antieke Rome; Almere en Lelystad waren nog nauwelijks bewoond of de mussen volgden. "Een mus is een alleseter", legt De Haan uit. "In nieuwbouwwijken zie je ze weinig, omdat daar de daken zijn bedekt met sneldekpannen die hermetisch op elkaar aansluiten en nestelen onmogelijk maken." Waar zij zijn ruimen ze behoorlijk wat menselijke en dierlijke overblijfselen op. "Tot in de jaren vijftig aten ze nog van de paardenvijgen, van de karrepaarden van de groente- of de schilleboer. Nu eten ze hondepoep. Vooral waar Bonzo inzit, dat verteert kennelijk niet goed."

Een stadsvogel is ook de merel. Loop eens op een vroege lenteochtend door Amsterdam, als er nog nauwelijks verkeerslawaai is. "Dan hoor je een gigantisch merelconcert; dat barst vroeger los dan in het bos", zegt De Haan. In dat concert zingt elke merelman zijn eigen lied, soms met kleine variaties maar toch. Ze nemen deuntjes die ze regelmatig horen over, van elkaar maar ook van mensen. Zoals dat van de jongen die voor zijn open raam oefende op de dwarsfluit, of van de man die elke avond zijn hond naar huis floot.

Ongeveer een eeuw geleden hebben de merels massaal alle steden en dorpen in ons land bevolkt. Daarvoor leefden ze teruggetrokken in de bossen, waar ze nog steeds voorkomen maar schuwer zijn, later broeden en minder eieren leggen. Dat ze de steden konden koloniseren komt omdat ze 'generalisten' zijn - ze eten van alles - maar vooral wegens onze achtertuinen, waar de gazons wekelijks gemaaid en besproeid worden. 'Voedselrijke mini-steppen' noemt De Haan ze. De stad biedt de merels meer bescherming dan het bos, al loert ook in de bewoonde wereld de vijand. In de vorm van eksters, katten, kauwtjes of - aan de waterkant - ratten. Meer dan de helft van de merels sterft bij het territorium veroveren, nestelen en grootbrengen van de jongen (wel drie tot vier legsels per jaar). Toch komen er elk jaar miljoenen jonge merels bij, aangevuld door vers bloed uit ScandinaviŽ en zelfs Rusland.

Uit die laatste landen komen in het najaar ook hordes spreeuwen, met miljoenen tegelijk. Ze komen hier overwinteren of vliegen nog wat verder door naar Zuid-Engeland, Frankrijk of Spanje. "Zo'n vermagerde spreeuw uit Rusland ziet hier een goeddoorvoede soortgenoot en denkt daar moet ik bij wezen", zegt De Haan. "Na een paar weken ziet hij er even patent uit als de anderen." De stad gebruiken ze vooral als slaappIaats, omdat het er zeker een graad warmer is, wat minder energie vergt.

En dan is er - last but not least - de zwaluw. De gierzwaluw wel te verstaan, rotsbewoner van oorsprong, stadsvogel bij uitstek. Met hun onmiskenbare srie-sriegeluid zijn ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de weer. De Haan spreekt en schrijft met de grootste bewondering over de gierzwaluw, de 'RollsRoyce' onder de vogels, die tot in detail is afgestemd op een eindeloos verblijf in de lucht. Ogen diep in de kop, lichaam in perfecte torpedovorm, slanke maar stevige sikkelvormige vleugels. Pootjes die slechts geschikt zijn om mee te strompelen.

Als ze eind april, begin mei met z'n tienduizenden onze steden en dorpen bereiken, hebben ze honderdduizenden kilometers afgelegd. Zonder ooit uit de lucht te zijn, terug uit Afrika naar de plek waar ze geboren zijn of enkele jaren geleden hebben gebroed. In een slordig nest onder de dakpannen of een nis in de muur (veroverd na soms felle gevechten) komen de eieren uit. In slechte lentes, als het veel regent en er weinig insecten zijn, gebeurt er iets sprookjesachtigs. De Haan: "Met depressies gaan de oude vogels naar Londen, of naar Parijs, waar meer insecten te vinden zijn. Soms zijn ze dagen lang weg. In die tussentijd 'verstarren' de jongen, ze gaan in coma, zoals Doornroosje. Hun lichaamstemperatuur daalt tot 21 graden Celsius. Als de ouders terugkomen met een bal vol eten, worden ze weer wakker."

Later in de avond, kijkend naar het gejoel, gejaag en gecirkel in de lucht, van al die kleine en grotere groepen zwaluwen vraag je je af wat er allemaal gebeurt. "Dat is op de radar gevolgd", vertelt De Haan. "De dames worden naar de nesten gejaagd; de mannen gaan naar de sociŽteit boven." Ze stijgen op, tot ťťn ŗ twee kilometer hoogte. Daar brengen ze sluimerend en vliegend de nacht door. Om 's morgens heel vroeg weer neer te dalen.

Begin augustus houden ze het in Nederland voor gezien. Daar gaan ze met zijn allen, terug naar insectenrijkere gebieden. Tot volgend jaar.


Onderschrift:
Foto: Spreeuwenslaapplek bij Amstelstation Amsterdam, Foto Martijn de Jonge; Acht afleveringen, dit is de derde.