Hoge evolutiedruk drijft vlinders naar gelijk vleugelpatroon
Wim Köhler

artikel | Zaterdag 06-02-2010 | Sectie: Wetenschap | Pagina: W04 | Wim Ker

Twee verschillende Amerikaanse vlindersoorten hebben in de loop van de evolutie niet alleen hetzelfde vleugelpatroon gekregen, ze gebruiken er ook dezelfde genen voor. Dat is frappant, want beide vlinders zijn eerder in de evolutie ver uit elkaar gegroeid. De paar plaatsen op het genoom die coderen voor de vleugelpatronen zijn evolutionaire hot spots die bij beide soorten nu sterk op elkaar lijken (PLoS Genetics, online 5 februari).

De vlindersoorten Heliconius erato en Heliconius melpomene leven in Zuid-Amerika en het zuidelijk deel van Noord-Amerika. Beide soorten hebben regionale rassen met verschillende vleugelpatronen. Vogels laten zich afschrikken door de felle kleuren die gif of een vieze smaak suggereren. Vlinders met een aangeboren afwijking van de regionaal gebruikelijke vleugelkleuren hebben tot wel 50 procent meer kans om door een vogel te worden gepakt. Zo is er een hoge evolutionaire druk op het ontstaan van gelijke vleugelpatronen. H. erato en H. melpomene zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden, maar de individuen van de verschillende soorten paren niet met elkaar.

Het verwerven van hetzelfde uiterlijk (fenotype) bij soorten die in de evolutie uit elkaar waren gegroeid heet convergente evolutie. De vleugelpatronen van H. erato is waarschijnlijk al tussen de 2,5 en 5 miljoen jaar geleden ontstaan, terwijl H. melpomene waarschijnlijk later dezelfde kant op ging. De Amerikaanse en Europese vlinderonderzoekers schrijven dat hun beschrijving van evolutionaire hot spots de natuurlijke gang van zaken beter weergeeft dan het idee van plotselinge grote mutaties die onder evolutionaire druk soms ook bepalend zijn. Die zijn van de laatste 20.000 jaar en betroffen vaak domesticaties, van bijvoorbeeld de hond.

Wim Köhler